Vonken Malen

Het Poolsterplein op zondagochtend biedt weinig meer dan een geluidloze worsteling van de wind met de regen. De wind probeert de wolken bij de keel te grijpen, ik kijk omhoog en zie ze vluchten. Op het plein is alleen het geschuifel van mijn voeten te horen, het dichttrekken van de rits van mijn jack, het snuiven van mijn ademhaling. Verder is het stil. Niemand spreekt of schreeuwt, je hoort geen woord, geen vloek, geen kreet van pijn.

In pop-up store Don Quixote staan naakte etalagepoppen, hun lijven glimmen, de ogen in hun kale schedels staren glazig voor zich uit. De winkeleigenaar is al druk bezig. Hij hangt rode SALE-kaartjes aan de polsen van de poppen en plakt nieuwe stickers op de ramen.
Als om twaalf uur de rolluiken van de winkels omhoog gaan, stappen ook bij Don Quixote de eerste klanten naar binnen. Een van de eersten is een jonge vrouw met een gewatteerd lichtkleurig jack, een spijkerbroek en een strakke rode paardenstaart. Ze hangt bij een display met hangertjes rond, streelt er voorzichtig eentje met haar vingertoppen en kijkt schichtig om zich heen.
Dan rukt ze ruw het hangertje los en rent met een verbeten gezicht de winkel uit. Op zilverkleurige gympen roffelt ze lichtvoetig over de natte tegels in de richting van de straat. Ze trapt in een plas, het water spat op en daarna schiet ze rakelings voor me langs bij de natte bankjes voor de Primark. Ik kijk haar na tot ze met wapperende paardenstaart achter de loempiakraam verdwenen is. Onderweg heeft ze iets laten vallen op de trappen naar de straat.

Hoewel ze al verdwenen is, kan ik haar parfum nog ruiken. Ik snuif een rokerige oude lucht op, als van patchouli. Het is een stoere, elegante geur. In het voorbijgaan heeft ze me aangekeken, haar gezicht zo dichtbij dat ik zelfs de piercings in haar oor kon zien. Nu blijkt dat het meisje achterna gezeten wordt door een trage, zwaarlijvige man.
‘Waarheen?’ hijgt hij tegen me.
Ik luister maar half, nog bezig de zilveren ringetjes te tellen die ik in de oorschelp van het meisje heb gezien
‘Die troela heeft iets gejat,’ hijgt hij. ‘Waar is ze naartoe?’
Ik stuur de man de verkeerde kant op, in de richting van het metrostation. Onder het rennen kijkt hij op zijn telefoon en struikelt daardoor over een krat pompoenen van de toko. Met een rood aangelopen hoofd verontschuldigt hij zich bij de winkelier, druk gebarend in de richting van het metrostation. Nadat hij in zichzelf foeterend is teruggekeerd gaat hij de pop-up store weer binnen en kijkt verwijtend naar me om.

Voorzichtig loop ik in de richting van de loempiakar waarachter het meisje zich heeft verstopt. Nu zie ik ook het voorwerp dat ze op de trap heeft laten vallen. Het is een nepzilveren kettinkje met een molentje van glas eraan. Ik raap het op en stop het zo diep mogelijk weg in mijn zakken. Het molentje brandt in mijn jaszak. In een enkel ogenblik ben ik van toeschouwer medeplichtige geworden. Ik tril van het aantrekkelijke vooruitzicht de dader van dit misdrijf te gaan ontmoeten. Maar als ik aan de achterkant van de loempiakraam kijk, is ze al verdwenen.

Zo ging het ongeveer op die zondag, een jaar geleden. Eerlijk gezegd waren mijn dagen daarna niet meer hetzelfde. Ze leken korter geworden, minder belangrijk ook. De nachten daarentegen werden steeds langer, de straten telkens leger. Ik kon niet slapen en bracht uren achter de computer door, op zoek naar informatie over roodharige meisjes met paardenstaarten die waardeloze voorwerpen jatten uit tijdelijke winkels. Het zoeken werd lezen, het lezen werd studeren, net zo lang tot mijn verlangen een obsessie werd.
Ik begon mijn dagen door te brengen in de Centrale Bibliotheek. Bij het schaakbord in de hal ontmoette ik een zwerver met een baard en een rand van pluizig haar om zijn kale schedel. Hij vertrouwde me toe dat meisjes met een strakke rode paardenstaart afstammen van een mysterieus volk dat in de oertijd in het laagveen leefde. Daarna fluisterde hij dat er een manuscript bestond uit het begin van de vijftiende eeuw. Het verhaalde van een roodharige molenaarsvrouw die aan de geur tussen haar benen kon ruiken of het zou gaan regenen of niet. Die vrouw kreeg de schuld van de Elisabethsvloed van 1421 en werd vervolgd wegens hekserij. Vastgebonden aan een molenwiek werd ze uiteindelijk door het woedende volk met molen en al in brand gestoken.
Hierna vroeg hij me om een Euro en slofte weg, naar eigen zeggen in de richting van Delfshaven.

De lente kwam, de zomer ging en alleen de rokerige geur van patchouli bleef prikkelend in mijn neus hangen, elke keer als ik de trappen naar het Alexandrium opliep. Ik droeg het molentje steeds bij me, in de borstzak van mijn overhemd dichtbij mijn hart – voor het geval het meisje terug zou komen.

Pas in de herfst zag ik haar weer toen ik in Prinsenland over het Vierkante Eiland In De Plas fietste. Ze zat in de allerlaatste stralen van de zon op de rand van de grote betonnen schotel van het kunstwerk. Ze speelde met haar paardenstaart, haar benen bungelden losjes over de rand. Ik zette mijn fiets tegen een van de betonnen wanden en klom naar boven.
Ze strekte zwijgend haar arm naar me uit en opende haar handpalm.
Ik legde het hangertje in haar hand. Ze hield het op ooghoogte tussen haar vingers, het glazen molentje draaide langzaam rond. Het kettinkje schitterde in de zon, ik zag het glinsteren in haar ogen.
‘Waarom heb je het eigenlijk gestolen?’ vroeg ik.
‘Nou gewoon, zei ze.’ Omdat ik er altijd wel een beetje geil van word als die gast van de pop-up me achterna zit.’ Ze beet op haar onderlip. ‘Ik denk namelijk dat hij er ook wel een beetje geil van is als hij probeert me te pakken.’
Ik voelde een scheut in mijn maag. Ze rook niet meer naar het hippiekruid patchouli maar naar vermoeide bloemen op een graf. Ze had een legerjack aan in camouflagekleuren, droeg glimmend zwarte boots.
Don Quixote is weg,’ zei ik. ‘Die pop-up store heet nu: Blow!’
‘Weet ik,’ zei ze. ‘En de zon gaat zo onder over mijn eiland.’
‘Wat doe je hier eigenlijk?’ vroeg ik.
‘Wat doe jij hier eigenlijk op mijn eiland?’ zei ze plagerig. Ze ging verzitten, trok haar knieën op en sloeg haar armen om haar benen heen. Ik zag gele lichtjes vonken in haar ogen.
‘Ik kwam hier alleen maar even langs fietsen,’ zei ik. ‘Woon je hier of zo?’
Ze staarde in de richting van de eeuwenoude begraafplaats aan de overkant van de plas. Een windhoos trok over ondiep water, waaide om ons heen en verdween met een zuigend geluid in het gat onderin de betonnen schotel.
‘Dit is het laagste punt van Rotterdam,’ zei ze. ‘Het is het gevaarlijkste plekje van de stad als het water van de vloed weer komt. Ik kom hier altijd chillen. Sinds de stad bestaat tenminste,’ voegde ze er wat raadselachtig aan toe. Ze schudde haar paardenstaart naar achteren. ‘Wist je trouwens dat je hier helemaal niet mag fietsen?’
We liepen samen over de brug in de richting van de Parktoren, ik met mijn fiets aan de hand.
‘Welke kant ga je op?’ vroeg ze.
Ik kuchte. ‘We zouden bij mij thuis aan het Oostplein een kopje thee kunnen drinken.’
Ze zei niets maar sprong bij me achterop en sloeg haar arm om mijn middel, met haar vingers greep ze een huidplooi vast.

We waren daarna samen op mijn kamer en dronken thee van rode vruchten.
‘Het gaat morgen regenen,’ zei ze na afloop, terwijl ze aan haar vingers snuffelde.
‘Hoe weet je dat?’ vroeg ik.
‘Ik heb het daarnet aan de vloed tussen mijn benen geroken. Mijn moeder was een roodharige molenaarsvrouw, zij heeft me dit geleerd. Ik weet altijd wat voor weer het wordt als het geurt en tintelt in mijn wiekenkruis.’
‘Gaat het ook nog waaien?’ vroeg ik. ‘Misschien moet ik daar beneden nog eens beter ruiken aan het weer.’Ik wilde met mijn tong de weersverwachting uit haar gaan oplepelen, maar ze draaide weg en staarde ernstig in de richting van het Oostplein.
‘Zie je de molen daar?’ zei ze. ‘Hij wenkt me met zijn wieken.’
Ze wees naar de rotonde maar ik zag alleen twee verregende fietsers door rood rijden.
‘Die molen is toch bij het bombardement verbrand?’
‘Nee. Deze molen had een moedig hart. Hij vocht tegen de vlammen door met zijn wieken te draaien en het vuur tot vonken te vermalen, zei mijn overgrootmoeder. Maar na de stormvloed van 1953 waren de mensen dat vergeten. De molen is het jaar daarop alsnog in brand gestoken. Mijn oma is daarna nooit meer gezien…net als na de Elisabethsvloed, mompelde ze er achteraan.
Anyway, ik moet morgen naar Blow! zei ze.
‘Ik ga mee,’ zei ik gretig. ‘Ik wil je voortaan helpen shoppen.’
‘Dat is lief van je. Alleen…kun je me niet echt helpen.’
‘Waarom niet?’ vroeg ik.
‘Omdat die pop-up store niet echt een winkel is.’
‘Geen winkel? Maar wat is het dan wel?’
Ze schudde haar hoofd. Ze zweeg en staarde in de richting van de verdwenen molen op het plein.

Toen ik de volgende ochtend wakker werd, voelde ik dat haar plek in bed koud en onbeslapen was. Ze zat op een houten stoel voor het raam en keek uit over het Oostplein. Ze leek mij niet op te merken en prevelde half neuriënd een oud versje.

Molen bindt me aan je wieken
draai me tot ik sterren zie
molen ga de vonken malen
want dan brandt de molen niet

‘Die pop-up gast laat zijn klanten op me jagen,’ zei ze. Hij organiseert het als een heksenjacht omdat hij elke maand weer bang is voor de vloed. Steeds weer, steeds opnieuw. Ik moet er wel aan mee doen, of ik wil of niet. Hij lokt me telkens met die molenhangertjes. Die staan te glimmen vlakbij de uitgang. Het is gewoon te verleidelijk.

Als hij ‘houd de dief’ roept, weten de mannen op het plein dat ze je overal mogen beetpakken. Ze draaien je arm op je rug, dwingen je hoofd omlaag en grijpen je dan hard tussen je wieken.’ Ze legde haar hand tussen haar dijen alsof ze daar pijn had. ‘Mannen hebben ruwe handen,’ zei ze zacht. ‘En in de nachten droom ik dat ik brand.’
‘Ben je er wel eens voor naar de dokter of de politie gegaan,’ zei ik onnozel.
 ‘Ja, elke keer moet ik die winkel een boete van 181 Euro betalen.’ Ze moest hard lachen. ‘Hou toch op man. Ik ben als dief meer voor ze waard dan al het spul dat ze verkopen bij elkaar.’

We liepen hand in hand van de metro naar het Poolsterplein. Haar hand begon steeds zwaarder te wegen in de mijne en uiteindelijk voelde die als een ding dat niet meer vastgehouden wilde worden. Ik liet haar los. Ze draaide zich naar me toe en kuste me met rokerige lippen op mijn mond. Toen hing ze het kettinkje met de molen om mijn nek.
‘Ga hier weg,’ zei ze. ‘Voordat het water van de vloed weer komt.’

Ze liep met rechte schouders naar de pop-up store, een trotse schim uit vervlogen tijden, verdwaald in de verhalen van de stad. Ik zag haar een hangertje weggrissen en nog eenmaal voor haar leven rennen, lichtvoetig en wapperend met haar paardenstaart als een wolk die op de vlucht is voor de wind. Ver kwam ze niet. Ze botste tegen een man op, viel op de grond en werd door een groep joelende kerels aan haar haren de winkel in getrokken. Haar laarzen schraapten over de tegels. Langzaam ging het witte rolluik voor mijn ogen dicht.

Nog diezelfde nacht is de winkel helemaal uitgebrand. De kranten schreven dat ooggetuigen een merkwaardig, regelmatig suizend geluid in de vlammen hadden gehoord, als van de voorbijvliegende wieken van een molen die strijdt tegen het vuur.

Dit verhaal schreef ik voor de wedstrijd Rotterdam Schrijft op het Sweek platform. Het haalde de finale niet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.