Tagarchief: erotisch verhaal

De Eerste Druppel

Voor de wedstrijd Het Rode Oor, georganiseerd door DeBuren, stuurde ik het verhaal ‘De Eerste Druppel’ in. Helaas haalde het de finale van Het Rode Oor niet, maar je kunt hier genieten van: De Eerste Druppel:

De Eerste Druppel

Oh sorry. Deed ik je pijn? Ik hoop dat je niet geschrokken bent. Word alsjeblieft niet boos. Ik zag je even niet. Of beter gezegd: ik weet niet precies waar jij begint. Dat is niet zo moeilijk. Want jij ziet ook niet waar ik ophoud. Het is hier namelijk nogal donker. Dat moet zo zijn natuurlijk, dat begrijp ik. Sommige dingen liggen zo voor de hand dat ze altijd makkelijk zullen blijven, ook zonder licht. Je bent dichtbij. Ik heb mijn ogen dicht. Dat is er een. We zijn samen. Dat is een ander. Ik hoef mijn hand maar uit te steken om je aan te raken, om je te pakken. Moeiteloos. Jij bent toch overal. Misschien wel daarom doe ik het niet. Ik weet niet eens of ik het al kan. Wacht even, dan ga ik anders liggen. Ja, beter zo, veel beter.

Deze duisternis is zo veilig, weet je. Niemand kan mij vinden, niemand ziet of weet dat ik hier samen met je ben. Ik ben steeds dieper en dieper in je doorgedrongen. Ik ben nu al zo ver in je gekomen dat ik door je hart ben opgezogen, verder kan ik niet. Ik voel jouw ritme kloppen in mijn bloed en zo stroom ik steeds weer door je heen, van onder naar boven, van links naar rechts in een eindeloze lus. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ik in je ben opgelost. Zo ben jij mij en ben ik deel van jou geworden.

Schuif je nog een stukje op? Mag ik nog wat dichter bij je komen? Ik heb niet veel ruimte van je nodig. Ik ben maar een letter in jouw woorden, ik ben een zuchtje in de adem van je stem. Ik voel dat je mij omsluit als de warme bol waarin ik ben. Ik golf met elke adem door je heen. Soms ga ik kopje onder in je zee. Ik ben omdat ik zwem.

Weet je het nog? Ik niet. Ik weet helemaal niets meer van vroeger, van voor ik was. Maar je zegt me zacht dat het geweldig was. Dat ik met je samenvloeide in een warme kloof die lokkend tussen je dijen gloeide. Nadat je klaarkwam ben ik zomaar in je aangespoeld. Ik ben een ster die viel en nooit van plan was om te blijven. Je liet me toe. Ik mag hier in je drijven.

Ik weet niets meer van al je wellustige welvingen en geraffineerde rondingen. Ze zijn helemaal niet nodig voor mij. Niemand kent je zo goed van binnenuit als ik dat kan. Ik ruik de geur van je hart, proef het zuur van je angst en het bitter van je woede. Als je lacht, dan dansen de getijden in de zee, het is een blije vloed die telkens sneller stroomt, ik voel de warme wanden van de oevers, die rekken zachtjes met me mee.

Ik weet niets van de dagen en de nachten. Ik ken je teddybeer pyjama’s niet. Jij ziet het licht en ik moet daarop wachten. Ik drijf langzaam groeiend in jouw rivier van bloed, de kliffen aan de hoge oevers grijpen mij. Je knelt me tussen kloppende en sidderende wanden, mijn doortocht in de nauwe doorgang doet je pijn.

Ik hoop dat je bent uitgerust. Want als het dag is wil ik slapen en in de nachten droom ik van je marmerwitte borsten, die wachten op de eerste druppel die ik kus.

Wat ik geleerd heb in het donker blijf jij onthouden in het licht. Ik ben dichtbij je en heb nog steeds mijn ogen dicht.

Celestio´s Bibliotheek

Pater Celestio staarde vanuit het raam van de kloosterbibliotheek naar de donkere heuvels aan de horizon. Daar stak het silhouet van een brandende stad grimmig af tegen de avondlucht, de vlammen sloegen uit de ramen van de huizen en gele vonken schoten de zwarte hemel in. De bewoners waren de stad voor de duivel ontvlucht en hadden hun toevlucht gezocht in de landerijen rondom het klooster. Voor de poort van de abdij was een kleine markt ontstaan waar werd gezongen, gedronken en gedanst. De geur van bier en verse broden steeg uit de kramen op, vermengd met de scherpe geur van het brandhout in de ovens.
Het waren turbulente tijden maar in het klooster had pater Celestio zich voorgenomen om alles stevig onder controle te houden. Zo had hij bijvoorbeeld enkele timmerlieden opdracht gegeven om vlak onder het raam van zijn bibliotheek een galg op te richten. Met voldoening en welbehagen keek hij een tijdje naar de voortgang van dit werk. Daarna sloot hij zorgvuldig de drie luiken van de bibliotheek en schoof glimlachend de zware grendels dicht.

Nu draaide hij zich om en keek begerig naar de jonge vrouw die hij in een grote kooi midden in de kloosterbibliotheek gevangen hield. Het was Annecke, een jonge dienstmaagd die door enkele kooplieden was beschuldigd van diefstal van een kruik wijn. Na een kort proces, waarin de ongelukkige zich niet tegen deze beschuldiging had kunnen verweren omdat haar leugenachtige tong in een ijzeren masker zat geklemd, was ze veroordeeld tot dwangopvoeding in het particuliere tuchthuis van de pater. Dit betekende in de praktijk dat zowel de duur als de omstandigheden van haar opsluiting af zouden hangen van haar gedrag. De beoordeling hiervan werd volledig aan pater Celestio toevertrouwd, een grote verantwoordelijkheid die hij namens de Kerk echter graag op zich nam.
De kooplieden hadden vandaag een bediende naar het klooster gestuurd, die Celestio als blijk van hun waardering een kruik wijn en een stuk gezouten geitenvlees kwam brengen. Dit was een sympathiek gebaar dat hij opvatte als een aanmoediging om de gevangene zo zwaar en zo langdurig mogelijk te tuchtigen. Op zijn beurt gaf Celestio de bediende knipogend een stapeltje aflaten mee voor de kooplieden en burgers in de stad.  Lees verder Celestio´s Bibliotheek

De Penalty Killer

Voor de finale van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Penalty Killer’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotische´whodunnit´  van maximaal 2000 woorden.’ Dit verhaal behaalde de derde plaats in de finale en daarmee won ik de derde prijs in de laatste EWA schrijfmarathon. Ik ben erg blij met deze ereplaats!

De Penalty Killer

Een ervaren rechercheur weet altijd wie de waarheid spreekt: dat is de klok die aan de muur hangt in de koffiehoek. Elke maandag zette ik daarom om tien voor negen mijn eerste kartonnen bekertje van de week onder het mondstuk van de koffieautomaat. Een druk op de knop deed het oude apparaat ratelen met het geluid van koffiebonen die gemalen werden. Het bruine vocht stonk naar afwas en ik spoelde mijn dromen ermee weg.

De maandagochtend lag dan voor me, met administratie om te doen en voetbal om over te praten. Praten over al gespeelde wedstrijden was fijn. Dan verdween de stilte en maakte plaats voor een wegwerpjas van kameraadschap.
‘Drie penalty’s, allemaal gemist.’
‘Begrijp jij dat nou?’
‘Ik had nou nog maar vijf goed in de Toto.’
Voetbal interesseerde me verder geen bal. Mijn weekend vulde ik door te vissen in een stadsvijver vol drijvend wier en plastic. Op zaterdagavond ging ik relaxen bij Noy op de Dordtselaan. Ze was niet knap, maar wel heel aardig. ‘Leegmaken?´ vroeg ze elke keer aan het eind van de massage, met mijn dikke geslacht in haar kleine hand. Als ik er wat bijlegde, schoof ze haar lippen over mijn eikel en dan loosde ik alles in haar mond. Daarna sloot ze de salon af en ging ik leeg naar huis, net op tijd om de samenvattingen te zien en af te wachten wat de Lotto deed. Alles was al die jaren hetzelfde, alles was te overzien. Lotto, Toto, de mond van Noy en de kantoorkoffie als maandagse mondspoeling. Alles was in evenwicht tot om 09.13 eindelijk de melding kwam die alles zou veranderen. Lees verder De Penalty Killer

De Appelboom

Voor ronde 8 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Appelboom.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 800 woorden waarin sprake is van een generatiekloof.’  Met dit verhaal ben ik geplaatst voor de halve finale. 

De Appelboom

Aan het eind van de middag sta ik in het huis van mijn vader voor het raam. Een man met een lange jas en grijze hoed loopt op straat. Hij kijkt angstig achterom, achtervolgd door de echo van zijn eigen stappen. Een vrouw in een witte jurk komt hem tegemoet. Verblind door de lage zon ziet hij haar niet aankomen en net op het moment dat hij over zijn schouder kijkt struikelt hij over haar lange schaduw. Ik zie het gebeuren maar begrijp het niet. Ik ben maar een kind dat speelt met schaduwkonijnen en lacht om de stemmen die opwaaien uit de echoput. ‘Wat voor kleur heeft God?’ vroeg ik ooit eens aan mijn vader. ‘Die kleur bestaat niet,’ zei hij. Daarna las hij verder in de krant.

‘Waar kom ik vandaan?’ vroeg ik mezelf vaak af. Die vraag was een stuk persoonlijker vanwege het antwoord. Een kind komt namelijk van de plaats waar nog geen schaduw is. Ik ken die plek heel goed – van horen zeggen. ‘In de ogen van je moeder’’ had mijn vader gezegd toen ik maar bleef zeuren waar die plek te vinden was. Ook had hij mij toevertrouwd dat het een donkere, wilde wereld was geweest, woest en ledig. Daarna had hij de rest van zijn leven gezwegen en door het beslagen raam naar de appelboom in de tuin gestaard, zijn hand zo krachtig om de leuning van zijn stoel geklemd dat zijn knokkels er wit van weggetrokken waren.

In het begin, toen mijn ouders hun jonge lijven nog elke dag in elkaar verstrengelden, hun leven een wilde cocktail van zaad en zweet en zoete tranen, was hij zo dicht bij mijn moeder geweest dat niets, zelfs de schaduw niet, tussen hen in was gekomen. Ook in het donker onder de dekens was geen spatje schaduw te zien geweest. Ik begreep later waarom de zaklamp altijd op hun nachtkastje lag, want je weet maar nooit zei mijn vader en een schaduw vlucht toch altijd als er licht op schijnt beaamde mijn moeder. Maar ondanks al hun voorzorgsmaatregelen is er uiteindelijk toch iets tussen mijn vader en de schaduw voorgevallen. En dat is niet verwonderlijk want een schaduw is altijd jong en verleidelijk: zij ontstaat pas als er licht op een ander lichaam valt. Het is daarom best wel logisch dat ik juist het meeste over de schaduw heb geleerd door te ontdekken wat mijn vader voor mij verborgen hield.

Vandaag kijk ik voor het eerst in het fotoalbum dat hij onderin de kast verstopt had. Ik glimlach om de snorren en de bakkebaarden- alleen de hond lijkt eigentijds. Ik sla een bladzijde om en laat het album daar openliggen.
Hannah was de zoveelste verkoopster in zijn damesmodezaak. Op de foto staat zij bij de appelboom in onze tuin terwijl de lage zon haar welgevormde schaduw aan mijn vaders voeten werpt. Hannah draagt een strak suede rokje en ik vermoed dat zij daaronder elke dag opnieuw een verse bos geurig schaamhaar liet groeien waar mijn vader zijn baard ‘s avonds in begroef, smakkend, likkend, opdringerig proevend, zijn oogwit geel van wilde nachten. Met het schuim van de schaduw tussen haar lippen zou zij hem daarna verslinden: soppend, kwijlend, duwend, trekkend – eerst zijn hongerige lid, dan de rest inclusief mijn moeder en de damesmodezaak.
Mijn hart klopt in mijn keel wanneer ik haar glanzende foto uit mijn vaders fotoalbum trek. Haar ogen schitteren triomfantelijk, het truitje trekt haar trotse tepels overeind. Ik kijk eerst naar de appelboom, dan naar de lange witte benen onder het donkere rokje. Ik knoop mijn broek los en trek me op haar foto af tot er heldergele sterretjes schitteren in mijn hoofd. Het voelt alsof mijn vader naar me kijkt als ik, voluit ejaculerend, mijn sperma over Hannah’s gezicht en borsten laat vloeien. Haar papieren glimlach verrimpelt onder de draderige vlek. Ik merk dat zaad niet hecht op de afdruk van een schaduw, het rolt vruchteloos van de glanzende foto op mijn tapijt.

Nadat ik mezelf heb bevredigd stap ik de tuin in. Klik klak klinkt het in de keuken, tik tok tikt het op de tegels in de tuin. Dat zijn mijn vaders stappen, een geluid dat zichzelf versterkt en vergroot tot een op de groei gekochte mantel van galm. Zijn bulderende echo rolt lomp in de richting van mijn tuin. Daar zit de schaduw stil en drinkt verfijnd haar thee, zij draagt een witte zonnehoed met lint.
Een onstuimige zomerstorm nadert in de verte. Ik zie hoe de bliksem het hart van de donder treft en zij hem eenmaal liefheeft met haar allesverterend vuur. Ik sta in de flikkering van de flits wanneer achter mij de schaduw dood uit de appelboom valt.
Ik draai me naar haar toe met het schijnsel van mijn vaders zaklamp in mijn hand.

 

Les Filles Fragiles

France, Département Haut Rhin, 1967

De camping aan het Meer van Kruth-Wildenstein was vol en mijn ouders hadden er net de tent opgezet. Ik zat op het randje van de stuwdam en keek uit over het meer in het licht van de ondergaande zon. Ik had honger en dat was niet zo vreemd. Een jongen van mijn leeftijd had altijd wel honger of trek. Maar verder had ik nergens zin in en zeker niet in het opzetten van een bungalowtent. Het gegniffel van de andere campinggasten om het gedoe van mijn moeder en het gestuntel van mijn vader was gewoon veel te pijnlijk. Aan de andere kant wilde ik zoveel dingen tegelijk dat ik nergens aan toe kwam. Het staren over het stille meer kwam nog het dichtste in de buurt van mijn allerdiepste wens: om alles wat het leven bood nu alvast in één allesomvattend moment te beleven. Zolang ik maar niets deed, hield ik alle mogelijkheden daartoe nog even open. Dat een daarvan zich al snel aan mij zou openbaren, kon ik toen nog niet vermoeden. Lees verder Les Filles Fragiles

As Time Goes By

Voor ronde 5 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘As Time Goes By.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 400 woorden vanuit het perspectief van een toevallige voorbijganger en maak hierbij gebruik van de ‘Show Don’t Tell techniek.’  Met dit verhaal behaalde ik de tweede plaats in deze ronde.

As Time Goes By

De sigaret bungelt in de mondhoek van de voorbijganger. Het wit van zijn oog is geel, de pupil verwijd, het rood doorlopen. Hij wandelt over de stenen brug, wetend dat zijn leven  inwisselbaar is met dat van de voorbijgangers die hem hier voorgingen. Een koude rilling trekt over zijn rug wanneer hij de streling van hun schaduw voelt.

Een straatlantaarn brandt gele gaten in de mist en twee gestalten doemen op aan de reling van de brug. De voorbijganger vertraagt zijn tred. Vanonder zijn donkere hoed tuurt hij naar een meisje dat een infanterist pijpt. Zij is jong, een leerling-verpleegster misschien. Een enorme soldatenlul hangt uit de gulp van zijn donkerblauwe uniform, het lid richt zich onweerstaanbaar op. Het rekt zich lui uit, vult zich rustig met zijn bloed in het lome ritme van haar zuigende mond. De groene ogen van het meisje schitteren als ze de voorbijganger aankijkt: glijdend met haar mond, draaiend met haar tong, zijn ballen zachtjes wrijvend met haar hand. Haar halflange zakkrabbelende nagels betoveren de soldaat, met haar zorgzame geilheid heeft zij de reus getemd.

Voelt dit meisje het hart van de soldaat al kloppen in haar mond? Datgene wat de voorbijganger niet ziet kleurt hij later met vermoedens in: De samengetrokken ballen, de witte klodders op haar kin, het zaad dat vast bleef plakken aan haar ring. De zoete geur van regen in haar haar, de stank van sigaretten in zijn ruwe, onbeholpen vuist. Het parfum dat zij vanavond draagt en dat hij zal blijven ruiken zolang hij leeft.

 De voorbijganger passeert hen met gespeelde onverschilligheid, stamelt een verontschuldigende groet in het voorbijgaan. Dan kijkt hij nog eenmaal om naar de man en het meisje. Elke avond vereeuwigd en verstrengeld in opeenvolgende verschijningen onder lantaarns op oude bruggen. Een straatmuzikant speelt ‘As time goes by’ op een gedeukte saxofoon; met elke aarzelende noot stelt hij een vraag aan de luisterende voorbijganger. Het antwoord is allang gegeven en ligt ergens tussen de achteloos geworpen munten onderin zijn zwarte open kist.

 Wanneer de voorbijganger thuiskomt verhangt hij zich op de zolder van zijn hospita aan een balk. Zijn levenloze lid staat er ferm van overeind in de plooien van zijn broek. De voorbijganger is een metafoor, alleen staat hij nergens meer voor. Hij doet niet meer mee, blijft nergens meer staan. Zijn lot was enkel om voorbij te gaan.

-/\-

(c) luckymanbooks 2017

Soundtrack: Dexter Gordon: As Time Goes By

De Laatste Kus

Ik schreef het verhaal ‘De Laatste Kus’ voor ronde 3 van de EWA schrijfmarathon 2017. De opdracht was: schrijf een erotisch verhaal van maximaal 250 woorden dat begint met de zin: Zij probeert zich te herinneren wie haar de sleutel heeft gegeven. Dit verhaal behaalde de eerste plaats in deze ronde. Veel leesplezier!

-/\-

De Laatste Kus

Zij probeert zich te herinneren wie haar de sleutel heeft gegeven. Een groep gemaskerde mannen is net in haar cel geweest met een bijbel en een laatste maaltijd voor haar executie van morgen. Toen ze weggingen heeft een van hen haar beetgepakt en in het gezicht gespuugd. Op dat moment drukte hij haar die sleutel in handen.

‘Herberg,’ had hij alleen maar gezegd.

Ze steekt haar hand door de tralies en maakt het slot open. Ze rent naakt de stad in, haar donkere krullen nat van de regen, koude druppels glinsteren in haar donkere schaamhaar. Op blote voeten glijdt ze over de natte keien, tot ze bij de herberg komt in een donkere steeg. De man zwaait de deur open.  ‘Kom,’ zegt hij.

Er staat een houten bed, een flakkerende kaars verlicht het schamele vertrek. In het gele licht ziet ze hem, zijn sterke lijf en zijn felle ogen. Hij grijpt haar beet en zij gaat, dronken van het leven, met hem mee in de roes van lust en geilheid. Hij vervult haar met harde stoten die het warm doen kloppen in haar schoot. Het is een eindeloos orgasme waarop ze wegdeint in opeenvolgende golven die openen en sluiten tot ze langzaam wegebben en ze wegsmelt in zijn laatste kus.

De zon is op en de kaars is uit. Verbijsterd ziet ze dat hij opstaat, zijn masker opdoet en zijn bijl pakt. Dan leidt hij haar met rinkelende ketenen naar buiten, waar de wraakzuchtige meute op haar wacht.

tekst: (c) luckymanbooks 2017

Pagina 49

In een oud boek las ik een herinnering aan iets dat ik zelf nog niet had meegemaakt. Er liep een traan van ontroering langs mijn wang toen ik de bladzijden van het laatste hoofdstuk omsloeg. Het verhaal was zo mooi dat ik het niet eens helemaal begreep. Ik las het daarom steeds weer, steeds opnieuw vanaf het begin en uiteindelijk kende ik alle woorden uit mijn hoofd.
In het boek kwam een oude woning voor met gordijnen voor de ramen en een vrouw die ze zachtjes open schoof. Helder licht viel de kamer binnen, ik zag het kippenvel op de bovenkant van haar billen en haar huid trok daar even trillend samen. Ze was groots in al haar stille pracht en de schrijver liet mij zelfs even schuilen in de schaduw van haar hand. Ik geef toe: ik had nog nooit een vrouw gezien. Toch gaf dat niet. Het boek bracht mij steeds weer naar de plek waar de herinnering aan haar werd bewaard.

25 maart 2517

Ik zat op de trappen van de marmeren fontein. Eeuwen geleden had er water uit de waterspuwers gestroomd, maar nu was alles dor en droog. Het rode stof verwaaide en wervelde omhoog, opgezogen door de donkere slurf van een windhoos. De zon was niet meer dan een licht vermoeden achter het donkere wolkendek. Ik rekte me uit – armen naar boven, hoofd in de nek, schouders naar achteren – en ademde de hitte van de stad zo diep in dat mijn longen ervan gloeiden. Zou er ooit nog iemand komen? Ik stond op, stak het plein over en stapte de overwoekerde stad binnen. Lees verder Pagina 49

De Hippiekoningin

“Het voelt eindelijk alsof het herfst is,” zei de Hippiekoningin in zichzelf. Een halve eeuw geleden had zij gezien hoe Jimi Hendrix zijn gitaar verbrandde op het Monterey Popfestival. Nu leefde zij teruggetrokken in haar laatste toevluchtsoord: de peepshow in het souterrain van de new age winkel aan de Rozenlaan. Ik had er net een paar reflexologie sandalen aangeschaft en wierp het wisselgeld in de gleuf van de automaat. Het luikje klapte open en door het glas keek ik naar de Hippiekoningin. Ze zag er tijdloos meisjesachtig uit. Van alle meiden die met swingende heupen en schuddende borsten in de midzomerzon hadden gedanst was zij als enige overgebleven. De oude liefdeszomer had tientallen kalenders overleefd maar leek nu eindelijk voorbij.

“Ik vind het fijn dat je naar me bent komen kijken,” zei de Hippiekoningin. “Ik krijg niet veel bezoek meer. Eerst had iedereen het te druk met werken en nu zijn ze allemaal te oud om nog te komen.”

“Of te dood,” opperde ik.

“Je hoeft niet dood te zijn om niet meer bij je Koningin te komen. Dood zijn is geen excuus hoor.”

“Ik heb je dochters gezien,” zei ik.

“Ze zijn zeker al groot, is het niet?”

Ik wist niet wat ik haar moest zeggen. Haar dochters zaten achter de webcam en wisten niet wie hun moeder was. De Hippiekoningin lag jong en goed geconserveerd achter het glazen raam in haar vitrine. Zij was naakt en rookte een joint.  

“Nou? Zijn ze al in India of Afghanistan geweest?”

“Misschien naar India. Afghanistan is niet meer zo in trek. De meesten gaan tegenwoordig naar Ibiza.”

De Hippiekoningin draaide zich naar mij toe. Ze legde haar slanke hand plat op het glas van de vitrine. Ik kon de lijntjes op haar handpalm zien. Ze keek me wanhopig aan, als een tot levenslang veroordeelde gevangene. “Kom bij me. Er is al zo lang niemand meer bij me geweest,” zei ze zacht. “Mijn dochters zijn uit mijn idealen geboren. Maar ik niet. Ik wil ermee gaan stoppen.”

Stoppen? Dat nooit, dacht ik. Integendeel: hier in de cabine van de peepshow zou ik de ultieme liefde met haar willen bedrijven. Met haar gave, gladde handpalmen zou zij mijn gezicht strelen en haar vingertoppen langs mijn lippen laten glijden tot op mijn kin.  Zij zou dan mijn overhemd openknopen en door mijn borsthaar kroelen, mijn tepels plagend prikkelen met haar tong en natte lippen. Ze zou zich daarna op mij storten als een uitgehongerde wolvin, haar hoofd begraven in mijn schoot en mij lurkend, slurpend en slikkend naar stratosferische hoogtes pijpen.  Als parende slangen zouden we daarna langzaam en langdurig in en uit elkaar glijden, verstrengeld in een kronkelende dans rondom haar natte roze spelonk, waarachter ik een majesteitelijke holte vermoedde. Ik wilde maar een ding: afdalen in de peilloze diepte tussen haar heupen en daar wegsmelten in haar warme koninginnengelei.   

En dat zou alleen nog maar het voorspel zijn want in haar ogen zag ik dat zij smachtte naar het slotakkoord.

Haar roodverbrande lichaam was nog jong, met volle vrouwelijke rondingen, gewelfd als een Gibson gitaar met een goedgevulde klankkast. Ik wilde haar nog eenmaal laten klinken met een zwaar en donker grommend riff. Een akkoord zo diep dat zelfs dode muzikanten voor haar op zouden staan uit de groeven van de live elpee die eeuwig op de Grote Platenspeler ronddraaide.  

Ik stapte het podium op. Het rode lampje van haar versterker brandde. Ik hing haar als de Gibson om mijn nek en mijn trillende vingers gleden over de fretten van haar lange hals. Met mijn mond beroerde ik de ruimte tussen hals en brug en net als Hendrix op Monterey bespeelde ik haar met mijn tong, mijn tanden, mijn hart en mijn ziel. Toen het akkoord klonk en zij in mijn armen zong en trilde, ergens in het interval tussen grondtoon en kwint, in de hemelse ruimte tussen onze oren, kwamen we tegelijk klaar. Ik sproeide haar onder met vurig zaad dat ontvlamde en haar gewelfde klankkast verschroeide, de toeschouwers vele decennia later nog verbijsterd achterlatend.

Het glas van de vitrine brak onder het geweld van onze samensmeltende zielen en in mijn armen verouderde de Hippiekoningin tot ze er net zo vermoeid uit zag als mijn idealen. Het was nog goed te zien hoe mooi zij was geweest op de dag dat ik had gezworen eeuwig van haar te blijven houden. Dankbaar liet ik haar gaan. Buiten snoof ik de frisse stadslucht op. Ook mijn zomer mocht nu eindelijk voorbij zijn.

-/\-

Tekst: (c)2016 luckymanbooks

Illustratie: (c) 2015 Alexander Halo

Le Rêve

Scène 1: De Jeugdherberg

De zon scheen door het glas-in-loodraam de hal van de jeugdherberg binnen. ‘Voor de jeugd, van de jeugd, Ermelo 1947’ stond er.  Het witte licht werd gefilterd door de gebrandschilderde ruiten en viel met een roodgele gloed op mijn gezicht. In dat licht stond ik op stevige wandelschoenen te stralen met een kop thee in mijn hand en Lenie, Mia en Puk aan mijn zijde. We stonden al stevig in onze schoenen maar konden nog net niet op eigen benen staan. We zagen er alle vier goed uit, jong, meisjesachtig, vrouwelijk, fris en levenslustig. Niemand van ons had ooit een ring gedragen, onze nagels waren nog nooit gelakt.  Onszelf noemden we: ‘De Zweetdroppels’ vanwege al het corvee in de jeugdherbergen die we op onze trektocht over de Veluwe aandeden. We waren alle vier nog maagd en dat zouden we nog wel even blijven, tot we trouwden of desnoods tot we doodgingen. Daar was niets verontrustends aan. Er stond altijd wel ergens een emmer met groene zeep en een vettige grijze dweil die uitgewrongen moest worden en anders zou die dweil of uiteindelijk het leven zelf ons wel uitwringen. Het was het een of het ander. Het leven was overzichtelijk. En zelfs het ogenschijnlijk meest nutteloze had toch altijd ergens nut.

Verder was het allemaal precies zoals nu en zelfs het weer was soms hetzelfde. We wisten niet dat we in het verleden leefden. Op de foto’s zag het er natuurlijk anders uit. Nee, we leefden niet in zwart wit, we woonden niet in lelijke kamers. Als ik eraan denk, was het leven toen eigenlijk kleurrijker dan nu. Voor mij tenminste. Andere mensen moeten dezelfde kleuren als ik gezien hebben, in hetzelfde licht. Maar misschien waren ze zelf gaan geloven dat het in zwart wit was, net zoals op de foto’s in hun albums. Misschien geloofden ze op dezelfde manier in een scherpe lijn tussen goed en fout, ik weet het niet. Ik ben alles pas in een ander licht gaan zien nadat ik hem ontmoette. En het roodgele licht dat die ochtend in Ermelo door het glas-in-loodraam viel was daar de voorbode van. lees hier verder