Tagarchief: EWA bijeenkomst

Nachtheksen

Het verhaal ‘Nachtheksen’ schreef ik samen met Mahotsukai voor de EWA bijeenkomst van 30 september 2017. Het thema van die bijeenkomst is: Crime Passionel. Je kunt dit verhaal trouwens ook lezen op de site van Mahotsukai. Lengte: 5930 woorden. 

Nachtheksen

Andrea
Het is een avond in mei en het regent zachtjes op de Gerdesiaweg. Onder de kap van het metrostation straalt licht vanuit de tunnelbuis. De granieten gedenksteen van het bombardement glimt dreigend in de duisternis en rode spots in de stoeptegels markeren de brandgrens van 1940. De roltrap van het station zet zich om kwart over elf schokkerig in beweging. Een jonge vrouw komt naar boven. Ze heet Andrea en haar blonde krullen vallen als borduurwerk op de rug van haar groene bomberjack. Een bruine pitbull vergezelt haar en zodra ze boven is bukt ze zich naar de hond en maakt zijn halsband los. Het dier gaat er meteen bevrijd vandoor in de richting van de vijver aan de overkant van de weg. Een verregende fietser komt in de bocht aanzetten, trapt zachtjes in zichzelf vloekend hard op de pedalen. Een jogger wijkt voor de hond uit naar het fietspad maar heeft de fietser niet gezien. De hond hapt naar de fietser, het meisje schreeuwt ‘Floyd!’ en de jogger springt voor het wiel van de fietser weg.
‘Lekker bijdehand!’
‘Is die hond van jou?’
‘Mafkees!’
‘Floyd!’
De hond loopt los en licht zijn poot. Hij pist tegen het gedenkteken van het bombardement. Er staat: de oorlog is zoet, tot je hem proeft – Erasmus. Andrea trekt haar capuchon omhoog en tuurt op haar telefoon. ‘Floyd, kom nou,’ roept ze naar de hond. ‘Floyd kom nou. Jezus!.’

Hoog boven de straat zit Raymond al de hele avond met zijn rug naar het raam in de woning boven de poort over de Gerdesiaweg. Een paar weken geleden heeft hij op de webwinkel Heaven’s Gate een vliegtuigje uit de Unreality serie besteld en vanavond laat is het pakje eindelijk bezorgd. Hij voelt de opwinding van een kind dat op zijn verjaardag cadeautjes uitpakt. Voorzichtig maakt hij het pakketje open. Het plaatje op de doos glimt hem tegemoet. Hij leest: Messerschmitt 262 op schaal 1/72. Het hele weekend ligt nu geordend voor hem in die doos, netjes gerangschikt in nummers, stappen en kleurenschema’s. Als de bouw volgens plan verloopt moet hij zondagmiddag twee belangrijke keuzes maken: zal hij het model uitvoeren als nachtjager of verkenner? En zal hij na het aanbrengen van de stickers de niet meegeleverde swastika met een klein penseeltje op de staartvin zetten of toch maar niet?  Het zakje van bubbeltjesplastic gaat knisperend open en voorzichtig maakt hij de onderdeeltjes los: de wieltjes, het staartroer, het fragiele landingsgestel en de vier halve buisjes die samen de twee Jumo 109-004 turbojets moeten vormen. Hij drukt de piloot uit het plastic frame en spreekt zijn naam uit.

‘Hallo Günther.’

Als hij alle onderdelen gecontroleerd en gerangschikt heeft, haalt hij het tubetje lijm uit het bouwpakket en gooit het met een minachtend handgebaar in de prullenmand. Hij schuift de lade van zijn bureau open en pakt er eerbiedig een donkere tube uit. Zijn hart klopt in zijn keel wanneer hij de top met een speld openprikt en een sterke geur in zijn neusgaten rondwervelt. Hij kijkt nog eens naar de tube. IG Farben – Frankfurt am Main. Raymond lijmt de twee helften van het airframe aan elkaar en ruikt voor de zekerheid nogmaals aan de tube. Hij ademt heel diep in en langzaam uit, voelt al zijn twijfels verdampen in een roes van vluchtige gedachten. Koortsachtig plakt en lijmt hij de hele avond door, zonder enige afleiding, zonder te eten of te drinken. Om elf uur is hij klaar met monteren. Nu hij even niets te doen heeft omdat de lijm moet drogen kijkt hij naar buiten, naar de verregende straat, de donkere granieten steen, de rode spots en het licht dat uit de tunnel straalt. Hij is moe maar durft niet naar bed. Niet omdat hij bang is in het donker;  nee, Raymond is bang voor het licht dat in zijn dromen uit een diepe afgrond schijnt. Hij probeert zich elke avond te ontspannen met de bouwpakketten van Heaven´s Gate maar het helpt niet meer. Doodmoe sluit hij even zijn ogen, de scherpe dampen van de lijm doen hem duizelen. Hij vliegt angstig over de verduisterde stad waarin hij woont, een wereld zo donker dat zelfs het licht van de grote brand er in gele flitsen en vlekken in dooft. Vanuit de diepte straalt een fel zoeklicht dat hem vangt en naar beneden trekt, de afgrond in. Hij schrikt wakker van zijn val, knippert nerveus met de ogen en tast in paniek naar zijn bril. Zijn telefoon gaat al een hele tijd, en buiten hoort hij een vrouwenstem roepen. Hij kijkt door het raam en ziet een meisje in een groen bomberjack bij de gedenksteen staan. Ergens komt ze hem bekend voor, maar dat is nu niet belangrijk. Wat telt is dat ze in veiligheid wordt gebracht.

‘Floyd! Floyd!’
Andrea´s korte laarsjes tikken onrustig op het pad in het plantsoen want Floyd is verdwenen.
‘Floyd!!’
Ze kijkt weer op haar telefoon. Geen antwoord. Ze had het kunnen weten, haar onderbuikgevoel laat haar nooit in de steek. Daarom heeft ze Floyd meegenomen, voor de veiligheid. Ze zucht. Het zou leuk zijn als ze eens een keer een echte date had, niet alweer zo´n geile faker
‘‘Floyd, waar zit je nou?’

Aan de overkant van de straat trekt Raymond de voordeur achter zich dicht. Het is tien voor half twaalf. Buiten is het een zanderige, modderige troep met hekken, zand en graafmachines. De gemeente zegt dat er een extra nooduitgang in het metrostation wordt gebouwd omdat de brandweer dat voorschrijft. Raymond haalt zijn schouders op en kijkt bezorgd naar de bewolkte nachthemel. Hij snuift de koele avondlucht diep in. Betonplaten en een zandlaag erover. Nooduitgang? Raymond weet wel beter. Ziet niemand dan dat dit een schuilkelder is? Hoort dan niemand het gebrom van de bommenwerpers en het gehuil van de Stuka´s die zich op de bruggen storten? Met scherpe knallen schieten de klinknagels uit de eens zo trotse pijlers en doorboren het hart van de stad, op slechts een paar honderd meter afstand. Kijk nou, daar staat zij met haar blonde krullen, zich van geen gevaar bewust, als een mot die op het punt staat in het vuur te vliegen.  Maar het is nog niet te laat. Ze moet samen met mij de schuilkelder in, denkt hij –  goedschiks of kwaadschiks.

Met een droge tik valt een mobiele telefoon op de stoeptegels aan de Gerdesiaweg. Water spat op uit de regenplassen onder Andrea’s stampende voeten. Ze grijpt naar haar nek om zich te bevrijden uit de meedogenloze omhelzing. Haar lippen schreeuwen nog om Floyd, maar haar stem is er niet meer. Ze wil haar hoofd draaien terwijl alles smoort in het zwart van de binnenzijde van haar capuchon.
Een moment is haar lichaam zwaar als lood als haar longen de laatste zuurstof voor haar snakkend hart opbranden. Haar geest doet een laatste poging alle open vragen te beantwoorden en alle openstaande schuld af te lossen, maar blijft hangen in de herinnering aan de tintelingen van haar laatste orgasme op het toilet van grand café Engels die ochtend.

Ze kende hem niet, hij was een langsgewaaide Duitse handelsreiziger in lijmen en harsen. Hij had tegenover haar plaatsgenomen en haar een droge sherry aangeboden. Ze had gebloosd, gegiecheld en na het tweede glas de hik gekregen. Daarna had hij haar bij de bovenarm gepakt, zo stevig dat het bijna pijn had gedaan en was zij gedwee met hem meegelopen naar het toilet. De oude kelner had zonder hen aan te kijken discreet een stapje opzij gedaan. Ze had zich zonder schaamte aan haar eigen hitsigheid overgegeven. Weer voelt ze de gehaaste extase van haar stiekem vervulde geilheid, de gretigheid van zijn forse dooraderde lid, zijn sterke armen, de klamme handen die haar even bij de keel hadden geknepen, zijn felle, intense blik. Zij had in het vuur in zijn ogen gekeken terwijl hij haar met harde stoten vulde, steeds ruwer en meedogenlozer. In de kleine ruimte van de wc had Andrea op de rand van haar climax gebalanceerd totdat ze door haar knieën was gezakt en voor zijn kus en haar orgasme was gezwicht.
Het is het laatste dat ze zich herinnert, nu dooft het licht. Met elke samentrekking in haar lijf voelt ze zich lichter, vrijer worden, alsof onzichtbare vleugels haar naar de hemel optillen. Ze draagt een schitterend mantelpak en een vurige ketting van smaragd om haar hals. Het laatste wat Andrea voelt is het vallen van lauwe druppels op haar gezicht in een walm van lijm. Mannen die droge sherry drinken zijn sexy. Waarom denk ik dit nu ik doodga? De dood is bitter, tot je hem proeft. Bleke handelsreiziger, ik heb je aangekeken toen je in me kwam…

Een hond snuffelt aan het levenloze vrouwenlichaam aan de oever van de vijver. Floyd ruikt onbekende geuren. Want wat weet een hond van lijm, wat weet een hond van zaad? Floyd gaat naast haar liggen in het natte gras en gaapt. Als ze opstaat zal hij zijn eten krijgen. Ook van de dood weet een hond niets.

Als Raymond wakker wordt tintelen zijn vingers en zijn hoofd is leeg. Er is niets, helemaal niets. De mist in zijn hoofd is opgetrokken. Eventjes tuurt hij naar de vochtplekken op het plafond. Hij wacht geduldig op het moment dat hij zo goed kent, als de koude last van de alledaagsheid de plaats van zijn warme dekbed zal innemen, maar vandaag komt het niet. Zelfs het noodzakelijke telefoontje naar Vestia om de lekkage te melden komt hem voor als een futiliteit. Zijn de hindernissen opeens lager geworden, of is hij gegroeid? De geur van lijm in zijn kamer herinnert hem aan de taak van vandaag. Hij stapt uit bed, loopt energiek naar de keuken en zet de koffiemachine aan. Met de klik van de schakelaar en een blik op de Messerschmitt neemt Raymond, geheel tegen zijn gewoonte in, moeiteloos een beslissing: de verkenning is voorbij. Een nachtjager zal het worden. Hij begint de breekbare VHF antennes op de neus te monteren. Met het openen van de lijmtube is echter plots zijn onrust terug. Zijn vingers trillen. De stilte van de nacht hindert hem. Het stille, ongeziene zwijgen van waaruit elk moment een enorm gekrijs kan klinken, is bijna net zo beangstigend als de lichten die ´s nachts uit de donkere diepten in zijn dromen stralen. Nerveus gaat hij naar de website van Heaven´s Gate en klikt doelloos op wat modellen. Ervaar de oorlog, staat er onder de afbeeldingen. Het maakt Raymond nog onrustiger. Het is alsof de stilte roept, het is alsof het licht hem zoekt. De drukte van politieauto’s en ambulances bij de vijver vlakbij zijn huis gaat volledig aan hem voorbij. Hij hoort alleen het ruisen van de leegte in zijn hoofd.

Hannah
In café restaurant Engels loopt de kelner naar het tafeltje met uitzicht op het station. Zijn gang is stram, zijn rug kaarsrecht. Wanneer hij hier is komen werken weet niemand meer; voor zijn collega’s is hij er altijd geweest. Hij heeft een dunne huid, doorzichtig bijna, en een klein litteken in de vorm van een halve maan ontsiert zijn wang. Op zijn gezicht is geen enkele lachrimpel ooit blijven hangen. Hij zet een vaasje met bloemen op het tafeltje en schuift de lunchkaart in de roestvrijstalen houder. Met uiterste precisie zet hij de twee stoelen recht. Het is maandagochtend, 11 uur. Hij werpt een blik op de glazen uitgang van het station. De trein uit Keulen is net onder de overkapping het station binnengegleden. Punctueel als altijd, stelt de kelner tevreden vast. Hij glimlacht vermoeid.

Een struise brunette van middelbare leeftijd zwaait door de draaideur binnen, kijkt zoekend rond en vindt de ogen van de kelner. Deze maakt een lichte buiging en tikt onwillekeurig zijn afgesleten hakken tegen elkaar. Zelfverzekerd leidt hij haar naar het tafeltje dat hij al in gereedheid heeft gebracht. Terwijl hij de stoel voor haar aanschuift snuift hij haar geur op. Hij heeft de juiste keuze gemaakt.
De donkerharige vrouw heet Hannah, en haar leven is net begonnen. Dat zei ze althans zelf, toen ze tien minuten geleden het kantoor van Nauta Dutilh aan de overkant van het Weena verliet met de getekende scheidingspapieren veilig in haar Louis Vuitton-tas. Ze bestelt een café latte met hazelnootsiroop; het is op dit tijdstip het enige juiste om de langverwachte bevrijding luister bij te zetten.

‘Vanzelfsprekend,’ mompelt de kelner en beent stram weg om haar bestelling te halen. Hannah denkt even aan haar ex: de tyfuslijer die haar met een belastingschuld en twee kinderen heeft opgescheept; koters die goddank haar uiterlijk en helaas zijn karakter blijken te hebben. Toch denkt Hannah vooral aan de weg die vóór haar ligt. De kelner zet zwijgend haar koffie op het tafeltje, terwijl zij naar het centraal station kijkt en dagdroomt over een trein die haar wegvoert, naar het Oosten, naar frisse lucht en een nieuwe horizon. Ze roert met het lepeltje door de opgeschuimde melk, brengt een slanke hand naar haar mond en likt het zoete schuim van de bolle lepelkant.

Een bleke man komt binnen, gekleed in een fletse regenjas en een lichte zomerpantalon. Hannah ziet hem kort met de kelner praten. Die geeft hem een kleine, donkere tube, die de man snel in zijn jaszak laat glijden. Daarna stapt hij op haar tafeltje af en gaat zonder vragen bij haar zitten. ‘Neemt u mij niet kwalijk, zegt hij met een Duits accent. ‘Ik ben handelsreiziger in lijmen en harsen.’ Hij kijkt Hannah recht in de ogen, zijn blik dwaalt dan af naar het lepeltje in haar rechterhand. Hij nipt aan de sherry die de kelner hem heeft gebracht en ziet dat Hannah aan haar krullen friemelt. ‘Ik verkoop geen lijm maar lijmervaring,’ vervolgt hij. ‘Ik weet alles van lijmen.’ Hij kijkt haar in de blauwe ogen en laat een korte pauze vallen. ‘En van ervaring. De ervaring die iedereen zoekt. Waar iedereen alles voor over heeft. Jij toch ook?’
Ja, Hannah ook.
Het toilet achterin het restaurant is klein, zijn pantalon goedgevuld. Terwijl dagjesmensen en zakenlui hun lunch bestellen, opent Hannah opgewonden de bandplooibroek van de handelsreiziger. Aan het tafeltje in het café restaurant bewonderde ze zijn tijdloze uitstraling, zijn rustige zelfverzekerde optreden, zijn stijl en charme. Hier in het krappe wc-hokje is hij anders dan in de gastenruimte. Een eeuwenoud instinct drijft hem en sleurt haar zijn vurige wereld in om haar daar voor altijd te bezitten. Met trillende vingers streelt zij de gezwollen aders en de harde kop op zijn pik, terwijl ze zijn greep steviger en dwingender voelt worden. Haar verzet is kort, niet meer dan een machteloos gespartel, net zo opwindend als de overgave. Een schokgolf doet het kloppen tussen haar benen, haar rok wordt omlaag getrokken en spant strak om haar knieën. Nu haar huwelijk ontbonden is, zal ze haar bevrijding vieren. Geen verzet, geen gedachten meer. Hannah grijpt de beugel in het invalidentoilet zo stevig vast dat het bloed onder haar nagels wegtrekt. Ze steekt haar ronde kont achteruit en maakt haar rug hol voor de handelsreiziger. Ze voelt hem ongeduldig tegen haar achterwerk dringen, hij zoekt en vindt haar in een ogenblik. Zelfverzekerd stoot hij in de nauwe holte tussen haar billen waarna hij haar met lange, regelmatige halen neukt. Zijn hand glijdt om haar keel en smoort haar gekerm.. Zijn bewegingen worden steeds ruwer en woester tot ze verstijven in een stille houdgreep. Hannahs adem stokt in de knellende greep om haar hals terwijl hij een langdurige ontlading in haar loost. De rillingen lopen over Hannahs rug als zij voelt hoe het zaad van de handelsreiziger haar verwarmt. Hij trekt zich snel uit haar terug; een plotselinge haast lijkt hem te overvallen. Terwijl ze nagloeiend van de opwinding een lok fatsoeneert en haar rok gladstrijkt maakt hij aanstalten te vertrekken.
‘Kom vanavond om elf uur naar de Gerdesiaweg, naar de gedenksteen bij het station,’ hijgt hij in haar slanke nek. Als je daar bent zal ik het nog veel intenser voor je maken.’
Door de kier van de deur van de toiletten kijkt ze hem na en ziet hoe hij naar de kelner knikt en de Rotterdamse middag in stapt. ‘Hoe heet je?’ wil ze hem naroepen, maar hij is al door de draaideur naar buiten gelopen. Alleen zijn spiegelbeeld weerkaatst nog in de glazen puien van de stad.

Aan het eind van de dag heeft Raymond de nachtjager beschilderd. Hij bekijkt het model van alle kanten en gaat dan zitten. ‘Welterusten Günther’, zegt hij zacht tegen de piloot.
Hij opent de website van Heaven’s Gate en daar valt zijn oog op een prachtige bommenwerper. Het is een B-24 Liberator. ‘Uitverkocht’ staat er naast de afbeelding. Raymond is teleurgesteld. Wat vreemd dat nou net dat ene model niet meer leverbaar is. Angst om in slaap te vallen overvalt hem. Hij zoekt naar de lijm maar kan die niet vinden en paniek maakt zich van hem meester. Hij zoekt in alle hoeken en gaten, maar zonder resultaat. Radeloos schenkt hij een glas sherry in en drinkt dat in één teug leeg.  Op internet vindt hij een bestand met motorgeluiden van een B-24 Liberator en dat stelt hem wat gerust. Uit de prullenbak redt hij het bubbeltjesplastic waarin de doos van de Messerschmitt was verpakt. Hij neemt plaats achter zijn computer en opent zijn pantalon. Het plastic wikkelt hij, met de bubbeltjes naar binnen, uiterst strak rond zijn slappe lid. Dan start hij het .WAV-bestand met het geluid van de Pratt&Whitney motoren, sluit zijn ogen en leunt achterover, terwijl hij zijn rechter vuist snel op en neer beweegt. Raymond kijkt naar een sterrenloze hemel en ziet hoe de B-24 de donkere nacht doorklieft, met haar stoere glazen neus en haar grote ovale staartstabilisatoren. Ze stijgt hoger en hoger naar de veilige hemel, ze glanst, ze danst door zachte wolken, haar zilveren huid ademt stratosfeer, haar wiegende vleugelvlakken lachen hem uitdagend toe.  Hij ziet hoe Flak en zoeklicht op haar jagen, hoe ze keer op keer ontsnapt en ongehavend haar dodelijke bommenlading naar het Ruhrgebied brengt. Ter hoogte van de Duitse grens merkt Raymond dat zijn opkomende erectie tegen het strakke keurslijf van het bubbeltjesplastic vecht. Erbij blijven nu. Concentratie. Het doel is vlakbij, we zullen ze leren, die moffen. De machine trilt, de geur van kerosine en zweet vult de cabine. De boordschutter hangt brakend in de glazen koepel in haar nauwe staart. Daar gaan de luiken open en ja! Bombs away! Raymond knijpt in het plastic dat om zijn stijve lid gespannen staat en dan voelt hij de bubbeltjes stukknallen, als een bombardement van het dooraderde landschap van zijn pik..

Raymond is te moe om zich te bekommeren om het weggeschoten zaad dat uit de plastic schede op zijn pantalon druipt. Hij doezelt verder in de roes van de dreunende cadans van de vliegtuigmotoren in zijn kamer. Hij vliegt heel laag boven een brandende stad, weer opgejaagd door luchtafweer. Het dreunende geluid wordt sterker, sneller, urgenter. De kopjes en pannen beginnen te trillen en te rammelen in de keukenkast en in de verte verschijnt een fel wit licht vanachter de flarden van een regenwolk. Raymond rent naar het raam en ziet een enorm, donker vliegtuig op zich afkomen. Het scheert met razende motoren vlak over hem heen en verdwijnt achter de daken van de Gerdesiaweg. Als het vliegtuig is verdwenen, ziet Raymond een vrouw in een rood mantelpak op straat. Ze zit op de zwarte gedenksteen en lijkt op iemand te wachten; het gevaar merkt ze niet. Raymond schreeuwt naar haar en verbaast zich dat ze hem niet hoort. In paniek rent hij de trap af, de straat op. Aan de rand van zijn bewustzijn fluistert een lang vergeten stem een waarschuwing: blijf binnen, Raymond! Even aarzelt hij. Dan ziet hij opnieuw de argeloze brunette en neemt een besluit. Ze moet daar weg!

Bij de vijver aan de Gerdesiaweg scharrelt een pitbull rond, op zoek naar eten. Floyd is op zijn hoede. Sinds hij alleen is zijn mensen een stuk onvriendelijker. Vier vlooien vechten om een ader op zijn poot. De drie lindes aan de vijver bieden wat beschutting tegen de koude wind en de regen. Soms waagt hij zich naar het winkelcentrum verderop, waar hij kans maakt op wat voedselresten van het Indonesisch eethuis. Hij nestelt zich tegen een boom en legt zijn kop in het gras. Floyd heeft zijn ogen nog maar net gesloten of zijn instinct drukt op een alarmknop. Hij ruikt een geur die een herinnering naar boven brengt. Hij draait zijn kop naar de overkant van de straat. Bij zijn eigen pismonument worstelt een bebrilde man met een vrouw in een rood mantelpak. Hij heeft zijn handen rond haar nek en tilt haar van de grond. Floyd snelt de Gerdesiaweg over. In zijn opwinding ziet hij niet hoe de man tot inkeer lijkt te komen. Hij zet de vrouw weer op de stoeptegels, kijkt haar een moment verschrikt aan en probeert haar dan te zoenen. Maar zodra haar voeten vaste grond voelen ontworstelt ze zich krijsend aan zijn greep en zet het op een lopen naar het metrostation. De man volgt haar niet. Hij zinkt door zijn knieën, buigt zijn hoofd en bedekt met een hand zijn ogen. De laatste meters overbrugt Floyd kwispelend en met zijn kop licht naar beneden. Hij nadert de geknielde man. Hij ruikt het nu overduidelijk. De geur is in zijn kop gegrift toen zijn bazin verdween. Het is de geur van eenzaamheid. Hij draait even om de man heen, legt zich onderdanig aan zijn voeten en verwelkomt zijn aaiende hand met een hondenzucht.

Lily
Raymond’s nacht is donker en lang, een eindeloze missie zonder overlevingskans. Vreemde geluiden overstemmen de gedachten in zijn hoofd. Raymond probeert ze te negeren en naar de stilte te luisteren. Eerst is er alleen maar stilte en duisternis; dan hoort hij een zacht geruis en denkt een klein vlammetje te zien. Langzaam begint de zwarte schaduw van de vorige nachten over de muur van zijn dromen te klimmen. Hij had Hannah herkend, maar dat was niet alles. Haar ogen waren voor een moment het zoeklicht geweest waarin hij eindelijk zichzelf had gezien. Hield hij van haar? Zijn hart klopt, net als zijn geweten. Wat had Erasmus nog meer gezegd? Kan iemand die zichzelf haat, wel van een ander houden? Wanhopig zoekt hij naar houvast in herinneringen. Hij opent zijn portemonnee en vindt een paar opgevouwen rekeningen. Sherry dry Sandeman 3 x. Café latte m siroop 2 x. Totaal inc BTW 16,50. Bedankt voor uw bezoek aan Café Engels. Er daagt iets bij Raymond, een vermoeden dat er iets niet klopt, dat hij schuldig is aan iets dat ze hem proberen te laten vergeten. En als het inderdaad niet klopt dan mag het nooit meer op dezelfde manier ochtend worden.

Geslapen heeft hij nauwelijks en toch voelt Raymond zich wakker als hij de volgende ochtend de luttele meters tussen het Centraal Station en café Engels overbrugt. Forensen zijn op weg naar hun werk, twee toeristen staan gebogen over een stadskaart en een gewone fietser heeft ruzie met twee buitengewone opsporingsambtenaren. Raymond slaat er nauwelijks acht op want hij weet dat zijn eigen missie belangrijker is. Hij kijkt omhoog naar het Groothandelsgebouw en loopt dan naar de ingang van het café, dat in een hoekje onderin de immense kolos is geplaatst, als een splinter in de voetzool van een reus. Als hij het koude koperen beslag van de deur vastpakt houdt hij een moment halt en ademt diep in. Dan stapt hij naar binnen.

De kelner recht zijn rug en knikt kort naar de handelsreiziger in lijmen en harsen. Hij draait dan zijn hoofd naar een tafeltje verderop. De handelsreiziger volgt zijn blik. Aan het tafeltje zit een roodharige vrouw, een meisje nog. Ze is frivool gekleed in een blauw zomerjurkje dat veel van haar blanke huid onbedekt laat. Haar lange slanke benen heeft ze kuis tegen elkaar en enigszins schuin onder de tafel gebogen. Er staat een laptop voor haar neus, ze kijkt langs het scherm naar buiten, en de handelsreiziger ziet hoe het fletse ochtendlicht haar sproeten accentueert. Ze draagt een glinsterend knopje in haar gepiercete neusvleugel.
Nose art,’  mompelt hij, en denkt aan de minuscule transparante afbeeldingen van uitdagende vrouwen die hij altijd met zoveel moeite op de neus van zijn bommenwerpermodellen aanbrengt, met namen als Memphis Belle of Bouncin’ Bette.
De handelsreiziger kijkt een moment naar het zwarte object dat de kelner hem voorhoudt. Hij neemt het tubetje echter niet aan. In plaats daarvan loopt hij zelfverzekerd naar het meisje en gaat aan haar tafeltje zitten.

‘Lily. Ik ben Lily,’ zegt het meisje nadat ze heeft besloten dat haar ongevraagde tafelgenoot  een charmant heerschap is wiens compliment over haar uiterlijk geen kwade bedoelingen verraadt. Integendeel, hij streelt haar hart.
‘Ik wil schrijver worden,’ zegt ze peinzend. Ik kom uit Drenthe en daar gebeurt niet zoveel. Ik kom hier voor inspiratie, voor nieuwe ideeën. Je leeft maar één keer, yolo, je weet wel. Ik wil de stad ervaren. Ervaren, dat is waar het om gaat. Ken je dat?’
De handelsreiziger knikt.
‘Ik weet precies wat je bedoelt.’
Even gaat zijn blik naar de achterkant van het café, waar de toiletten zijn. Dan naar de bar, waar de kelner glimlachend met een droge doek de wijnglazen poetst en ze ter controle in het licht omhoog houdt. Dan pakt de handelsreiziger de slanke vingers van Lily’s hand en buigt zich voorover. Ze ruikt naar jeugd.
‘Luister Lily. De ervaring die je zoekt zul je hier niet vinden. Misschien, voor even, vang je er een glimp van op maar de prijs die je daarvoor moet betalen is te groot. De oorlog is zoet, tot je hem proeft.’
Lily schrikt van de ernst die de handelsreiziger plots in zijn woorden legt. ‘Waarom dan? Ik wil…ik dacht…misschien kun je me de stad laten ervaren?’
De handelsreiziger schudt zijn hoofd. ‘Niet hier. Er is niets, helemaal niets. Deze stad heeft geen hart meer Lily, je gaat nu weg, hoor je me? Nu, nu meteen. Ik wil niet dat je hier blijft rondhangen. Ga alsjeblieft weg en kom nooit meer terug in dit restaurant!’
Geschrokken pakt de jonge schrijfster haar spullen en beent naar de uitgang. Bij de deur kijkt ze nog even om. De handelsreiziger ziet de verwarring en de teleurstelling in haar knappe gezicht. Dan stapt ze de stad in.

‘Is alles in orde meneer?’ vraagt de kelner die plotseling zijn formele houding verruild heeft voor verwarring en nerveus gestuntel met zijn dienblad. ‘Heeft u misschien toch lijm nodig?’
‘Nee,’ antwoordt de handelsreiziger. ‘Er is geen lijm meer nodig. De modellen zijn klaar en de oorlog is bijna voorbij. Bijna, want alleen de laatste, de Liberator, ontbreekt nog. Ik weet waar zij is. Ik heb haar gisteren gezien. Kom vanavond om elf uur naar de Gerdesiaweg, naar de gedenksteen bij het metrostation – voor de laatste ronde.’

De handelsreiziger staat op, drukt de kelner een tientje in zijn hand en verlaat zonder om te kijken café Engels. Buiten snuift Raymond de lucht van de stad op en verdrijft daarmee ook de laatste lijmmoleculen uit zijn slijmvliezen.

Night Witches
De roltrap van het metrostation Gerdesiaweg zet zich in beweging en een stokoude man komt tevoorschijn. Hij klampt zich voorzichtig vast aan de rubberen band van de roltrap, maakt een struikelend pasje als hij boven komt. Hij loopt naar het gedenkteken en kijkt uit over de vijver. Op de stoeprand staat een groepje jongens dat rotjes naar een angstige pitbull gooit. Die rent met de staart tussen de benen over straat, kruipt paniekerig krassend met zijn poten onder het hek van de bouwwerkzaamheden door en verdwijnt onder een betonplaat.

Günther voelt in zijn jaszak en haalt er een klein tubetje uit. ‘Ruilen. Altijd iets om te ruilen in mijn hand gehad,’ glimlacht hij. Hij laat het terug in zijn jaszak glijden en stopt zijn hand er weer in.

Raymond doet de deur achter zich dicht. Hij heeft de hele dag geen lijm gesnoven en voelt zich steeds beroerder. De dromen van de laatste weken spoken door zijn hoofd, steeds concreter, bonter ook. Elke kleur is een herinnering aan iets waaraan hij schuldig is. Het groene bomberjack. Het rode mantelpak. Het blauwe jurkje.

Hij loopt naar Günther die stram bij het monument staat. Hier op straat lijkt hij veel ouder dan in het restaurant. Zijn huid is perkamentachtig wit, zijn handen trillen. Terwijl hij ongericht in de verte staart begint hij tegen Raymond te praten, dode woorden met een dorre stem.
‘Die dekselse Lily. Geen steek veranderd in al die jaren. Ik had net een stoel voor haar klaargezet.’
‘Ik heb haar weggestuurd, dat zag je toch,’ zegt Raymond. ‘Ik wilde haar beschermen, tegen jou.’
‘Beschermen, heel goed. Dat is moedig van je, Raymond. Moedig en dwaas tegelijk. Want wie wil iemand anders nu tegen zichzelf beschermen?’
‘Ik zag mezelf in Hannah´s ogen,’ zegt Raymond. ‘Toen wist ik het.’
De ober hoest en spuugt een rochel op de grond.
´Die vervloekte partizanenhoer! Nee, Andrea was mijn eerste. Ik weet nog hoe haar blonde krullen stil voor haar gezicht hingen toen het allemaal voorbij was. Zij was de eerste die ik liefhad op de stoel.’ ‘Op de stoel? Heb jij haar in Engels…’
‘Nee, niet in Engels. Ik bedoel toen…destijds…. Ik deed niet zoveel hoor, iemand anders deed het werk. Ik zette alleen de stoelen klaar, net als nu in het restaurant. Elke keer als de auto kwam zette ik ze netjes op een rij. Ik deed het graag, vooral als ze de vrouwen brachten. Dan was het toch een beetje feest, hoe overstuur ze soms ook waren. Het was op een bepaalde manier ook mooi. En ik zag dat mijn superieuren het fijn vonden dat ik de stoelen zo had klaargezet. Daarom lieten ze toe dat ik het bij ze deed. Nog wat lijm, Raymond?’

‘Toelaten dat je wát bij ze deed? Wat is dit voor waanzin?’ schreeuwt Raymond.

‘Ik gaf die vrouwen troost en tederheid. Zodat ze liefdevol aan hun einde kwamen. Als de soldaat de stoel onder hen wegschopte, zakten ze een eindje aan het koord. Dat was een korte val en de meesten braken hun nek dan ook niet. Ze spartelden dan nog een tijdje machteloos met trappelende benen in de lucht, terwijl ze aan het touw ronddraaiden. Het luisterde daarom nauw wat ik deed. Als ik te vroeg was, waren ze nog te wild en als ik te laat was… Maar goed, als ze eenmaal hingen, zette ik de stoel weer netjes overeind. Dan klom ik erop en nam ze nog even in mijn armen, streelde hun haar en kuste ze op de mond. Ik weet zeker dat ze het fijn vonden om zo nog even wat liefde en warmte te voelen. Soms opende er een nog haar ogen. Dan drukte ik haar hangende lijf stevig tegen me aan om haar bij te staan in haar doodsstrijd. Er waren vaak knappe jonge meiden bij hoor, ze…

‘Schoft!’ schreeuwt Raymond, ‘Monster! Moordenaar!’

‘Moordenaar?’ zegt Günther. ‘Kijk naar jezelf. Ik heb niemand gedood. Ik heb over geen van die vrouwen geoordeeld. Ik heb nog nooit een touw geknoopt. Ik heb geen enkele stoel omver geschopt. Alleen een dader kan schuldig zijn. Ik was toeschouwer, nauwelijks deelnemer en zeker geen dader. Ik heb alleen mijn longen met hun laatste adem gevuld en hun dode zielen in mijn hart bewaard, net zoals jij nu voor mij doet. Wil je nog wat lijm?’

Raymond grist de lijm uit de handen van Günther en smijt de tube weg. Op de achtergrond klinkt gerommel van luchtafweergeschut, dof en onregelmatig als ploppende bubbels in kokende pap. Lichtflitsen schieten omhoog. De metroingang is afgesloten maar in het hek naar de bouwplaats zit een gat. Raymond vlucht erheen met de lichtvoetige schim van Günther op zijn hielen. Hij duikt in de nauwe opening tussen betonnen platen en glijdt meters naar beneden over een helling met grind en steentjes, die nog een tijdje op zijn hoofd blijven naroffelen als hij zelf allang weer op zijn voeten staat.

Raymond en Günther staan in een enorm metrostation. Er zijn geen perrons, er ligt geen rails, het is nog in aanbouw en toch is het oud. De ruimte wordt verlicht door gele lampen in de betegelde muren, als in de Maastunnel.
‘Waarom zijn we hier? Wat is dit voor een plek?’ vraagt Günther.
‘Dit? Dit is geen metrostation. Dit is ook geen nooduitgang. Dit is een geheime schuilkelder. Ik had je toch de laatste bommenwerper beloofd?’

Met Günther in zijn kielzog loopt Raymond naar een half ingestort gedeelte aan het einde van de ruimte. Er liggen wrakstukken van de neus van een oud vliegtuig. Op de zijkant is een afbeelding van drie heksen op een bezem geschilderd. ‘Night Witches’, staat er in sierlijke letters onder geschreven.
Der letzte Bomber,´ prevelt Günther ontroerd. ‘Du träumst, willst nicht glauben?’
‘Zenuwachtig Günther?’ vraagt Raymond. ‘Drie vrouwen vlogen deze Liberator : Andrea, Hannah en Lily. Ze werden de Night Witches genoemd. Hun missies boven het Ruhrgebied eindigden in 1944, toen ze boven Rotterdam werden neergeschoten. Ze zijn uiteindelijk in april 1945 alledrie door de Gestapo opgehangen. Dat was op de valreep nog een buitenkansje voor je, hè Günther? De oorlog is zoet, tot je hem proeft. Wil je er nog eens een glaasje van proeven? Ober, kom die fles maar brengen! Floyd!’

Floyd slaapt al weken in de neuskoepel van de Liberator die in 1944 neerstortte op de Gerdesiaweg. Het leren stoeltje van de commandante is weliswaar wat vergaan, maar doet goed dienst als hondenmand. Uitgehongerd heeft hij daarnet nog op een nekwervel van de staartschutter gekloven. Het bommenruim is leeg, op een honderdponder na die is blijven steken en op de metalen rand van het bomluik balanceert.
Floyd wordt wakker als hij zijn naam hoort. Hij herkent de man die hem een paar dagen geleden nog geaaid heeft. Kwispelend springt hij op, rent door de nauwe doorgang tussen cockpit en geschutskoepel, zo snel dat hij het evenwicht van het wrak verstoort. De bom schiet los en rolt over de betonnen vloer naar Raymond en Günther. Nog even zijn de twee te zien, gevangen in het zoeklicht dat uit een diepe afgrond schijnt.

Ik heb veel geleerd van mijn leven, maar het meeste ontdek je na je dood. Zo heeft het bijvoorbeeld geen zin te wachten op de metro als je dood bent. Het metrostation is namelijk geen metafoor voor de hel, net zo min als de hel een metafoor voor oorlog is. De hel is ook geen plek ergens onderin de hemel of een vuur, begraven in de grond. Nee, de hel, dat zijn je eigen dromen als je dood bent. Al sinds ik dood ben wil ik wakker worden, maar hoe wanhopiger ik het probeer, des te dieper mijn slaap en des te doder mijn dood.
Ik wandel op een grauwe akker. Daar staat een omgevallen stoel uit het restaurant naast een armoedige, lage galg en een jonge vrouw hangt aan het koord. Ze draagt een witte blouse en een strakke grijze rok tot onder de knie, haar schoenen zijn tussen de koeienvlaaien in de modder gevallen. Ik strompel door het zware slib tot vlak onder haar boezem, zo dichtbij dat haar krullen mijn gezicht strelen. Met mijn vingertoppen strijk ik over haar wang en dan opent zij haar ogen. Ik vul mijn longen met mijn eigen laatste adem en wil haar mijn leven geven, maar ze wil het niet. Ze smeekt om lucht maar ik kan het haar niet geven want ze weigert mijn adem. Ik kijk naar haar machteloos gespartel aan het koord, de geknakte nek, de blonde krullen die voor het stille gezicht hangen. Ik word dan wakker in het restaurant en de kelner zet de stoelen klaar.

Raymond


Tekst: luckyman en Mahotsukai (c) 2017

 

Pagina 49

In een oud boek las ik een herinnering aan iets dat ik zelf nog niet had meegemaakt. Er liep een traan van ontroering langs mijn wang toen ik de bladzijden van het laatste hoofdstuk omsloeg. Het verhaal was zo mooi dat ik het niet eens helemaal begreep. Ik las het daarom steeds weer, steeds opnieuw vanaf het begin en uiteindelijk kende ik alle woorden uit mijn hoofd.
In het boek kwam een oude woning voor met gordijnen voor de ramen en een vrouw die ze zachtjes open schoof. Helder licht viel de kamer binnen, ik zag het kippenvel op de bovenkant van haar billen en haar huid trok daar even trillend samen. Ze was groots in al haar stille pracht en de schrijver liet mij zelfs even schuilen in de schaduw van haar hand. Ik geef toe: ik had nog nooit een vrouw gezien. Toch gaf dat niet. Het boek bracht mij steeds weer naar de plek waar de herinnering aan haar werd bewaard.

25 maart 2517

Ik zat op de trappen van de marmeren fontein. Eeuwen geleden had er water uit de waterspuwers gestroomd, maar nu was alles dor en droog. Het rode stof verwaaide en wervelde omhoog, opgezogen door de donkere slurf van een windhoos. De zon was niet meer dan een licht vermoeden achter het donkere wolkendek. Ik rekte me uit – armen naar boven, hoofd in de nek, schouders naar achteren – en ademde de hitte van de stad zo diep in dat mijn longen ervan gloeiden. Zou er ooit nog iemand komen? Ik stond op, stak het plein over en stapte de overwoekerde stad binnen.

De stad waarin ik woonde strekte zich uit van de zomertuinen tot aan de winterzon en ergens daartussen was mijn huis. Elke dag daalde ik de trappen af om eten en drinken te zoeken. Er was ooit een oude man geweest die mij had grootgebracht en ook had leren lezen. Sinds zijn dood had ik niemand meer gezien. Ik had zijn lichaam op straat gelegd en vanuit het raam van mijn appartement toegekeken hoe een hyena het had opgevreten. Ik dacht ook aan het boek dat ik altijd bij me droeg. Het was weliswaar doormidden gescheurd en het verhaal stopte daarom op pagina achtenveertig, maar toch was het mijn venster op de wereld en de enige sleutel tot het geheim van mijn bestaan.
De stad was van mij en ik was van de stad. Op weg naar huis streek mijn hand langs de afgeronde hoeken van de gevels, glad geslepen door de handen van de miljoenen die mij in voorbije eeuwen waren voorgegaan. De zon brak even door de wolken, het licht weerkaatste in de gevels en stak in mijn ogen. Mijn naakte lichaam spiegelde helderwit in glazen wanden en ik slofte op gevonden schoenen door het gruis. Vlak voor de schemering stonk de stad altijd het sterkst. Vanonder het puin klonk het geritsel van de ratten en muizen en in de verte jankte de hyena. Verder was het heel stil, ik hoorde alleen het geluid van mijn adem, het bonzen van mijn hart en het slepen van mijn voeten over de droge, hobbelige grond.

Het begon te waaien. Een windvlaag deed een deur dichtslaan, een raam viel piepend open. De glazen gevels zongen in de wervel rond als schalen van kristal. Ik dook in elkaar en terwijl ik mijn hoofd met mijn armen beschermde hoorde ik opgewaaide steentjes op de grond roffelen en tegen de ramen tikken. Toen de slurf voorbij was getrokken werd alles weer helder. De wind leek nog zachtjes door te zingen maar vreemd genoeg voelde ik het niet. Ik keek omhoog en zag een straal zonlicht zigzaggen tussen de spiegelende wanden en door een raam naar binnen schieten. Vanuit dat raam klonk een prachtig, helder geluid, waarvan de echo even tussen de hoge gevels bleef hangen. Daarna gleed het een steile ladder van noten en tonen af tot het precies een octaaf lager tot rust kwam aan mijn voeten. Het zingen was nu gestopt en achter het raam bewoog een lichtgekleurde schim. Het zweet liep langs mijn naakte rug en verbijsterd dacht ik aan de zinnen uit het boek:

Pagina 47 uit ‘Clarices Hartstocht,’ – door Melanie Yates:
Clarice liep met wiegende heupen naar het raam en schoof de gordijnen op een kier. Ze liet haar nachtjapon vallen, schopte hem met haar blote voeten opzij.  Ze voelde dat Robert naar haar keek. Zijn blik leek haar te strelen en golfjes van onrust en opwinding trokken door haar onderlijf. Ze voelde haar huid trillend samentrekken en draaide zich naar Robert om. Hij sloeg zijn armen om haar middel, zijn hand gleed in haar nek, toen trok hij haar naar zich toe en kuste haar hartstochtelijk.
Clarice klampte zich aan zijn gespierde lichaam vast dat met elke ademhaling sterker leek te worden. Hij tilde haar op en legde haar liefdevol op de satijnen dekbedovertrek. Zij sloot haar ogen en voelde de vervoerende kracht van zijn mannelijkheid…

Het was de eerste keer dat ik iemand zag die leek op de vrouw waarover ik gelezen had. Door het kapotte glas zag ik dat ze zich omdraaide en naar binnen ging. Ik ging het vervallen gebouw in, liep een brede trap op en kwam in een grote donkere hal waar verschillende kleine kamers op uitkwamen. Omzichtig sloop ik naar een openstaande deur en bleef op de drempel staan. Door een spleet in de gordijnen viel helder licht naar binnen. Het was niet het stoffige omfloerste licht dat ik was gewend, maar de koperen gloed van een eeuwenoude zon. En voor dat raam, in die straal van licht stond zij. Ze was naakt en ik zag haar billen, rond en gul, haar borsten groot en prominent rond. Ze zag er heel anders uit dan mijn eigen spiegelbeeld, haar lichaam was werkelijk heel vreemd, maar ondanks mijn schroom en verbazing voelde ik me tot haar aangetrokken op een manier die ik niet kende.

We keken stil naar elkaar. Ze had lang lichtkleurig haar dat tot over haar schouders viel. Haar heupen waren heel breed, terwijl haar taille juist weer slank en dun was. Om haar nek droeg ze een goudkleurig metalen kettinkje en een snoer waar noten en botjes aan geregen waren. Tussen haar benen groeide een forse pluk donker haar en in haar hand hield ze het afgekloven karkas van een geroosterde rat.

‘Hier,’ zei ze. Wil je ook een hapje?’ Ze stak de hand met de rat naar me uit. ‘Ik houd jou al een hele tijd in de gaten. Heb je dat nooit gemerkt?’
Haar stem was laag en rijk aan samenklanken. De hoge tonen waren helder maar onder haar grote borsten resoneerde het diep. Haar woorden vloeiden als warme balsem over mijn luisterende huid.

‘Ik heb nog nooit een vrouw gezien,’ zei ik. ‘Ik… ik heb wel vaak erover gelezen.’

‘Kun jij lezen?’ vroeg ze geïnteresseerd.

‘Ja, ik lees Clarice´s Hartstocht,’ zei ik trots. ‘Zo heet het boek dat ik heb. Maar in het verhaal was je volgens mij langer.’

Ze zuchtte. ‘Ik ben Clarice niet en ik lees niet want eh… ik heb geen boeken. Ik zing liever dan ik lees. Dat boek van jou is vast een of andere herinnering van een of ander iemand aan een of ander… nou ja, aan iemand anders. Misschien was hij kleiner dan jij en leek ze daarom groter voor hem. Hoewel jij ook niet echt heel groot bent.’

Ze bleef me aankijken. Mijn piemel werd er dik en stevig van, net alsof ik in het boek aan het lezen was. Ze keek geïnteresseerd hoe het stukje vlees zich oprichtte en zwol.

Staat daar ook iets over in het boek? vroeg ze, kauwend op de rat. ‘Hoe je het moet doen?’

‘Wat doen?’

‘Jagen. Ik ben dol op sprinkhanen. Ik kan wel iemand gebruiken die ze voor me vangt.’’

‘Ik eet meestal de dode visjes die in het schuim van de baai drijven,” zei ik. ‘Maar sprinkhanen vangen kan ik ook. Ik heb er een val voor ontworpen, wil je hem zien?’’  

We gingen naar het plein aan de voet van de toren waar ik mijn insectenval had opgezet. Die val bestond uit een plastic vat waar een grote aluminium dakplaat in stond. Dat geheel moest ik nu onder een oplaadbare lamp zetten. Als het donker werd zouden de insecten, aangetrokken door het licht, tegen de dakplaat botsen en dan vanzelf in het vat terechtkomen. ‘Elk jaar minder sprinkhanen,’ zei ze. ‘En ik kan het blijkbaar alleen nog maar met jou doen, als je begrijpt wat ik bedoel. Je weet toch wel hoe het moet?’

‘Zijn er nog meer mensen zoals jij?’ vroeg ik ontwijkend.  

‘Nee alleen ik nog. Denk ik.’ Haar blik dwaalde weg. ‘Jij en ik zijn allebei alleen, wij zijn nog niet samen.’  

‘Ik begrijp je niet.’

‘Een vrouw, een man, een stad.’ Ze telde op haar hand. ‘Drie dingen, twee vingers over. Welke van de drie begrijp je niet?’

‘Ik wil je zo graag leren kennen, maar je bent anders dan ik. Je bent mooi maar je lichaam is vreemd. Je praat vreemd en je doet vreemd. Het lijkt nu al een herinnering. Terwijl het nog niet eens begonnen is.’

Nadat ik de lamp had aangestoken hoorden we een dor geritsel en toen begonnen de eerste insecten als droge druppels op de metalen dakplaat te vallen.
‘Wat heb je voor me over?’ schreeuwde ze boven het gezoem en gefladder van de insecten uit.

‘Alles,’ zei ik, ‘ik heb alles voor je over. En alles wat er dan nog over is. En daarna nog meer.’

‘Ook het boek?’ zei ze. ‘Ze trok het boek uit mijn handen en hield het boven het vuur dat ik had gemaakt om de hyena af te schrikken.

‘Nee niet het boek, geef hier!’

Ze sloeg dubbel van het lachen.

‘Alles, maar niet het boek? Pffft. Je weet niet eens wat alles is.’

Ze legde het boek op de grond en keek me in mijn ogen, van heel dichtbij. Zachtjes begon ze me in mijn ballen te voelen.

‘Ik zie je ogen veranderen als ik dit doe,’ zei ze. ‘Ze krijgen een mooie glans als ik je daar beneden streel. Door mij zul je de dingen anders gaan zien, dieper en donkerder, voel je wel? Ik zie alles wat je voelt en mijn hand voelt alles wat je denkt.’ Haar stem werd laag en hees. Traag en monotoon sprekend zei ze: ‘Kijk eens naar jezelf door mijn ogen.’

Ik zag de gele vlammen van het vuur in haar donkere iris flakkeren. Betoverd door haar ogen en verward door haar woorden liet ik haar haar gang gaan. Ze kuste me op mijn mond. Haar hand schoof langzaam heen en weer over de volle lengte van de dikke schacht die recht vooruit stond. Haar vingers trilden.

Ik wilde graag dat ze ermee doorging maar nee, ze draaide zich abrupt om en liep naar de val. Ze pakte er een sprinkhaan uit, trok het diertje de poten en de vleugels uit en rook er keurend aan.

‘Woestijnsprinkhaan’ zei ze zachtjes. ‘Leeft alleen. Net als wij. Totdat het regent. Heb je een kookpot?’
Ik zette mijn zware gietijzeren pot in de sintels en vulde die met emmers water uit de baai. Samen begonnen we de insekten te pellen en daarna gooiden we ze in het water. Ik viste de gekookte sprinkhanen er weer uit met een plat stuk hout. We aten zwijgend en aandachtig.

Ze peuzelde genietend van het insectenvlees, het kookvocht droop langs haar vingers. Toen ze genoeg gegeten had, liet ze een boer.

‘Je bent steeds maar zo bezig met dat boek,’ zei ze. ‘Waarom eigenlijk?’

‘Dat komt omdat ik niet weet hoe het afloopt. Het is afgescheurd op pagina 48. Net als ze het allemaal willen gaan uitleggen…

‘Waarom maak je het dan zelf niet af?’

De gedachte om zelf het boek af te maken was nog nooit bij me opgekomen. Was het misschien zo dat ik niet alleen mezelf maar ook het boek nu door haar ogen begon te zien? Trillend van opwinding bladerde ik het boek door, dit keer niet om te lezen wat er stond maar om te kijken waar nog ruimte was. Na pagina 48 was er nog een bladzijde leeg. Ik schatte dat er met mijn ongeoefende handschrift nog plek voor ongeveer honderd woorden moest zijn. Ik zuchtte. Ik kende er misschien wel tienduizend. Nu moest ik uit die duizelingwekkend grote hoeveelheid woorden de juiste honderd kiezen. Het leek een onmogelijke opgave. Ik keek naar haar. Ze speelde afwezig met de noten en botjes aan haar halssnoer. Daarna krabde ze zichzelf langdurig in het weelderige haar tussen haar benen, rook aan haar vingers en likte ze af. Toen drong de waarheid tot mij door.
Ik moest de juiste woorden kiezen. Maar welke dat waren, zou alleen zij mij kunnen leren.

Ze ging voor me op de grond liggen, trok haar benen op en draaide haar knieën naar buiten.

‘Kijk es naar me,’ zei ze.

Haar zwaarbehaarde opening glinsterde vochtig. Ik snuffelde tussen haar benen en snoof het overweldigende aroma op. Tussen het donkere haar opende mijn tong een weldadig rode kloof van wellust. Zou dat ‘haar vurigheid’ zijn van pagina 48? Het vocht omsloot mijn mond, ik likte, hapte, slikte, at, dronk, verdronk en kwam weer boven, nam een hap hete droge lucht en ging weer verder. Ik hoorde haar grommen en kreunen tot ze mijn hoofd van zich afduwde. Nadat ik van haar had geproefd zag ze er anders uit. Niet meer zo vreemd. Dichterbij. Ik likte haar nog wat na, proefde de druppeltjes van de zoute dauw op haar huid, een paar korrels zand slepen schurend aan mijn tanden, haar stugge haartjes plakten aan mijn tong.

Ze boog zich over mijn opgerichte pik en begon eraan te zuigen. Een onbekende verte opende zich in mijn lichaam, vanuit mijn onderlijf vloeide een diep warm gevoel naar boven, mijn hart sloeg dubbele slagen en er kwam geen woord meer over mijn lippen. Ik begroef mijn mond opnieuw smakkend in het geurige woud tussen haar benen en kon alleen maar zuchten: alles, ik heb alles voor je over.

Ze zoog zachtjes aan mijn eikel, richtte haar hoofd op en keek me aan, haar tong trok een draadje spuug mee, het hing uit haar mond en plakte aan mijn eikel vast.  

‘Je vindt dit fijn hè? zei ze. ‘Ik heb dit van mijn moeder geleerd. Op een dag kwam een man ons op het spoor. Ik werd wakker en zag hem met haar worstelen in het licht van de vlammen van het vuur. Daarna zag ik haar dit bij hem doen. Ze vertelde me later dat ze aan hem zoog om hem te kalmeren, zodat hij tevreden zou gaan slapen. De volgende dag zijn we bij het eerste ochtendlicht gevlucht zonder dat hij het merkte. En jij? Voel je je er ook al rustig door?’

‘Ik…ik denk het. Ik weet het niet.’   

‘Ik wil je proeven,’ zei ze. ‘Ik wil weten hoe je smaakt als je er rustig van wordt.’

Ik voelde hoe zijdezacht en warm haar tong en lippen waren. Met haar tong krulde ze eventjes achter de donkerpaarse rand. Ze likte me daar zorgzaam schoon. Ik voelde het in mijn voetzolen kriebelen en een lichte wervelende roes begon in mijn hoofd rond te draaien net zoals haar tong om mijn pik deed. Ze sloot haar ogen en ik zag haar klokkend slikken toen ik het witte vocht in haar warme keel perste.

‘En?’ Ze kuste me zwijgend en vlijde zich tegen me aan.
‘Voel jij al wat?’
‘Ik weet het niet. Het was wel fijn. Maar ik weet niet of dit het is.’

‘Ik ook niet,’ zei ik. ‘Het boek houdt op waar het wordt uitgelegd. Ze worden één met elkaar, staat er.’’

‘Ok. Dan zal dat toch wel zo beginnen?’

‘Ja, dat denk ik ook.’

‘Lees nog eens voor.’

‘Ok.’

Ik pakte het boek en las de laatste alinea uit ‘Clarices Hartstocht’ voor:

Pagina 48 uit ‘Clarices Hartstocht,’  – door Melanie Yates:
Clarice voelde hoe Robert haar in een ijzeren greep nam, een ijzeren greep waar zij jarenlang naar gesmacht had en waar zij nu maar al te graag in wegzonk, ze opende zo haar vurigheid voor hem. Als zij op dit moment zo aan hem vast geketend zou kunnen worden, niets zou zij liever willen, want zij was nu verbonden aan zijn hart. Op het moment dat hij in haar doordrong voelde zij dat hij één met haar werd en (onleesbaar……….)

Ik deed het boek dicht. Hand in hand wachtten we een tijdje op het moment dat we één met elkaar zouden worden, net zoals in het boek. We lagen op onze rug en keken omhoog naar de hemel.

‘Misschien moeten we er nog iets anders voor doen,’ zei ze na een tijdje en staarde dromerig naar de vlammen.

‘Eén met elkaar,’ fluisterde ze. ‘Zou dat niet geweldig zijn?’

-/\-

25 maart 2525

De hyena vrat gulzig aan de levenloze lappenpop die ik naar de duizendjarige fontein had gesleept en voorzichtig op de marmeren trappen gelegd. Ik had haar koude lippen gekust en de gouden ketting en het snoer van nootjes om mijn hals gehangen.

Ik dacht aan de eerste keer dat ik haar had gezien en hoe we in de acht jaar daarna, elke dag opnieuw, hadden geprobeerd om één met elkaar te worden. Misschien was dat zelfs gelukt. Maar als je eenmaal één met elkaar was, was dat dan voor altijd, zoals bijvoorbeeld nu? Of werd je dan weer van elkaar losgemaakt? En wie deed dat dan?

Ik pakte een potlood, vouwde het boek voorzichtig open en begon op de lege achterkant aan pagina 49 te schrijven.

…buiten zinnen van hartstocht klemde ze haar benen krachtig om hem heen en kruiste haar enkels achterop zijn rug. Ze schreeuwde van verrukking toen hij haar met zijn zaad diep in haar vurigheid vervulde, zodat zij samen één werden.
Hun samensmelting was zelfs zo volmaakt, dat vanaf pagina 49 ook de lezer één was geworden met iemand, namelijk met de schrijver. Zo konden beiden telkens terugkeren naar het boek, want dat was de plek waar de schrijver de herinnering aan haar voor de lezer had bewaard. En de grootste gave van de schrijver was misschien wel dat hij, als hij wilde, een man kon laten schuilen in de schaduw van een vrouwenhand…

-/\-

Foto: Red circles on a square island, (c) luckymanbooks 2017

Tekst: (c) luckymanbooks 2017

Ik heb dit verhaal geschreven voor de bijeenkomst van EWA Nederland op 25 maart 2017. De opdracht was: ‘schrijf een erotisch verhaal dat zich afspeelt in het jaar 2517.’

Elysion

Ter informatie aan de lezer: “Elysion” is een erotisch verhaal dat een gewelddadige scene bevat, lengte: 5000 woorden.

ELYSION

Deel 1: De straat op zondagochtend

Op zaterdagmiddag had Patrick de Bruijne nog zijn vaste weekendboodschappen gehaald: twee opwarmmaaltijden, een kratje bier, twee zakken chips, een pak yoghurt, een halfje tijgerbruin en een netje sinaasappels. Ook zaterdagavond was er nog niets aan de hand geweest en was hij zoals gewoonlijk na Studio Sport precies om 23.15 uur naar bed gegaan.

Op zondagochtend werd hij ontspannen wakker na een nacht zonder dromen. Eigenlijk voelde hij meestal weinig anders dan een wollige verdoving, die nu echter werd doorbroken door een opflakkering van geilheid. Dat vuur in hem werd aangewakkerd door zijn aanbidding van zijn collega Esperanza. Een lichte stijfheid verwende hem onder het warme dekbed en even speelde hij met de gedachte aan de gewelfde heupen en royale rondingen van Esperanza. Voorzichtig strelend schoof zijn rechterhand langs zijn ondermaatse piemel op en neer, hij stelde zich daarbij ook nog voor dat Esperanza met haar grote borsten plagend over zijn ballen wreef. Maar al snel dacht hij weer aan de maandag op kantoor en voelde zijn opwinding inzakken. Liever dan zichzelf nu even snel en zelfzuchtig te bevredigen, zou hij haar morgen zo fris, fit en mannelijk mogelijk tegemoet willen treden.
Esperanza was een sterke vrouw die zich altijd in donkere mantelpakjes kleedde en zo´n sterk overwicht op hem had dat hij bijna niet in haar kantoortje durfde te komen. Meestal bleef hij net zolang op de drempel draaien en dralen tot zij hem opmerkte en toestemming gaf om binnen te komen. Toch, zo hoopte hij al jaren, zou ooit de dag komen dat hij de heldenmoed had verzameld om haar te zeggen wat hij voor haar voelde. lees hier verder

Le Rêve

Scène 1: De Jeugdherberg

De zon scheen door het glas-in-loodraam de hal van de jeugdherberg binnen. ‘Voor de jeugd, van de jeugd, Ermelo 1947’ stond er.  Het witte licht werd gefilterd door de gebrandschilderde ruiten en viel met een roodgele gloed op mijn gezicht. In dat licht stond ik op stevige wandelschoenen te stralen met een kop thee in mijn hand en Lenie, Mia en Puk aan mijn zijde. We stonden al stevig in onze schoenen maar konden nog net niet op eigen benen staan. We zagen er alle vier goed uit, jong, meisjesachtig, vrouwelijk, fris en levenslustig. Niemand van ons had ooit een ring gedragen, onze nagels waren nog nooit gelakt.  Onszelf noemden we: ‘De Zweetdroppels’ vanwege al het corvee in de jeugdherbergen die we op onze trektocht over de Veluwe aandeden. We waren alle vier nog maagd en dat zouden we nog wel even blijven, tot we trouwden of desnoods tot we doodgingen. Daar was niets verontrustends aan. Er stond altijd wel ergens een emmer met groene zeep en een vettige grijze dweil die uitgewrongen moest worden en anders zou die dweil of uiteindelijk het leven zelf ons wel uitwringen. Het was het een of het ander. Het leven was overzichtelijk. En zelfs het ogenschijnlijk meest nutteloze had toch altijd ergens nut.

Verder was het allemaal precies zoals nu en zelfs het weer was soms hetzelfde. We wisten niet dat we in het verleden leefden. Op de foto’s zag het er natuurlijk anders uit. Nee, we leefden niet in zwart wit, we woonden niet in lelijke kamers. Als ik eraan denk, was het leven toen eigenlijk kleurrijker dan nu. Voor mij tenminste. Andere mensen moeten dezelfde kleuren als ik gezien hebben, in hetzelfde licht. Maar misschien waren ze zelf gaan geloven dat het in zwart wit was, net zoals op de foto’s in hun albums. Misschien geloofden ze op dezelfde manier in een scherpe lijn tussen goed en fout, ik weet het niet. Ik ben alles pas in een ander licht gaan zien nadat ik hem ontmoette. En het roodgele licht dat die ochtend in Ermelo door het glas-in-loodraam viel was daar de voorbode van. lees hier verder