Celestio´s Bibliotheek

Pater Celestio staarde vanuit het raam van de kloosterbibliotheek naar de donkere heuvels aan de horizon. Daar stak het silhouet van een brandende stad grimmig af tegen de avondlucht, de vlammen sloegen uit de ramen van de huizen en gele vonken schoten de zwarte hemel in. De bewoners waren de stad voor de duivel ontvlucht en hadden hun toevlucht gezocht in de landerijen rondom het klooster. Voor de poort van de abdij was een kleine markt ontstaan waar werd gezongen, gedronken en gedanst. De geur van bier en verse broden steeg uit de kramen op, vermengd met de scherpe geur van het brandhout in de ovens.
Het waren turbulente tijden maar in het klooster had pater Celestio zich voorgenomen om alles stevig onder controle te houden. Zo had hij bijvoorbeeld enkele timmerlieden opdracht gegeven om vlak onder het raam van zijn bibliotheek een galg op te richten. Met voldoening en welbehagen keek hij een tijdje naar de voortgang van dit werk. Daarna sloot hij zorgvuldig de drie luiken van de bibliotheek en schoof glimlachend de zware grendels dicht.

Nu draaide hij zich om en keek begerig naar de jonge vrouw die hij in een grote kooi midden in de kloosterbibliotheek gevangen hield. Het was Annecke, een jonge dienstmaagd die door enkele kooplieden was beschuldigd van diefstal van een kruik wijn. Na een kort proces, waarin de ongelukkige zich niet tegen deze beschuldiging had kunnen verweren omdat haar leugenachtige tong in een ijzeren masker zat geklemd, was ze veroordeeld tot dwangopvoeding in het particuliere tuchthuis van de pater. Dit betekende in de praktijk dat zowel de duur als de omstandigheden van haar opsluiting af zouden hangen van haar gedrag. De beoordeling hiervan werd volledig aan pater Celestio toevertrouwd, een grote verantwoordelijkheid die hij namens de Kerk echter graag op zich nam.
De kooplieden hadden vandaag een bediende naar het klooster gestuurd, die Celestio als blijk van hun waardering een kruik wijn en een stuk gezouten geitenvlees kwam brengen. Dit was een sympathiek gebaar dat hij opvatte als een aanmoediging om de gevangene zo zwaar en zo langdurig mogelijk te tuchtigen. Op zijn beurt gaf Celestio de bediende knipogend een stapeltje aflaten mee voor de kooplieden en burgers in de stad. ‘Hier,’ had hij tegen de bediende gezegd. ‘Deze aflaten zijn voor de kooplieden. Ze mogen ze doorverkopen op de markt. Denk dan wel om de tienden voor de Kerk hè.’’

Pater Celestio was een korte, gezette man met een kaalgeschoren hoofd. In de ogen van zijn tijdgenoten was hij een sober en godvruchtig man, een eenvoudig instrument in de strenge hand van God. Hij woonde in een enorm klooster dat diende als bibliotheek van het uitgestrekte koninkrijk, een plek waar alle kennis die er maar bestond verzameld was. Hij oefende al zijn taken naar vermogen uit, hoewel hij door zijn gevorderde leeftijd en slechte ogen allang niet meer lezen kon. Bovendien stond hij er door het overlijden van alle andere monniken tijdens de pestepidemie helemaal alleen voor, of het nu om bidden, zingen, tuinieren of verzorgen van de gevangene ging.
Voor Celestio was het vandaag door de komst van Annecke een bijzonder mooie dag geworden. Hij was namelijk dol op het bekijken van bleke jonge vrouwen, bij voorkeur in de natuurlijke staat waarin God ze geschapen had. Annecke was daarom op zijn verzoek door twee soldaten uitgekleed, een vernederend ritueel dat zij kalm en waardig  onderging alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Pater Celestio had daarbij reikhalzend uitgekeken naar haar schaambeharing. Nadat haar rokken van haar heupen waren getrokken bleek het een delicaat en edel opstaand toefje, geurig als saffraan en glinsterend als gouddraad. Telkens als hij aan dat plukje dacht, gingen de haartjes op zijn onderarm ervan overeind staan. Ja, alles bij elkaar had hij met deze bevallige deerne weer een heel bekoorlijk schepseltje in zijn kooi gevangen.

Voor Annecke was dit allemaal nog nieuw maar tot nu toe viel het eigenlijk wel mee. Vandaag was ze weliswaar op een volle mestkar door de stad gereden, maar daarna keurig netjes bij het klooster afgeleverd en op de binnenplaats door twee poetsvrouwen schoongeschrobd. Celestio had haar handenwrijvend in de bibliotheek ontvangen en door de twee soldaten laten opsluiten in de ijzeren kooi. Die was enorm, ongeveer zo groot als de halve bibliotheek, 20 el lang en 20 voet breed. Rondom de kooi was ruimte om te lopen en er stonden zitjes om, alleen of samen met gasten, gerieflijk naar de gevangene te kunnen kijken. De inrichting van de kooi was opvallend comfortabel met een breed bed, opgemaakt met wollen dekens en lakens van het fijnste linnen. De kussens waren gevuld met eiderdons, waar geurige lavendel doorheen was gemengd. Een aardewerken lampetkan stond in een schaaltje, zodat de gevangene zich ook kon wassen. Eigenlijk was deze kooi, ondanks het sinistere doel, een sieraad van elegantie in de enorme bibliotheek. Binnenin de kooi stond zelfs een lage houten kast vol boeken naast een fauteuil die met het beste varkensleer bekleed was. Het licht viel door de gebrandschilderde ramen en het gekleurde glas wierp prachtige tinten groen en rood op de fletse huid van de gevangene en het dure leer van de boekomslagen. Het rook naar vochtig hout en perkament en in die serene rust ging Celestio bij de kooi zitten om te zien of de straf al enig effect op het gedrag van Annecke begon te krijgen.

Zij liep enige tijd, zonder hem aan te kijken, heen en weer in de kooi, waarbij de aanblik van haar spierwitte borsten, die zachtjes met elke stap meeveerden, hem veel genoegen gaf. Haar lokken vielen als zijden gordijntjes op haar schouders en haar billen trilden mee met elke bedachtzame schrede die zij op haar lange witte benen deed. Als hij naar het toefje haar keek dat aarzelend tussen haar benen ontsproot, voelde hij een machteloze aandrang in zijn onderbuik, een week verlangen dat door zijn ouderdom echter nooit meer zou uitgroeien tot een daadkrachtige impuls.

In tegenstelling tot alle andere gevangenen die Celestio in de loop der tijden had gehouden, was Annecke op haar gemak. Haar beproeving leek haar helemaal niet te deren. Waar andere meiden huilend of trillend van schaamte hadden geprobeerd hun naaktheid voor hem te verhullen, angstig om vergeving en genade hadden gesmeekt, wanhopig hun lichaam aan hem hadden aangeboden of woest allerlei Godslasteringen naar hem hadden geschreeuwd, bleef Annecke kalm en nadat zij de kooi rustig had verkend ging zij, Celestio volledig negerend, in de fauteuil zitten, sloeg haar krijtwitte benen over elkaar en pakte een boek.
En waar hij normaal gesproken de soldaten erbij moest roepen om zijn weerspannige gevangenen in helse, roestige boeien te dwingen, keek Celestio nu ademloos naar de hoofse schoonheid van zijn stralende aanwinst. Haar lokken vielen over haar pipse vlees en met haar vingers streelde zij de lederen rug van de foliant.

Een hele tijd gebeurde er verder niets, afgezien van het op en neer gaan van haar stevige borsten bij elke ademhaling en het getimmer en gesleep met planken van de galgenbouwers, tot op de gang het piepende geluid van wieltjes klonk. Een bediende kwam binnen met een houten buffetkarretje waar een heerlijk geurende maaltijd op was uitgestald. Onder een glimmend deksel lag een gebraden kip gevuld met warme noten, er waren pasteitjes met paddestoelen, verse groenten uit de kloostertuin en een dessert van gerstepap met brandewijn en kersen op de steel. Celestio pakte een kruik wijn uit een rieten mand, ontkurkte deze en schonk een royale hoeveelheid in een kelk van aardewerk. Nadat hij drie kelken had geleegd begon hij wat ongericht uit zijn ogen te kijken en pakte een poot van de kip vast. Draaiend en trekkend begon hij deze los te wrikken van het gebraden karkas terwijl hij naar Anneckes witte dijen keek.
‘Ik wil dat je twee dingen voor me doet,’ zei hij. ‘Ik wil je mooie stem horen als je me voorleest uit dat boek. En morgen wil ik de dauw op je poesje zien glinsteren in het eerste ochtendlicht.’ Met die woorden scheurde hij de poot los van de romp.

De meeste gevangenen hadden Celestio op dit moment zwaar teleurgesteld want hoe knap hun smoeltjes en welgevormd hun figuurtjes ook waren geweest, door hun ongeletterdheid was geen van hen ook maar in de verste verte in staat gebleken om Celestio iets voor te lezen. Daar kwam nog bij dat zijn woorden over het glinsteren van poesjes in het ochtendlicht een lugubere bijklank hadden. De precieze strekking daarvan kon beter begrepen worden na een blik uit het raam, waar het gelal van bierdrinkende timmerlieden er op duidde dat hun werkzaamheden aan galg en schavot met succes waren afgerond.

Annecke luisterde een kort moment naar het liederlijke gezang van de galgenbouwers. Daarna drukte ze met de vingers van haar lijkbleke rechterhand de bladzijden van het boek zorgvuldig en liefdevol aan. Toen klonk haar stem, zacht als warme, zoete honing:

‘Dit is niet zomaar een boek,’ zei ze. ‘Het bevat de waarheid over het valse paradijs waarin de wereld leeft. Het zijn drie delen en die gaan allemaal over dezelfde vraag. Wie die vraag aan het eind van het boek kan beantwoorden, zal zaligheid ten deel vallen.’

‘Zaligheid?’ riep Celestio, verbijsterd door haar leesvaardigheid. ‘Wat is dat voor een boek? Is dat een soort aflaat of zo? Daar is heel veel vraag naar tegenwoordig. Geef het maar gauw aan mij.’ 

‘Nee, dat kan niet’, zei ze zakelijk. ‘Je moet eerst de vraag beantwoorden. Dat staat zo in het boek.’

‘Nou, wat is die vraag dan?’

‘Je moet eerst het antwoord uit het boek kennen om de vraag te kunnen begrijpen,’ zei ze. ‘Tenminste, zo staat het beschreven in de miniaturen in de eerste letter. Het staat er heel erg klein en ik denk daarom niet dat jij het met je slechte ogen kunt zien maar geloof me: de eerste letter staat niet voor niets vooraan. Die miniatuur is de sleutel die de hele tekst ontsluit en daarom de belangrijkste van het hele boek.‘

Nu ze Celestio met dit inzicht het zwijgen had opgelegd, streek ze haar lokken, die voor haar gezicht waren gevallen, achter haar linkeroor en begon te lezen:

In een land ver van hier leefde een blinde koning die een beeldschone dochter had. Toen zij de huwbare leeftijd had bereikt, wilde de koning dat zij zou gaan trouwen. Maar welke kandidaat hij ook aan haar voorstelde, zij accepteerde er geen enkele. Elke dag bad hij tot God om zijn dochter op andere gedachten te brengen, maar zij bleef volharden in haar afwijzing. Toen verscheen op een zondagnacht de duivel aan het bed van de koning. Omdat God op de zondag rustte kon de duivel gewoon zijn gang gaan. Hij bood de Koning aan om met zijn dochter te trouwen en de Koning, die de schande van haar ongehuwdheid niet meer kon verdragen stemde toe. Daarna ging de duivel naar de torenkamer waar de dochter lag te slapen en ging bij haar liggen in de gedaante van een prins.
De koningsdochter werd wakker toen zij voelde dat de duivel, die als een bok geschapen was, met zijn stakerige ding in haar was binnengegleden. Geschrokken merkte ze dat hij haar van binnen met een zachte voering van zwavelig slijm bekleedde. Gretig drong hij dieper en dieper tussen de nauwe wanden van haar zachte maagdenvlees en toen hij kloppend en bonkend van genot in haar stilviel vervloekte zij de God die haar in de steek had gelaten en haar vader, die haar had verraden en zwoer zo trouw aan de duivel.

Celestio had zijn hand onder zijn pij laten glijden maar juist op dit ongelegen moment werd er op het rechterpaneel van de kloosterpoort geklopt. Met tegenzin slofte Celestio de trap van de bibliotheek naar de poort af.  Een afschuwelijk verwonde ridder stond in een glimmend zwart harnas voor de deur met een speer door zijn borst en een stapel aflaten in zijn gehavende hand.
‘Jouw aflaten hebben hun kracht verloren,’ zei hij. ‘De kooplieden zijn boos, de boeren klagen en de burgers zijn bezorgd. Ze kopen dure aflaten en zondigen maar raak en gaan dan toch naar de hel. De duivels lopen door de straten van de stad. Ze branden molens plat. Ze plunderen en slepen onze dode zielen naar het eeuwig vuur. We gaan er allemaal aan. Celestio, doe er iets aan.’
Zodra hij dat gezegd had, begon hij te rochelen, een golf donkerrood bloed gulpte uit zijn mond, toen viel hij voorover op de grond en stierf.
‘Wacht even met lezen!’ schreeuwde Celestio over zijn schouder naar Annecke. Met zijn voet schoof hij de dode ridder van de trappen van het klooster, het lijk rolde naar beneden waar het harnas werd geroofd door een groepje plunderende duivels. Snel sloot pater Celestio de zware deur en slofte, in zichzelf foeterend, de donkere trap  weer op.
‘Kracht verloren,’ schamperde hij. ‘Wat een onzin. Het geloof staat nog stevig overeind. Het is juist krachtiger dan ooit.’ 
Puffend en hijgend ging hij weer bij de tralies van de kooi zitten.
‘En? Werd ze ook nog gemarteld?’ vroeg Celestio. Hij schoof zijn rechterhand weer onder zijn pij en begon die zachtjes op en neer te bewegen. Annecke glimlachte stil, likte aan twee vingers en sloeg de bladzijde om. Met een nog vochtige vingertop draaide ze daarna wat afwezig rondjes over de lichtroze tepel van haar rechterborst. ‘Natuurlijk werd ze gemarteld,´ zei ze. ‘Dit is niet voor niets een hagiografie.’ Hier, luister maar:

Toen het volk er achter was gekomen dat de koningsdochter gemeenschap had gehad met de duivel, brachten zij haar naar het grootste plein van de stad. Daar werd zij als zondares met haar handen boven haar hoofd vastgebonden aan een houten balk en door een groepje monniken gegeseld, een bezigheid waarbij deze vrome lieden de bronstige toestand van hun opgerichte geslachten voor het volk verborgen probeerden te houden onder wijde, bruine pijen. De geilheid van deze geestelijken bleek echter net zo groot als hun onnozelheid, die uit hun onophoudelijk en leeghoofdig geginnegap bleek. De leren riemen kletsten op haar weerloze rug en billen, waar al snel rode striemen op verschenen. Tenslotte werden haar beide billen op last van de Bisschop gebrandmerkt met het teken van het Beest. De stank van haar verschroeide vlees en haar schandelijke gekrijs waren voor het volk het onomstotelijke bewijs dat zij, gelijk de duivel, uit de hel afkomstig was.

‘O God, het kletsen van de riemen op de ronde billen van de feeks,’ herhaalde Celestio, de woorden proevend op zijn tong, terwijl hij dacht aan iets dat hij met een van de vorige gevangenen had gedaan. ‘Maar gaan die monniken straks ook nog iets met haar kut doen? En wat is de vraag aan het einde van het boek? Zeg het me zodat ik zaligheid kan ontvangen als ik het antwoord weet.’

‘Natuurlijk,’ zei Annecke kalm. ‘Het staat allemaal in de volgende hoofdstukken. Maar ik krijg er een droge mond van dus als je wilt dat ik verder lees moet je me eerst water geven. En noem het geen kut meer. Dat woord klinkt smerig uit jouw mond. Kun je me nu wat water brengen, Celestio?’

‘Wacht,’ hijgde Celestio. ‘Ik haal water voor je. Wacht even met lezen tot ik terug ben. Wat een prachtig boek is dit. Ik wist niet dat ik in het klooster zulke mooie boeken had!’

Hij reikte Annecke water aan in een aardewerken nap, maar zij weigerde het aan te pakken. ‘Water is helder. Ik wil die helderheid zien. Breng me een glas Celestio!’

Nu rende Celestio naar de wijnkelder van het klooster waar hij de glazen bewaarde. Hij pakte het duurste en fijnste glaswerk dat hij kon vinden, een prachtig versierde kelk met het Bisschoppelijk zegel en rende de trappen van de kelder op.
‘Is het zo goed?’ vroeg hij voorzichtig.
Annecke nipte zwijgend aan de bisschoppelijke kelk. Haar absolute, volmaakte naaktheid schitterde verblindend wit voor Celestio’s ogen. Zij belichaamde een reinheid die zo perfect was dat deze geen kleding meer behoefde.

Vulvae salubre est quod sibi accidit?’ vroeg Celestio, die geen ‘kut’ meer mocht zeggen van Annecke, eerbiedig, in slecht Latijn opnieuw vragend naar wat er in het verhaal met de kut van de koningsdochter ging gebeuren.

Op de markt voor het klooster was ondertussen een toenemend rumoer en geschreeuw te horen. Het leek of er zich een grote menigte aan het verzamelen was, maar Celestio leek niets van dit alles  te merken. Hij luisterde alleen maar naar Anneckes woorden.

Haar stem daalde en half fluisterend, half sprekend las ze voor hoe de koningsdochter er na de geseling aan toe was.

‘Na haar geseling begon het dikke zaadvocht van de duivel langzaam uit haar te vloeien. Als bewijs van haar zondige ontucht spatte een grote grijswitte druppel op de planken van het schavot uiteen. Zwarte vliegen, zo groot als geitenkeutels landden op haar gezicht op zoek naar vocht. Proestend en met haar hoofd schuddend probeerde zij ze weg te jagen maar ze bleven steeds weer op haar mondhoeken landen. De insecten ontdekten nu ook een andere vochtige plek: haar nog altijd schaamteloos openstaande geslachtsopening waar haar eigen geil, vermengd met de klodders zaad van de duivel langzaam uit droop. Dat mengsel zag er uit als kikkerdril, een lillende gelei met kleine mensachtige wezentjes die er ongeduldig in rondtrappelden. Op de grond deden padden zich te goed aan het verklonterde zaad van de duivel dat onophoudelijk uit haar gegeselde onderlijf bleef lekken.’

‘Wil je ook een slokje water Celestio?’ zei Annecke en gaf hem de lampetkan waar haar waswater in zat. Pater Celestio pakte het door de tralies van haar aan, dronk gretig van het waswater van de gevangene.

‘Weet je wat het met water is,’ zei ze tegen Celestio. ‘Je kunt beter wijn drinken. Want bij elke slok rivierwater drink je sterk verdunde hom, vissensperma. En als dat diepe inzicht eenmaal tot je is doorgedrongen, zul je ook proeven dat water uit de rivier zout en kruidig smaakt. Nooit zul je meer water willen drinken. Geef me nu wijn, Celestio!’

Snakkend naar het vervolg van het verhaal schonk Celestio het glas van zijn gevangene haastig tot de rand vol met de duurste rode wijn die er in het klooster te vinden was. Annecke nam een klein teugje en boog zich weer over het boek. Ze las:

De koningsdochter werd in een zak gestopt die, dichtgebonden en met stenen verzwaard,  in de rivier werd gegooid zodat zij zou verdrinken. De duivel had echter haar geweeklaag gehoord en verscheen als zeeridder. Hij was half mens, half vis en liet haar proeven van een geweldig leven onder water. Zijn lust smaakte zilt als zeewier in haar mond. Hij beminde haar langdurig en toen zijn geschubde flanken enkele malen ritmisch samentrokken schoot hij zijn oervocht in haar schoot, legde haar te slapen op de oever en verdween stroomopwaarts, in de richting van de bergen waar de zalmen gaan. Daar vervloekte hij de stad en haar inwoners en zwoer dat hij ooit in de gedaante van een vrouw zou terugkeren om wraak op hen te nemen.

Tussen het lezen door had Annecke enkele malen een flinke teug wijn gedronken. Haar blik bleef eigenlijk steeds meer hangen op haar glas dan op het boek en ook werden de pauzes tussen het omslaan van de bladzijden telkens langer. Celestio merkte niets van dat alles. Hij keek strak naar Anneckes schaamstreek en zat wijdbeens onder zijn pij aan zijn zwakke lid te rukken. De schoonheid van Annecke in de kooi, de golvende cadans van haar stem en het opwindende Heiligenleven uit het boek, hadden hem aan de rand van een hemelse gelukzaligheid gebracht. Er ontbrak nog maar een ding en dat was wat meer standvastigheid onder zijn pij.

‘Lees alsjeblieft verder Annecke,’ smeekte hij. ‘Nog even. Nog heel even. Ik ben er bijna. Ik voel me steeds sterker worden.’

‘Sterker?’ zei Anneke. Ze stond op en liep langzaam in zijn richting. Ze greep zich aan de tralies vast en drukte haar gewelfde buik en borsten stevig tegen de donkere spijlen van de kooi. Celestio sprong zo snel op dat zijn pij er van open viel. Gretig graaide hij in de richting van haar toefje schaamhaar maar ze deinsde snel achteruit en wierp een snelle blik op zijn krachteloze geslacht.

‘Je vlees is zwak,’ zei ze hoofdschuddend. ‘Maar ik kan ervoor zorgen dat je weer sterk wordt. Zelfs zo sterk dat je weer een stijve krijgt, Celestio! In dit boek staat beschreven wat je ervoor moet doen. Ik vraag je maar één ding in ruil daarvoor en dat is de sleutel van de kooi. Geef me de sleutel, dan zal ik je de vraag voorlezen en zul je kracht en zaligheid ontvangen als je het antwoord weet.’

Celestio was wel wat gewend als het om stomme uitvluchten en sluwe verleidingslisten ging die in de loop der jaren door de gevangenen vergeefs op hem waren uitgeprobeerd. Zelfs de meest onhandelbare gevangene had hij uiteindelijk, al dan niet met behulp van gloeiende ijzers, tot berouw en onderwerping aan God gekregen. Maar met zaligheid binnen handbereik begon hij nu te twijfelen.

Annecke had de Bisschoppelijke glazen kelk leeggedronken en hield die onder haar onderlichaam, ze zakte een beetje door haar knieën, keek glazig in de verte door het raam naar de brandende stad en piste het glas helemaal vol met haar donkergele ochtendwater, ook sprenkelde ze met twee vingers nog wat druppeltjes over haar gouden poes.

‘Ik heb twee wensen van je vervuld,’ zei ze. ‘Ik heb uit het boek gelezen. En ik heb mijn poesje voor je laten glinsteren in het ochtendlicht. Drink dit,’ zei ze en stak het warme glas door de spijlen van de kooi. ‘Drink dit en geef me dan de sleutel. Dan beloof ik jou dat je nog vandaag een stijve zult krijgen in mijn warme mond.’

Nadat Celestio het glas ochtendpis in één teug had leeggedronken en, bedwelmd door haar aroma´s,  haar haastig de sleutel had gegeven, werd er op de grote kloosterpoort gebonsd. Het kloppen was ditmaal urgenter, dwingender van aard. Toen hij geërgerd naar beneden was gelopen en opendeed zag hij een lange gestalte in een zwarte jas. Het was een pestdokter met een ravenmasker op en achter hem was een grote menigte te zien die met brandende fakkels en hooivorken niet veel goeds in de zin leek te hebben. Er werden dingen geroepen over valse aflaten, de pest, sodomie, de stellingen van Luther en de toorn van God.

‘De pest gaat rond in de stad,’ zei de dokter met een vlakke stem die gedempt klonk door het masker. ´De duivels branden de oogsten plat en de ratten vreten aan ons brood. Het is allemaal jouw schuld. Jij was de herder van onze zielen in de kudde maar je gedroeg je als de bok. ’
Celestio was doodsbang en rende de trappen naar de bibliotheek op. Hij wilde zich bij Annecke in de veilige kooi verstoppen maar zij had nu de sleutel en liet hem buiten staan. Glimlachend zag ze dat hij door de menigte werd gegrepen, wanhopig klampte hij zich nog even aan de tralies vast, zijn bezwete gezicht rood en opgezwollen.

‘Stel me de vraag uit het boek Annecke,’ huilde hij. Dan zal ik zaligheid ontvangen als ik het antwoord weet.’

Annecke legde het boek rustig op het tafeltje naast de fauteuil en liep op hem af.

‘De vraag is’… zei ze…’ waarom jij nooit gemerkt hebt dat ik helemaal niet lezen kon.’’

-/\-

De dageraad gloorde aan de horizon, het begon te lichten in het oosten. Onder het venster van de bibliotheek hing Celestio´s lichaam stil aan de galg die hij voor Annecke had laten oprichten.

Annecke kwam naar buiten en trok, zoals het in die dagen de gewoonte van het bijgelovige volk was, de broek van de gehangene naar beneden, niet alleen om de gestrafte te bespotten en te beschimpen maar vooral om te kijken of hij naar de hemel was gegaan of niet. Had het lijk een stijve, dan was hij zeker in de hemel bij de engelen in de zaligheid des Heeren, maar vertoonde het lid een donkerrode verschrompeling, dan was dit een teken dat hij aan het branden was in de hel.

Pater Celestio bleek ondanks al zijn zonden een stijve te hebben gekregen onder zijn gewaad. De dikke eikel was in een iets te kleine voorhuid vervat zodat de opening van de pisbuis er half uitstak alsof hij een ongeschilde vrucht of grauwe knol tussen zijn benen droeg. Zijn zak zag er donker en opgeblazen uit, maar door de onmacht van de dood kon hij zijn opgehoopte zaad niet meer uitstorten. Toegejuicht en aangemoedigd door het toegestroomde volk nam Annecke, zoals zij Celestio in ruil voor de sleutel beloofd had, zijn donkerpaars gezwollen geslacht helemaal in haar prachtige, levende mond.

Daarna sneed ze rustig de ballen af van Celestio, droogde ze in het kloosterherbarium en begroef ze in de kloostertuin. Daar groeiden er binnen een nacht twee walnootbomen uit, die tot de dag van vandaag vrucht dragen. Maar wee degene die van deze vruchten eet, want de peulen van de walnoot zijn door de duivel vervloekt. Eet daarom nooit een walnoot uit een kloostertuin, want de duivel houdt zich altijd aan zijn woord.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *