Het mannetje dat wilde groeien

Er was eens een heel klein mannetje. Het mannetje was het eigenlijk zat dat hij zo klein was en nergens bij kon. Hij kon niet bij de bovenste plank in de keukenkast. Hij woonde op de bovenste verdieping van een flatgebouw, maar kon niet bij het hoogste knopje van de lift en moest dus altijd het laatste stukje met de trap. In de bioscoop zat er altijd wel een reus in de stoel voor hem, zodat hij de ondertitels niet kon lezen. Zo zat was het mannetje van zijn kleinheid dat hij op een dag, heel, heel lang geleden, besloot dat hij moest groeien.

Een machtige Tovenares, die in het bos woonde, had van het probleempje van het mannetje gehoord. Ze sprak: klein mannetje, ik kan je helpen. Maar bedenk wel dat dat niet voor niets gaat. Ik geef jou iets maar dan moet jij ook iets aan mij geven. Het mannetje werd nu een klein beetje bang. Maar hij wilde zo graag groeien dat hij bibberend van de angst vroeg: ‘wat wilt U dan van mij hebben, Tovenares?”

Zij antwoordde: “Ik wil niets van jou hebben, mannetje. Niets van wat je hebt, is voor mij van waarde. Maar Ik wil jou hebben. Ik zal je helpen, maar daarna ben jij van Mij. Daarna doe jij wat Ik wil en wat Ik je opdraag. Je zult groeien, maar je zult ook voor altijd Mijn slaaf zijn. Je doet alles wat Ik zeg en je zult nooit meer iets doen zonder Mijn uitdrukkelijke goedkeuring. En als je fouten maakt of dingen vergeet, zal Ik je straffen. Denk daaraan mannetje.”

Het mannetje hoefde niet lang na te denken. Hij wilde zo verschrikkelijk graag groeien dat hij zonder woorden ja zei. Op dat moment gooide de Tovenares een magische boon op de grond en uit die boon ontsproot een bonenstaak. Maar in plaats van naar de hemel te groeien, zoals het mannetje van magische bonenstaken verwachtte, grepen de takken en stengels van de plant hem vast en binnen enkele tellen zat het kleine mannetje in de greep van de plant gevangen.

De Tovenares pakte een geheimzinnig kistje, waar vreemde tekens op gekerfd waren. Zij opende het met een sleuteltje dat Zij om haar hals droeg. In het kistje zaten zeven scherpe naaldjes en een potje gif. Zij doopte de eerste naald in het potje en zei tegen het kleine mannetje: “dit is de eerste naald, met het gif dood ik je eigenwaan. Daarom kon jij niet verder groeien, hier, pak aan”. Zij stak de naald in de borst van het kleine mannetje en het ventje piepte van angst en pijn. De Tovenares keek het mannetje diep in de ogen en pakte de tweede naald. Zij sprak: “met het gif op deze naald prik ik door het hardste schild, het is jouw mannelijkheid, die maakte je wild” en met die woorden stak Zij de naald diep in de balletjes van het mannetje. Hij viel flauw en zijn hoofdje zakte machteloos op zijn borst. De Tovenares maakte daar snel gebruik van om, zonder dat het mannetje het voelde, twee naalden in zijn oogjes te steken, twee in zijn oortjes en eentje door zijn tong. Door die twee naalden in zijn oogjes zou het mannetje alleen nog maar dingen zien die echt van waarde waren, door de naalden in zijn oren alleen nog maar horen wat de Tovenares hem op zou dragen en vanwege de dikke naald door zijn tong alleen nog maar Waarheid kunnen spreken.

Toen het kleine mannetje langzaam weer bij zijn positieven kwam, stond de Tovenares voor hem met een dolk in Haar hand en Zij stak hem recht door zijn hart.

Zij sprak:

Ik heb in jou lichaam nogal huisgehouden

er is flink doorheen geprikt

spreek samen met mij de zeven steekwoorden

eigenwaan wordt eigenwaarde

lust wordt dienstbaarheid aan mij

je dagelijkse offer is je pijn

geef al je liefde aan Mij als onderwerping

onderdanigheid in gehoorzaamheid

gulzigheid wordt dankbaarheid

jouw tijd bij mij is nu een eeuwigheid

De greep van de bonenplant verslapte en het mannetje viel als een pop dood op de grond. Maar met Haar toverkracht blies de Tovenares hem direct weer leven in. Toen hij opstond, merkte hij dat alles om hen heen kleiner was geworden. Maar om zijn nek had het mannetje nu een zware ijzeren halsband. Voor hem stond de Tovenares. Zij leidde hem aan een roestige, oude ketting diep een donker woud in. Niemand heeft hen daarna nog gezien, maar er wordt gefluisterd dat zij er nog lang en gelukkig leefden. Want soms, heel soms, als de wind uit het Zuiden waait en de maan vol is, kun je heel, heel ver weg iemand horen schreeuwen, diep in het bos. En dan wordt er met ontzag gefluisterd dat de Tovenares haar kleine slaafje hard straft en hem daarmee tot in zijn diepste wezen lief heeft, zoals zij hem aangekondigd en beloofd had.

2 gedachten over “Het mannetje dat wilde groeien”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.