De Wolk

Hij zag haar staan bij het hekje van haar voortuin.  Zij stond stil. Ze zat op haar fiets. Haar linkerbil rustte op het zadel en haar linkervoet stond op de trapper. Haar rechterbeen strekte zich in geweldige eindeloosheid uit aan de rechterkant. Zij steunde, perfect in balans, met haar tenen op de stoep. Zo verbond zij, rechts en links, hemel met aarde.

Hij liep haar langzaam tegemoet. Met elke stap, met elke hartslag kwam hij dichterbij. Hij zag dat zij rookte. Hij had dat heel vroeger wel eens geprobeerd, maar echt lekker had hij het nooit gevonden. Tegenwoordig vond hij het eigenlijk maar vies. Zij keek op haar mobieltje, het leek of zij op iemand wachtte. Haar lange blonde haar viel voorover, hield het schermpje in de schaduw. Zij richtte zich weer op en blies een wolkje rook uit. Haar blonde haren vielen achterover in haar nek. Daarna boog ze zich weer aandachtig over haar telefoon.

Hij dacht: “Als ik nu eens net langs zou kunnen lopen als zij die rook uitblaast. Als ik nu eens net haar rook zou kunnen inademen. Rook die uit haar longen komt. Rook die in contact is gekomen met haar binnenste, intiemste zelf. Rook die haar bloed gestreeld, vergiftigd heeft. Rook, vermengd met haar adem, met daarin de waterdamp die ooit, vannacht misschien als druppels vocht uit haar kut is gedropen toen ze door een grote potente vent werd bereden”

Ja, dat dacht hij allemaal. Elke stap, elke ademhaling, elke hartslag bracht hem dichterbij haar. Het luisterde verschrikkelijk nauw. Want het ging nu om het ritme van de dingen. Het ritme van zijn voeten, het ritme van haar hart, het ritme van zijn ademhaling, het ritme van de groei van de vurige kegel aan de sigaret tussen haar vingers. Hij probeerde in het ritme van al die dingen te komen. Hij probeerde in haar “groove” te komen.

Nog een paar stappen en dan zou hij naast haar staan. Hij had al gezien aan welke kant zij de rook ging uitblazen. Niet aan de kant van haar gestrekte rechterbeen, maar aan de kortere linkerkant. Hij zag haar inhaleren en versnelde zijn pas. Hij perste zijn longen leeg.

Zij wierp haar lange lokken achterover en blies uit.

Hij ging haar wolk binnen en zoog haar sigarettenrook op. Zo waren zij even samen. Zij kriebelde zijn neus, zijn keel, ze drong diep in zijn longen. Zo hield hij haar vast, nog lang nadat hij was doorgelopen. Haar adem, haar vocht, haar sigarettenverslaving, het zweempje kut in het vocht uit haar mond, de mond die misschien vanochtend vroeg nog de grote lul van haar vriend had gepijpt. Hij hield haar vast in zijn longen tot zijn borstkas barstte en zijn hoofd paars was aangelopen. Toen moest hij haar laten gaan.

Hij was dankbaar. Het was een goede dag voor hem geweest. Thuisgekomen trok hij zich af in grenzeloze eenzaamheid.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *