Dear Mr. Fantasy

Een week bestaat maar uit twee dagen: een maandag en een vrijdag. Dat zijn vier momenten: het einde van de week, het begin van het weekend en het begin van de werkweek dat bij het einde van het weekend hoort. Wat er tussenin gebeurt is urenvulling en minder van belang. Zolang de maandag niet weet wat de vrijdag deed wil de vrijdag ook niet weten dat het maandag wordt.
Toch heb ik het op maandagochtend altijd erg moeilijk. Dat ligt niet aan mij of aan de maandag. Nee,  het komt allemaal door Koolhoven.

Koolhoven staat op maandag zo plomp voor het koffieapparaat dat iedereen die koffie pakt ‘goedemorgen Koolhoven, sorry mag ik er even bij’ tegen hem moet zeggen. Ik kijk naar de stijve haartjes die uit Koolhovens neus en oren piepen. Hij begint daar van binnen behoorlijk grijs te worden. Ik huiver en denk aan het lot van de kapster die hem daar misschien eens zou moeten knippen.
Koolhoven neemt een gewichtige slok uit een kartonnen bekertje en slikt de koffie klokkend door. ‘Afgelopen zaterdag’ zegt hij. ‘Afgelopen zaterdag ben ik met Anja naar de sauna geweest.’
Yvette van de afdeling Externe Relaties staat schichtig terzijde. Ze heeft vandaag haar camelkleurige jurkje aan en glimlacht in gedekte tinten. We weten allebei dat Koolhoven zo gaat vragen hoe ons weekend was.
En jij ? vraagt hij aan mij. ‘Hoe was jouw weekend?’ Ik zoek de ogen van Yvette maar ze heeft heet water voor haar thee gepakt en is verdwenen achter een grote plant.
Koolhoven kijkt me vriendelijk aan met fletse blauwe ogen. ‘Nou?’ vraagt hij. ‘Nog wat leuks gedaan?’
‘Lekker rustig,’ zeg ik. Ik heb het terras in de tuin schoongespoten.’ Koolhoven knikt begrijpend. ‘Mooi´ zegt hij. ‘Lekker in je tuin bezig geweest. Zo spaar je heel wat geld uit. Jij bent tenminste niet zo zweverig als onze Yvette haha. Waar is ze trouwens gebleven? Zeker nog even met paarden en bomen gaan praten. Is het alweer vijf over negen? Gauw aan het werk dan maar, anders hebben we een probleem.’
‘Ja,’ zeg ik. ‘We zijn ongeveer precies op tijd. Je kunt maar beter op je plek zitten voor het geval er iemand onaangekondigd belt.’

Op vrijdagmiddag zit ik bij de kapper en ben ik eventjes van Koolhoven verlost. Een kille wind waait langs mijn gezicht als het kappersmeisje langs mijn spiegel loopt. Haar schaduw doet het glas beslaan.
Hè wat een kou. Doe jij dat of is het de tocht? vraag ik.
Ze doet een dreigend pasje in de richting van de spiegel.
‘Ik bén die kilte,’ zegt ze met een lage stem. Mijn ziel is donker, mijn geest is duister, mijn hart is zwart en koud,’ ratelt ze in een sinistere mantra.
Ze kijkt me aan met een gezicht vol nauwelijks bedwongen pret en barst dan in lachen uit. Haar blauwe ogen stralen, haar haar hangt in donkerbruine slierten voor haar gezicht.
‘Ben jij een heks of zo,’ vraag ik aan haar stralende spiegelbeeld.
‘Ik ben geen heks maar leerling-kapster’ zegt ze. Hoewel ze geen heks zegt te zijn pakt ze toch een bezem en begint het haar van mijn voorganger onder mijn stoel weg te vegen.
‘Zijn Kim en Savannah er vandaag niet?’ vraag ik ongerust, maar ze geeft geen antwoord en zet de getande kop van een tondeuse op mijn hoofd. Het staal van de ijzeren kam schraapt hard en koud over mijn hoofdhuid. Ze scheert me onhandig en ruw, alsof ze een boerin is en ik haar schaap.
‘Ik heb gisteren een horrorfilm over heksen gezien,’ zegt ze. Houd je ook van horror?’
Ik zeg dat ik niet zo vaak naar films kijk. Maar dat ik het wel leuk vind klinken wanneer zij zegt dat het horror is. Ik zie dat haar mond grappig op en neer beweegt als ze ´horror´ zegt.
Zij is heel anders dan Yvette die nooit eens zegt dat ze van horror houdt. Die valt alleen op omdat ze vaak langdurig thee drinkt met jonge mannen in de koffiehoek.
Ik denk: Ik zou het helemaal niet erg vinden als je een heks was.

Ken je Dear Mr. Fantasy? vraag ik daarom aan het meisje, terwijl ik het scherpe blad van haar kappersmes in mijn nek voel. Het is een liedje uit de hippietijd dat zij onmogelijk kan kennen. Als ze echt leerling-kapster is zal ze denken dat het de titel van een of andere Netflix-serie is. Maar als ze werkelijk een heks is zal ze het liedje kennen omdat ze eigenlijk heel erg oud is. Ik wacht gespannen af. ‘Steve Winwood hè,’ zegt ze. ‘Ja die ken ik goed. Mijn opa hield daar vroeger van. Hij speelde ook hammondorgel.’
Houd hij er nu niet meer van?
‘Hij speelt al jaren geen orgel meer’ zegt ze kort.
Ik zie dat ze bloost en voel dat ze het mes op mijn huid drukt. Ze gooit mijn afgeschoren haren in de prullenbak.
‘Wow dat je dat liedje kent! Je bent blijkbaar toch veel ouder dan je er uit ziet’ zeg ik.
Ze moet er van lachen. ‘Ik ben altijd jong geweest,’ zegt ze. ‘Ik houd van oude dingen doen. Ik ben een soort van tijdreiziger die in een eindeloze lus door het multiversum gaat.’ Haar ogen poppen bijna uit de kassen van vrolijkheid.
‘Als je echt een heks bent, mag ik dan mijn ziel aan je verkopen? vraag ik.
‘Verkopen?’ vraagt ze verbaasd. ‘Hoezo? Is die ziel van jou wat waard dan?’
Ze laat haar hand over mijn schedel glijden. Ik krijg een stijve van die streling. Nu pas zie ik dat ze me helemaal heeft kaalgeschoren. Zelfs mijn wenkbrauwen zijn met het mes verwijderd zonder dat ik er erg in had. Nu is er geen twijfel meer mogelijk: dit meisje is een heks.

Om onze prille relatie te vieren gaan we samen fastfood eten.
Ik laat het autoraampje zakken bij de luidspreker van de KFC drive-in.
‘Wat wilt u bestellen?’
‘Doe maar een ja wat wil jij eigenlijk?’
Ze kijkt afwezig, speelt met een oud en vuil ringetje dat om haar middenvinger knelt. Het goedkope ijzer drukt strak in het vlees. Ik wil haar vragen of het knelt of pijn doet. Ik wil ook weten of haar vinger tintelt als die vochtig wordt. Ik bestel wat nuggets en twee drankjes.
Het zweet parelt op mijn kaalgeschoren hoofd wanneer een slungelige jongen het uitgifteraampje van de drive-through openschuift. Hij kijkt bezorgd naar mijn wenkbrauwloze gezicht en de leerling-kapster naast me op de bijrijdersstoel. Zij staart voor zich uit, speelt met het vieze ringetje, frummelt aan wat dode haarpuntjes, kijkt bezorgd naar wat grijze plukjes.
De jongen richt zich nu glimlachend tot mij. ‘Zo wat gaat het vanavond worden meneer?’ Zijn blik blijft even hangen op de puntige borsten van het meisje. ‘Een pittig kippetje als vroege maaltijd of als late snack? Weet u wat? Ik doe er wat Creamy Buffalo saus bij voor de dame. Veel plezier ermee.’
Hij geeft me de bruine zak met gefrituurde kipresten. We rijden naar een parkeerplek. Daar wil ik een gepaneerde nugget pakken.

‘Nee niet doen,’ zegt ze.
Ze pakt het doosje van me af. Dan zakt ze wat onderuit en legt het doosje nuggets tussen haar benen. Langzaam doet ze het dekseltje open. Er komt een smerige, weeïge geur vanaf.
‘Eet de nuggets uit dit doosje,’ zegt ze. Een voor een. Niet je handen gebruiken.’
Voorzichtig buig ik voorover naar haar kruis, met mijn handen steun ik op haar dijen. Ik pak de eerste nugget voorzichtig tussen mijn tong en bovenlip vast.
‘Lekker,’ zeg ik. Een beetje vreemd om zo te eten. Maar wel lekker. Ik vind het leuk.’
‘Heb je al een stijve?’ vraagt ze.
‘Eh… zal ik het je laten zien?’
‘Nee ik wil het niet zien. Ik wil alleen weten of je een stijve krijgt wanneer je vette plofkip uit mijn doosje eet.’
‘Nee, ik heb geen stijve,’ zeg ik gedempt, met mijn mond tegen het vettige karton gedrukt.
‘Goed zo,’ zegt ze. Ze zwaait het portier open, stapt uit en loopt de berm in.
‘Wat doe je nou?’ zeg ik. ‘Moet je plassen?’
‘Nee,’ zegt ze. Ze zucht en kijkt ongerust naar haar dode puntjes. ‘Ik voel me alleen een beetje oud en slap. Ik heb wat maanlicht nodig. ‘Kijk,’ zegt ze en wijst op de bloemen in de berm. ‘Sint Janskruid. Heel veel, zie je? Je wilde toch weten of ik een heks was?’
Tegen de achtergrond van de neonlichten van de KFC, in een berm vol Sint Janskruid,  begint ze haar kleren uit te trekken. Haar witte huid schittert in het bleke maanlicht, het suizen van de banden van de auto´s op de snelweg in de verte lijkt verstomd. Ze is klein en ongeschoren, haar borsten glanzen in een manestraal, het koude licht schittert in haar ogen, haar haar valt voor haar gezicht wanneer ze naakt de bloemen plukt. De lucht wordt lauw en mistig en de berm ruikt naar drassig licht.
Even later zitten we samen in de berm, zij plukt de blaadjes van de bloemen en stopt ze in mijn mond.
‘Wat doe je met me,’ vraag ik. ‘Die bloemen, wat gaan ze doen?’
‘Niets,’ zegt ze. ‘Die bloemen doen niets voor je. Je moet alles zelf doen. Wil je me nu je stijve laten zien?’
Ik trek mijn broek naar beneden en laat mijn stijve hoopvol aan de kapster zien. Ze vertrekt echter geen spier en blijft me aandachtig bloemetjes voeren. Haar dode puntjes zijn verdwenen en haar bruine haren glanzen stijlvol in het maanlicht.
Ik wil haar zoenen maar ze wendt haar gezicht af.
‘Je hebt je stijve aan je kapster laten zien en je hebt gefrituurde kip uit haar doosje gelikt. Je hebt zelfs de bloemetjes gegeten die een naakte heks je heeft gevoerd.’
‘Ja,’ zeg ik. Je wilde best wel veel op onze eerste date als je het zo bekijkt.’
‘Zie je wel?’ zegt ze. ‘Vanaf nu moet je je eigen fantasie gaan gebruiken. Deze bloemetjes helpen je daarbij. Je hebt er nu wel genoeg van gegeten om de week mee door te komen, denk je ook niet?’
Wanneer ze wegrijdt kijk ik haar rondkontige rode scooter na. Een wolk schuift voor de maan en het rode neonlicht van de KFC dooft, nog voor ze om de hoek verdwenen is.

Op maandagochtend word ik dus gewoon weer wakker in mijn eigen bed. Als ik me in de badkamer wil gaan scheren en het mesje op mijn kin zet zie ik het meisje in de spiegel. Ik voel haar vingers over mijn hoofdhuid gaan. Er liggen bloemetjes op de wastafel en er staat een bezem in de gang. Ik slik een handvol bloemblaadjes door, stap naar buiten, loop over bemoste tegels mijn tuinpad af en trek het hekje dicht. Onderweg naar mijn werk zet ik het gezicht op van iemand die in het weekend het terras heeft schoongespoten en daarbij een beetje is uitgeschoten.

‘Jezus, wat loop jij voor lul,’ zegt Koolhoven bij de maandagochtendkoffie. ‘Naar wat voor kapper ben jij in godsnaam geweest? Je ziet er uit als een zieke kanarie. Oh wacht eens. Is het alweer zes over negen? We mogen wel opschieten. Dadelijk belt er nog iemand voordat we op onze plek zitten en dan hebben we een probleem haha.’
Yvette fluistert tegen me dat ik tegen Koolhoven had moeten zeggen dat kaal een keuze is. Daarna trekt ze zich snel terug achter de plantenbak in de koffiehoek. Ik heb gezien dat er sinds het weekend een nieuw ringetje glimt aan haar middelvinger. Een uurtje later staat ze met blosjes op de wangen in heftig debat met een nieuwe medewerker. 
Ik kijk naar Yvette terwijl ze met hem praat. Ik stel me voor dat zij haar bekken een beetje naar achteren kantelt, haar camelkleurige jurkje omhoog stroopt en daarna over haar schouder naar hem kijkt. ‘Kom maar,’ zegt ze met haar ogen.
‘Kom maar,’ fluisteren mijn lippen in respectvolle extase, maar ik schrik op uit mijn overpeinzingen als ik de dorre stem van Koolhoven hoor kraken. ‘En?’ zegt hij. Hoe was je weekend, Yvette?’

‘Zo dat was de maandag weer,’ hoor ik Koolhoven aan het eind van de dag zeggen nadat hij zich in het wc hokje naast mij met veel misbaar ontlast heeft. Wanneer hij doortrekt begint de genialiteit van Koolhovens visie op de week eindelijk tot me door te dringen. Het kantoor waar ik werk is eigenlijk helemaal niet zo saai. Je kunt er vrijuit fantaseren dat je collega´s met elkaar neuken terwijl je zelf doet of je werkt.  Maar als je geen fantasie hebt zul je uiteindelijk merken dat je op je werk tegen je eigen ontlasting begint te praten, zoals Koolhoven inmiddels doet.
Ik kijk op de heren wc in de spiegel en zie de glimlach van mijn kapster. Ze staat achter me en drukt de tondeuse zo hard op mijn hoofd dat het bloedt. Ik begrijp haar boodschap. Ik ga eens flink de bezem door mijn leven halen.
Ik kan nu al niet meer wachten tot het weer maandag wordt.

-/\-

 

2 gedachten over “Dear Mr. Fantasy”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *