Le Rêve

Scène 1: De Jeugdherberg

De zon scheen door het glas-in-loodraam de hal van de jeugdherberg binnen. ‘Voor de jeugd, van de jeugd, Ermelo 1947’ stond er.  Het witte licht werd gefilterd door de gebrandschilderde ruiten en viel met een roodgele gloed op mijn gezicht. In dat licht stond ik op stevige wandelschoenen te stralen met een kop thee in mijn hand en Lenie, Mia en Puk aan mijn zijde. We stonden al stevig in onze schoenen maar konden nog net niet op eigen benen staan. We zagen er alle vier goed uit, jong, meisjesachtig, vrouwelijk, fris en levenslustig. Niemand van ons had ooit een ring gedragen, onze nagels waren nog nooit gelakt.  Onszelf noemden we: ‘De Zweetdroppels’ vanwege al het corvee in de jeugdherbergen die we op onze trektocht over de Veluwe aandeden. We waren alle vier nog maagd en dat zouden we nog wel even blijven, tot we trouwden of desnoods tot we doodgingen. Daar was niets verontrustends aan. Er stond altijd wel ergens een emmer met groene zeep en een vettige grijze dweil die uitgewrongen moest worden en anders zou die dweil of uiteindelijk het leven zelf ons wel uitwringen. Het was het een of het ander. Het leven was overzichtelijk. En zelfs het ogenschijnlijk meest nutteloze had toch altijd ergens nut.

Verder was het allemaal precies zoals nu en zelfs het weer was soms hetzelfde. We wisten niet dat we in het verleden leefden. Op de foto’s zag het er natuurlijk anders uit. Nee, we leefden niet in zwart wit, we woonden niet in lelijke kamers. Als ik eraan denk, was het leven toen eigenlijk kleurrijker dan nu. Voor mij tenminste. Andere mensen moeten dezelfde kleuren als ik gezien hebben, in hetzelfde licht. Maar misschien waren ze zelf gaan geloven dat het in zwart wit was, net zoals op de foto’s in hun albums. Misschien geloofden ze op dezelfde manier in een scherpe lijn tussen goed en fout, ik weet het niet. Ik ben alles pas in een ander licht gaan zien nadat ik hem ontmoette. En het roodgele licht dat die ochtend in Ermelo door het glas-in-loodraam viel was daar de voorbode van.

De eerste keer dat ik hem zag, fietste hij voorbij. Het grind van het fietspad knisperde onder de witte banden van zijn glimmend zwarte herenrijwiel. Ik keek hem lang na en zag dat hij op het kruispunt stopte. Hij plantte zijn linkerbeen als een vlag op de grond en keek op de ANWB paddenstoel. Terwijl hij in de richting van het pannenkoekenhuis verdween, had Mia me aangestoten: “Hij zit bij die jongens in die villa aan de rand van het bos. Rare snoeshanen zijn dat. Kunstenaars.”

De tweede keer was hij ineens gestopt. Het was een dag later. Ik kwam net met Puk en Mia aanlopen na een wandeling door het bos. We hadden bosbessen verzameld en ieder van ons hield met rode vingers van het plukken een blikje met bessen vast toen hij aan kwam fietsen.

“Schattig kijken!” had Mia me toegesist.

Ik had zo snoezig mogelijk naar hem gekeken met zo groot mogelijke ogen. Toen hij naar me keek, streek ik een haarlok achter mijn oren, terwijl mijn blik niet van zijn ogen week. Hoe ik dat moest doen had ik van Lenie geleerd. De avond ervoor hadden we het nog op de slaapzaal geoefend, tot we huilend van de slappe lach op bed waren gevallen. Puk had er zelfs de hik van gekregen. Maar nu was het serieus. Mijn beeld stond blijvend op zijn netvlies gestanst als gaatjes in een ponskaart.

Hij stond fier met een been op het schelpenpad en het ander op de trapper. Hij bood me een sigaret aan. Het was heel vreemd. Mia en Puk leken te vervagen, begonnen niet meer te bestaan. Niet voor hem en niet voor mij.

Ik zei hem dat ik niet rookte. Hij stopte zwijgend de sigaret weer terug in het metalen blikje. Zelf stak hij er wel een op. Mia en Puk stonden een paar meter van ons vandaan. “Leuke trektocht?” vroeg hij. “Ja, dolletjes,” giechelde ik, terwijl ik piepend inademde. Hij was heel rustig gebleven en rookte zijn sigaret. Ik zag hem naar mijn benen kijken. Ik was flink langer dan Mia en Puk. Ik had de lange benen van mijn vader. Ooievaar, hadden de meisjes in mijn klas me genoemd. Maar nu ik wat ouder was geworden, bijna negentien, waren er een paar pondjes en wat ronde randjes vet op mijn heupen, dijen en kuiten bijgekomen. Ik moest er zelf aan wennen dat er steeds vaker mannen stilstonden om naar mij en de benen waar ik op stond te kijken.

“Ik heet Anton,” zei hij ineens. “En jij?” “Ella, Ella, ik ben Ella,” struikelde mijn naam over de woorden in die veel te korte, veel te haastig uitgesproken zin. Ik had de hele wereld in zijn stem gehoord.

De derde keer was hij naar me toe gekomen.

De andere meiden waren naar het dorp gegaan en ik was achtergebleven in de grote keuken van de herberg. Ik had corvee en wilde de aangekoekte soeppannen gaan schuren. Weer es wat anders dan piepers jassen en ramen lappen, dacht ik. In de enorme jeugdherberg was alles stil. Alleen het schuren van mijn propje staalwol in de pan en het zoemen van de vliegen was te horen. Maar op het heetst van de dag werd zelfs dat stil. In die grootse stilte kun je alles horen. Wist je dat? Als je dan goed luistert, kun je horen wat je hart tegen je zegt.

“Ik heb een lekke band,” had hij gezegd. En: “Heb je een emmer water?” Mijn hart zei: ja ik heb een emmer voor je. En ik vulde een emmer vol met liefde die ik, onhandig morsend, aan zijn voeten zette.

Hij zette de fiets omgekeerd met het zadel op de grond en hurkte naast de spaken van zijn grote wiel. Hij had weer die sigaret in zijn mondhoek en de rook kringelde omhoog in zijn rechteroog, dat hij dichtkneep. Met het andere keek hij scherp naar de luchtbelletjes die vanuit de lekke band blij omhoog borrelden in mijn emmer .

Ik stond dichtbij hem, veel dichterbij dan nodig was om hem te helpen. Mijn donkerblonde krullenkopje bewoog wat dichter naar hem toe. Want hij had geen hulp nodig. Hij had alleen mij nodig, vond ik. Kon hij me ruiken, door de rook van zijn sigaret heen?

Toen hij klaar was en het blikje bandenplak weer onder zijn bagagedrager had geklemd vroeg hij me of hij zijn handen mocht wassen. Ik liep met hem naar de badruimte van de jeugdherberg. Vanochtend had ik daar met mijn vriendinnen gedoucht en hadden we naar elkaars borsten gekeken. Mia had de mooiste en Puk de allergrootste. Maar de spitse speentjes op die van Lenie waren ook zo schattig. Toen ik haar rug had ingezeept had ik haar lange sterke spieren gevoeld. Lenie zat op atletiek. Op een vreemde manier wilde ik dat elke dag weer, Lenies rug inzepen. Ik begreep toen niet waarom. Er was zoveel dat ik niet begreep omdat niemand erover sprak.

“Kun je me helpen met mijn overhemd?” vroeg hij wat benauwd. Hij hield zijn kettingvethanden van zijn lichaam af. “Mijn handen zijn wat smerig.”

Ik knoopte het manchet van zijn overhemd open terwijl ik hem rook. Roken alle mannen zo? Het was een vreemde, intrigerende geur. Ik sloeg het manchet twee keer om. Zijn polsen waren warm en sterk. Hij liep door de lange gang achter me aan om zijn handen te gaan wassen. De badkamer had een hoog uitzetraampje dat ik vanwege de hitte zo ver mogelijk openzette, op het derde gaatje. De vloer was betegeld en er was een kleine wastafel met een koude kraan. In een bakje lag een al gebruikt blokje witte huishoudzeep dat zachtfris rook. Ik zag hem kijken naar het ijzeren, geëmailleerde bad. Ik had graag water voor hem willen koken voor een warm bad waarin zijn sterke spieren zich hadden kunnen ontspannen. Nu wreef hij onder het koude kraantje zijn handen in elkaar met het stukje zeep ertussen. Het maakte een irritant, smakkend geluid. Irritant omdat ik niet wilde dat hij zoveel haast maakte. Het rinkelen van fietsbellen buiten zei ons dat dit het moment was waar we het vandaag mee moesten doen. Toch was het moment geen moment gebleven. Het was officieel gepromoveerd tot een begin.
Hij nam snel afscheid van me terwijl ik de stemmen van de meiden al in de hal hoorde klateren. “Ik wil je schilderen,” zei hij zacht. “Kom morgen naar de villa. Het begint in het ochtendlicht.”

Ik kon er niet van slapen. In het bed boven dat van Lenie voelde ik voorzichtig in mijn broekje. Daar was ik nat en het voelde lekker om daar zo zachtjes overheen te wrijven. Het verlangen werd zo sterk dat ik er geen weerstand aan kon bieden. Ik stond op en liep door de lange donkere gang naar de douches. Ik stapte de badkamer binnen en pakte het stukje zeep. Ik rook eraan en stelde me voor dat het naar de bandenplak uit zijn blikje rook, naar het kettingvet aan zijn handen. Er zaten nog zwartige vlekjes op de zeep. Van hem? Terug in bed hield ik mijn adem in terwijl mijn hand naar onontdekte plekjes zocht in een ritme dat ik nog niet kende. Die nacht droomde ik in de slaapzaal in het bed boven Lenie dat we rond de meiboom dansten, alle meiden naakt met brede heupen, als godinnen in witte japonnen op een Frans impressionistisch schilderij. Ik droomde niet van hem. Dat hoefde nog niet. Dat zou pas veel later komen.

“Was hij hier?” vroeg Mia de volgende ochtend aan me. Ik bloosde. De woorden die ik zocht vluchtten voor mijn tong. Ze zag het. Ik zei: “Hij had een lekke band en vroeg om een emmer water.”  Haar stille glimlach zei me dat ze wist wat ik voor hem was gaan halen. Blozend vermoedde ik dat zij ook wist wat ik met stokkende adem stiekem in mijn broekje had gezocht.

Scène 2: Het Atelier

Hij pakte eerst een paletmesje. Weer keek hij naar mij, deze keer niet naar mijn ogen maar naar mijn huid. Toen pakte hij twee tubes, de een met rode, de ander met gele oker. Hij begon de verf te mengen op het palet met een warm schrapend geluid van metaal op hout. Het palet resoneerde mee terwijl hij met driftige bewegingen de kleuren door elkaar roerde en splijtend met zijn mes door de klodders sneed. Ik werd er zelf ook draaierig van, de kleuren draaiden rondjes in mijn onderbuik. Hij deed een likje wit op het palet erbij en keek toen weer naar mij.  “Zo, nu heb ik je,” mompelde hij in zichzelf. Hij leek niet meer naar mij te kijken, hij keek gespannen naar het doek en schudde zijn hoofd. “Er mist nog iets. Wacht even, ontspan je maar, ik ben zo weer terug,” had hij gezegd. Na een paar minuten kwam hij terug met een propje in zijn hand. “Hier,” zei hij. “Trek dit eens aan. Zo zie je pas goed hoe lang je benen zijn.”

Met mijn naakte billen ging ik zitten op een oude fauteuil en trok de lange zwarte kousen aan die hij me had gegeven. Het voelde alsof de boord van de kous de adertjes in mijn benen wat samenkneep, in elk geval trok een vreemde kriebel door mijn onderlijf. Ik ging weer in de pose staan maar het duurde even tot hij weer begon te schilderen. Ik voelde hem naar me kijken. Hij had de hele dag verder niets meer tegen me gezegd, maar ik wist dat het goed was. Ik was zijn ideaal en gaf hem zo het ideale schilderij. Wat hij mij zou geven was zijn hart. Dat wist ik gewoon zeker.

“Le Rêve,” zei hij halverwege de dag. “Dat wordt de titel.” Het zei me weinig. Ik had het Frans dat ik op de MULO had geleerd nog nooit gebruikt. Toen ik hem vroeg wat het betekende had hij gezegd: “De droom. Niet die van mij. Die van jou. Ik schilder je terwijl je droomt.”  

Toen het donkerder werd, stopte hij. Hij keurde me geen blik waardig maar ging heel aandachtig zijn penselen schoonmaken. “Anton?” zei ik. “Morgen verder,” zei hij eenvoudig. Hij hielp me in een badjas. Terwijl hij dat deed gleden zijn armen om mij heen en trok hij me naar zich toe. Ik voelde hem trillen en zwaar ademen. “Voel je het ook?” vroeg hij. “Ja,” zei ik hoewel ik niet kon weten wat hij voelde, laat staan wat hij bedoelde. Toen hij me kuste schrok ik, bang geworden van mijn eigen opwinding. Het overspoelde me, ik had er geen controle meer over.
Ik was steeds beducht geweest voor dit moment en tegelijk verlangde ik er hevig naar. Ik trilde. Ik was zo vreselijk bang voor Het Ding. Lenie had me er met blozende wangen over verteld. Het leek me doodeng en ik had weinig idee wat ik ermee moest doen. Als hij me maar niet stom of nuffig zou vinden! Zijn handen gleden over de huid van mijn rug. Ik voelde dat hij steeds sterker werd, zijn spieren spanden zich aan en hoe sterker hij werd, des te feller mijn verlangen, mijn angst, mijn paniek, het was of ik een flauwte kreeg. Toen ik hem op zijn mond kuste en zijn tong in me voelde, dreef ik weg, gedragen door een tijdloos verlangen.

Hij maakte mijn badjas los en ik keek hem in zijn ogen. Ik durfde nergens anders meer naar te kijken. Toen hij mij in mijn hals zoende, likte en beet, voelde ik Het Ding. Net zo snel als ik eraan dacht, was ik het alweer vergeten, overweldigd en bedwelmd als ik was door een oerdrift die al mijn gedachten verdrong. Er was geen Ding meer, ik dacht alleen nog maar aan hem. In zijn ogen zag ik de waanzin van zijn lust die me samen met hem een rode afgrond insleurde. Ik trok mijn benen op en liet hem in mij toe. Ik had niet verwacht dat hij nog sterker zou worden, maar hij begon me hevig dwingend, met hard, heftig verlangen te beminnen. Wat hij precies wilde kon ik nog niet helemaal begrijpen, maar het leek alsof hij hard stotend mijn hart probeerde te raken. Hij wilde mij, alleen mij. Ik greep me aan hem vast, het enige houvast dat ik kon zien en voelen, Ik graaide in de haren op zijn rug, greep zijn billen en even raakten mijn vingers zijn behaarde droge ballen. Toen ik hem daar, half per ongeluk, in zijn diepste wezen raakte, verstarden zijn bewegingen en leek hij eventjes, licht als een zonnestraaltje, boven mij te zweven. Toen klemde hij me in een dwingende, verpletterende greep, zijn rug kromde en zo lag hij schokkend en grommend in totale overgave in mijn armen.

Ik weet niet precies hoe ik het moet zeggen, maar het was geweest alsof ik een stille vijver was waar hij een kiezelsteentje in had gegooid. Vanaf het punt waar de kiezel het wateroppervlak had geraakt waren de golfjes in steeds groter wordende cirkeltjes door die vijver getrokken, tot ze de hele vijver zo deden bewegen dat het water over de rand klotste. Dat was wat ik voor het eerst voelde in die nacht, hoewel ik het pas de tweede keer begreep in het morgenrood.

En omdat niemand van mijn vriendinnen het woord ervoor kende of er in benaderingen over sprak, bleef het iets dat alleen van mij en hem was.

Scène 3: De Galerie

De dag nadat ik hem aan mijn moeder had voorgesteld zei ze dat zij hem geen  goede partij voor mij vond. Niet omdat hij niet knap was of geen manieren had, integendeel, maar omdat hij een kunstenaar was die zich van niemand iets aantrok. En juist dat vond ik zo fijn aan hem. Hij wist wat hij wilde en dat wilde ik ook allemaal – zolang ik hem maar had.
Mijn moeder begreep het niet. “Je laat je toch niet bloot schilderen?” vroeg ze. Ik had nog nooit tegen mijn moeder gelogen. Ik dacht aan de lange kousen die ik aanhad op het schilderij. “Nee mama, natuurlijk niet,” zei ik. Ze omhelsde me zonder me te kussen en toen ging ik weg, voordat mijn vader thuiskwam van zijn werk.

Ik verhuisde met Anton naar Parijs en een voor een verdwenen mijn vriendinnen, eerst uit mijn brievenbus, daarna uit mijn leven. De laatste met wie ik contact hield was Lenie. Toen mijn moeder was overleden zag ik haar op de begrafenis. Daarna ging ik naar het huis van mijn moeder. Mijn kamer was nog precies zoals op de dag dat ik was weggegaan. Blijkbaar had ze haar hele leven nog gewacht op de dag dat ik terug zou komen.

Het schilderij van mij hing in de etalage van Antons galerie. Af en toen keken mannen er geïnteresseerd naar en een enkele keer een mevrouw die dan geschokt, met kleine boze stijve stappen wegbeende. Ik werkte zelf in die galerie. Toch heb ik me daar nooit naakt gevoeld. Ik had toch immers kousen aan? Nadat Suzanne werd geboren moesten Anton en ik verhuizen. Het was een moeilijke tijd en hij verkocht bijna geen doeken meer. Toen op een dag iemand het doek wilde kopen voor 15000 franc, had Anton geweigerd het te verkopen, hoewel ik hem smeekte het wel te doen. Hij zei: “Nee Ella. Ik verkoop dat doek niet. Het staat in de etalage omdat het mijn mooiste schilderij is. Ik wil dat iedereen het kan zien.”

De eerste drie keer dat ik hem zag was hij groot geweest en had hij naar avontuur geroken. De allerlaatste keer lag hij stil en ging nergens meer heen. Hij zag er moe uit, maar tevreden, als iemand die weet dat hij alles heeft gegeven. Als Suzanne er niet was geweest, zou ik toen al naast hem zijn gaan liggen, net zolang tot ik met hem mee kon gaan op zijn laatste avontuur. Toen het uiteindelijk zo ver was, had Suzanne het doek uit mijn kamer in het verzorgingshuis gehaald en in haar eigen galerie opgehangen.

Soms kijkt iemand daar naar het schilderij. Dan denk ik: Dit ben ik zoals ik was. Mooi, vind je niet? Ik ben alleen maar een afbeelding op een schilderij, maar weet je waar ik naar kijk, daar in de verte? Ik kijk naar mijn dromen. Ze lijken ver weg, maar dat zijn ze niet. Ze zijn nog net zo tastbaar, nog net zo dichtbij als vroeger. Soms zijn we weer bij elkaar, Mia, Lenie, Puk en ik, Ella. Dan droom ik samen met de Zweetdroppels, van de tijd dat we naakt rond de meiboom wilden dansen, ieder van ons jong en fris, met brede jonge heupen, vier godinnen in het gras op een impressionistisch schilderij.  Als een van ons daarvan droomt, dromen we allemaal, dan geven we elkaar een hand, we pakken de linten van de meiboom en dan krijgt Puk weer de slappe lach. We begonnen samen en aan het einde zijn we weer vriendinnen. Is het niet prachtig zo? Lenie heeft nog steeds die kleine borstjes, Mia de mooiste en Puk de grootste. Zij dromen samen in zwart wit en ik doe het in kleur. Want blijkbaar heeft Anton alleen aan mij geleerd hoe je het leven in een ander licht kunt zien.

Wat is het mooi om een geschilderde godin te zijn en elke dag te mogen dromen van de allerwonderlijkste liefdes! “Wacht eens Puk. Hoor ik daar geen fiets met witte banden knisperen over het schelpenpaadje? Kijk Mia, daar gaat hij. Ik weet zeker dat hij van mijn kleuren droomt.”

-/\-

Tekst: © luckymanbooks 2016

Foto: © Robert Doisneau: Un Regard Oblique d’une Dame Indignée, 1948

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *