Tagarchief: erotisch verhaal

Dear Mr. Fantasy

Een week bestaat maar uit twee dagen: een maandag en een vrijdag. Dat zijn vier momenten: het einde van de week, het begin van het weekend en het begin van de werkweek dat bij het einde van het weekend hoort. Wat er tussenin gebeurt is urenvulling en minder van belang. Zolang de maandag niet weet wat de vrijdag deed wil de vrijdag namelijk ook niet weten dat het maandag wordt.
Toch heb ik het op maandagochtend altijd erg moeilijk. Dat ligt niet aan mij of aan de maandag. Nee,  het komt allemaal door Koolhoven.

Koolhoven staat op maandag zo plomp voor het koffieapparaat dat iedereen die koffie pakt ‘goedemorgen Koolhoven, sorry mag ik er even bij’ tegen hem moet zeggen. Ik kijk naar de stijve haartjes die uit Koolhovens neus en oren piepen. Hij begint daar van binnen behoorlijk grijs te worden. Ik huiver en denk aan het lot van de kapster die hem daar misschien eens zou moeten knippen.
Koolhoven neemt een gewichtige slok uit een kartonnen bekertje en slikt de koffie klokkend door. ‘Afgelopen zaterdag’ zegt hij. ‘Afgelopen zaterdag ben ik met Anja naar de sauna geweest.’
Yvette van de afdeling Externe Relaties staat schichtig terzijde. Ze heeft vandaag haar camelkleurige jurkje aan en glimlacht in gedekte tinten. We weten allebei dat Koolhoven zo gaat vragen hoe ons weekend was.
En jij ? vraagt hij aan mij. ‘Hoe was jouw weekend?’ Ik zoek de ogen van Yvette maar ze heeft heet water voor haar thee gepakt en is verdwenen achter een grote plant.
Koolhoven kijkt me vriendelijk aan met fletse blauwe ogen. ‘Nou?’ vraagt hij. ‘Nog wat leuks gedaan?’
‘Lekker rustig,’ zeg ik. Ik heb het terras in de tuin schoongespoten.’ Koolhoven knikt begrijpend. ‘Mooi´ zegt hij. ‘Lekker in je tuin bezig geweest. Zo spaar je heel wat geld uit. Jij bent tenminste niet zo zweverig als onze Yvette haha. Waar is ze trouwens gebleven? Zeker nog even met paarden en bomen gaan praten. Is het alweer vijf over negen? Gauw aan het werk dan maar, anders hebben we een probleem.’
‘Ja,’ zeg ik. ‘We zijn ongeveer precies op tijd. Je kunt maar beter op je plek zitten voor het geval er iemand onaangekondigd belt.’

Op vrijdagmiddag zit ik bij de kapper en ben ik eventjes van Koolhoven verlost. Een kille wind waait langs mijn gezicht als het kappersmeisje langs mijn spiegel loopt. Haar schaduw doet het glas beslaan.
Hè wat een kou. Doe jij dat of is het de tocht? vraag ik.
Ze doet een dreigend pasje in de richting van de spiegel.
‘Ik bén die kilte,’ zegt ze met een lage stem. Mijn ziel is donker, mijn geest is duister, mijn hart is zwart en koud,’ ratelt ze in een sinistere mantra.
Ze kijkt me aan met een gezicht vol nauwelijks bedwongen pret en barst dan in lachen uit. Haar blauwe ogen stralen, haar haar hangt in donkerbruine slierten voor haar gezicht.
‘Ben jij een heks of zo,’ vraag ik aan haar stralende spiegelbeeld.
‘Ik ben geen heks maar leerling-kapster’ zegt ze. Hoewel ze geen heks zegt te zijn pakt ze toch een bezem en begint het haar van mijn voorganger onder mijn stoel weg te vegen.
‘Zijn Kim en Savannah er vandaag niet?’ vraag ik ongerust, maar ze geeft geen antwoord en zet de getande kop van een tondeuse op mijn hoofd. Het staal van de ijzeren kam schraapt hard en koud over mijn hoofdhuid. Ze scheert me onhandig en ruw, alsof ze een boerin is en ik haar schaap.
‘Ik heb gisteren een horrorfilm over heksen gezien,’ zegt ze. Houd je ook van horror?’
Ik zeg dat ik niet zo vaak naar films kijk. Maar dat ik het wel leuk vind klinken wanneer zij zegt dat het horror is. Ik zie dat haar lippen grappig tuiten, telkens als ze ´horror´ zegt.
Zij is heel anders dan Yvette die nooit eens zegt dat ze van horror houdt. Die valt alleen op omdat ze vaak langdurig thee drinkt met jonge mannen in de koffiehoek.
Ik denk: Ik zou het helemaal niet erg vinden als je een heks was.

Ken je Dear Mr. Fantasy? vraag ik daarom aan het meisje, terwijl ik het scherpe blad van haar kappersmes in mijn nek voel. Het is een liedje uit de hippietijd dat zij onmogelijk kan kennen. Als ze echt leerling-kapster is zal ze denken dat het de titel van een of andere Netflix-serie is. Maar als ze werkelijk een heks is zal ze het liedje kennen omdat ze eigenlijk heel erg oud is. Ik wacht gespannen af. ‘Steve Winwood hè,’ zegt ze. ‘Ja die ken ik goed. Mijn opa hield daar vroeger van. Hij speelde ook hammondorgel.’
Houd hij er nu niet meer van?
‘Hij speelt al jaren geen orgel meer’ zegt ze kort.
Ik zie dat ze bloost en voel dat ze het mes op mijn huid drukt. Ze gooit mijn afgeschoren haren in de prullenbak.
‘Wow dat je dat liedje kent! Je bent blijkbaar toch veel ouder dan je er uit ziet’ zeg ik.
Ze moet er van lachen. ‘Ik ben altijd jong geweest,’ zegt ze. ‘Ik houd van oude dingen doen. Ik ben een soort van tijdreiziger die in een eindeloze lus door het multiversum gaat.’ Haar ogen poppen bijna uit de kassen van vrolijkheid.
‘Als je echt een heks bent, mag ik dan mijn ziel aan je verkopen? vraag ik.
‘Verkopen?’ vraagt ze verbaasd. ‘Hoezo? Is die ziel van jou wat waard dan?’
Ze laat haar hand over mijn schedel glijden. Ik krijg een stijve van die streling. Nu pas zie ik dat ze me helemaal heeft kaalgeschoren. Zelfs mijn wenkbrauwen zijn met het mes verwijderd zonder dat ik er erg in had. Nu is er geen twijfel meer mogelijk: dit meisje is een heks.

Om onze prille relatie te vieren gaan we samen fastfood eten.
Ik laat het autoraampje zakken bij de luidspreker van de KFC drive-in.
‘Wat wilt u bestellen?’
‘Doe maar een ja wat wil jij eigenlijk?’
Ze kijkt afwezig, speelt met een oud en vuil ringetje dat om haar middenvinger knelt. Het goedkope ijzer drukt strak in het vlees. Ik wil haar vragen of het knelt of pijn doet. Ik wil ook weten of haar vinger tintelt als die vochtig wordt. Ik bestel wat nuggets en twee drankjes.
Het zweet parelt op mijn kaalgeschoren hoofd wanneer een slungelige jongen het uitgifteraampje van de drive-through openschuift. Hij kijkt bezorgd naar mijn wenkbrauwloze gezicht en de leerling-kapster naast me op de bijrijdersstoel. Zij staart voor zich uit, speelt met het vieze ringetje, frummelt aan wat dode haarpuntjes, kijkt bezorgd naar wat grijze plukjes.
De jongen richt zich nu glimlachend tot mij. ‘Zo wat gaat het vanavond worden meneer?’ Zijn blik blijft even hangen op de puntige borsten van het meisje. ‘Een pittig kippetje als vroege maaltijd of als late snack? Weet u wat? Ik doe er wat Creamy Buffalo saus bij voor de dame. Veel plezier ermee.’
Hij geeft me de bruine zak met gefrituurde kipresten. We rijden naar een parkeerplek. Daar wil ik een gepaneerde nugget pakken.

‘Nee niet doen,’ zegt ze.
Ze pakt het doosje van me af. Dan zakt ze wat onderuit en legt het doosje nuggets tussen haar benen. Langzaam doet ze het dekseltje open. Er komt een smerige, weeïge geur vanaf.
‘Eet de nuggets uit dit doosje,’ zegt ze. Een voor een. Niet je handen gebruiken.’
Voorzichtig buig ik voorover naar haar kruis, met mijn handen steun ik op haar dijen. Ik pak de eerste nugget voorzichtig tussen mijn tong en bovenlip vast.
‘Lekker,’ zeg ik. Een beetje vreemd om zo te eten. Maar wel lekker. Ik vind het leuk.’
‘Heb je al een stijve?’ vraagt ze.
‘Eh… zal ik het je laten zien?’
‘Nee ik wil het niet zien. Ik wil alleen weten of je een stijve krijgt wanneer je vette plofkip uit mijn doosje eet.’
‘Nee, ik heb geen stijve,’ zeg ik gedempt, met mijn mond tegen het vettige karton gedrukt.
‘Goed zo,’ zegt ze. Ze zwaait het portier open, stapt uit en loopt de berm in.
‘Wat doe je nou?’ zeg ik. ‘Moet je plassen?’
‘Nee,’ zegt ze. Ze zucht en kijkt ongerust naar haar dode puntjes. ‘Ik voel me alleen een beetje oud en slap. Ik heb wat maanlicht nodig. ‘Kijk,’ zegt ze en wijst op de bloemen in de berm. ‘Sint Janskruid. Heel veel, zie je? Je wilde toch weten of ik een heks was?’
Tegen de achtergrond van de neonlichten van de KFC, in een berm vol Sint Janskruid,  begint ze haar kleren uit te trekken. Haar witte huid schittert in het bleke maanlicht, het suizen van de banden van de auto´s op de snelweg in de verte lijkt verstomd. Ze is klein en ongeschoren, haar borsten glanzen in een manestraal, het koude licht schittert in haar ogen, haar haar valt voor haar gezicht wanneer ze naakt de bloemen plukt. De lucht wordt lauw en mistig en de berm ruikt naar drassig licht.
Even later zitten we samen in de berm, zij plukt de blaadjes van de bloemen en stopt ze in mijn mond.
‘Wat doe je met me,’ vraag ik. ‘Die bloemen, wat gaan ze doen?’
‘Niets,’ zegt ze. ‘Die bloemen doen niets voor je. Je moet alles zelf doen. Wil je me nu je stijve laten zien?’
Ik trek mijn broek naar beneden en laat mijn stijve hoopvol aan de kapster zien. Ze vertrekt echter geen spier en blijft me aandachtig bloemetjes voeren. Haar dode puntjes zijn verdwenen en haar bruine haren glanzen stijlvol in het maanlicht.
Ik wil haar zoenen maar ze wendt haar gezicht af.
‘Je hebt je stijve aan je kapster laten zien en je hebt gefrituurde kip uit haar doosje gelikt. Je hebt zelfs de bloemetjes gegeten die een naakte heks je heeft gevoerd.’
‘Ja,’ zeg ik. Je wilde best wel veel op onze eerste date als je het zo bekijkt.’
‘Zie je wel?’ zegt ze. ‘Vanaf nu moet je je eigen fantasie gaan gebruiken. Deze bloemetjes helpen je daarbij. Je hebt er nu wel genoeg van gegeten om de week mee door te komen, denk je ook niet?’
Wanneer ze wegrijdt kijk ik haar rondkontige rode scooter na. Een wolk schuift voor de maan en het rode neonlicht van de KFC dooft, nog voor ze om de hoek verdwenen is.

Op maandagochtend word ik dus gewoon weer wakker in mijn eigen bed. Als ik me in de badkamer wil gaan scheren en het mesje op mijn kin zet zie ik het meisje in de spiegel. Ik voel haar vingers over mijn hoofdhuid gaan. Er liggen bloemetjes op de wastafel en er staat een bezem in de gang. Ik slik een handvol bloemblaadjes door, stap naar buiten, loop over bemoste tegels mijn tuinpad af en trek het hekje dicht. Onderweg naar mijn werk zet ik het gezicht op van iemand die in het weekend het terras heeft schoongespoten en daarbij een beetje is uitgeschoten.

‘Jezus, wat loop jij voor lul,’ zegt Koolhoven bij de maandagochtendkoffie. ‘Naar wat voor kapper ben jij in godsnaam geweest? Je ziet er uit als een zieke kanarie. Oh wacht eens. Is het alweer zes over negen? We mogen wel opschieten. Dadelijk belt er nog iemand voordat we op onze plek zitten en dan hebben we een probleem haha.’
Yvette fluistert tegen me dat ik tegen Koolhoven had moeten zeggen dat kaal een keuze is. Daarna trekt ze zich snel terug achter de plantenbak in de koffiehoek. Ik heb gezien dat er sinds het weekend een nieuw ringetje glimt aan haar middelvinger. Een uurtje later staat ze met blosjes op de wangen in heftig debat met een nieuwe medewerker. 
Ik kijk naar Yvette terwijl ze met hem praat. Ik stel me voor dat zij haar bekken een beetje naar achteren kantelt, haar camelkleurige jurkje omhoog stroopt en daarna over haar schouder naar hem kijkt. ‘Kom maar,’ zegt ze met haar ogen.
‘Kom maar,’ fluisteren mijn lippen in respectvolle extase, maar ik schrik op uit mijn overpeinzingen als ik de dorre stem van Koolhoven hoor kraken. ‘En?’ zegt hij. Hoe was je weekend, Yvette?’

‘Zo dat was de maandag weer,’ hoor ik Koolhoven aan het eind van de dag zeggen nadat hij zich in het wc hokje naast mij met veel misbaar ontlast heeft. Wanneer hij doortrekt begint de genialiteit van Koolhovens visie op de week eindelijk tot me door te dringen. Het kantoor waar ik werk is eigenlijk helemaal niet zo saai. Je kunt er vrijuit fantaseren dat je collega´s met elkaar neuken terwijl je zelf doet of je werkt.  Maar als je geen fantasie hebt zul je uiteindelijk merken dat je op je werk tegen je eigen ontlasting begint te praten, zoals Koolhoven inmiddels doet.
Ik kijk op de heren wc in de spiegel en zie de glimlach van mijn kapster. Ze staat achter me en drukt de tondeuse zo hard op mijn hoofd dat het bloedt. Ik begrijp haar boodschap. Ik ga eens flink de bezem door mijn leven halen.
Ik kan nu al niet meer wachten tot het maandag wordt.

-/\-

 

De Eerste Druppel

Voor de wedstrijd Het Rode Oor, georganiseerd door DeBuren, stuurde ik het verhaal ‘De Eerste Druppel’ in. Helaas haalde het de finale van Het Rode Oor niet, maar je kunt hier genieten van: De Eerste Druppel:

De Eerste Druppel

Oh sorry. Deed ik je pijn? Ik hoop dat je niet geschrokken bent. Word alsjeblieft niet boos. Ik zag je even niet. Of beter gezegd: ik weet niet precies waar jij begint. Dat is niet zo moeilijk. Want jij ziet ook niet waar ik ophoud. Het is hier namelijk nogal donker. Dat moet zo zijn natuurlijk, dat begrijp ik. Sommige dingen liggen zo voor de hand dat ze altijd makkelijk zullen blijven, ook zonder licht. Je bent dichtbij. Ik heb mijn ogen dicht. Dat is er een. We zijn samen. Dat is een ander. Ik hoef mijn hand maar uit te steken om je aan te raken, om je te pakken. Moeiteloos. Jij bent toch overal. Misschien wel daarom doe ik het niet. Ik weet niet eens of ik het al kan. Wacht even, dan ga ik anders liggen. Ja, beter zo, veel beter.

Deze duisternis is zo veilig, weet je. Niemand kan mij vinden, niemand ziet of weet dat ik hier samen met je ben. Ik ben steeds dieper en dieper in je doorgedrongen. Ik ben nu al zo ver in je gekomen dat ik door je hart ben opgezogen, verder kan ik niet. Ik voel jouw ritme kloppen in mijn bloed en zo stroom ik steeds weer door je heen, van onder naar boven, van links naar rechts in een eindeloze lus. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ik in je ben opgelost. Zo ben jij mij en ben ik deel van jou geworden.

Schuif je nog een stukje op? Mag ik nog wat dichter bij je komen? Ik heb niet veel ruimte van je nodig. Ik ben maar een letter in jouw woorden, ik ben een zuchtje in de adem van je stem. Ik voel dat je mij omsluit als de warme bol waarin ik ben. Ik golf met elke adem door je heen. Soms ga ik kopje onder in je zee. Ik ben omdat ik zwem.

Weet je het nog? Ik niet. Ik weet helemaal niets meer van vroeger, van voor ik was. Maar je zegt me zacht dat het geweldig was. Dat ik met je samenvloeide in een warme kloof die lokkend tussen je dijen gloeide. Nadat je klaarkwam ben ik zomaar in je aangespoeld. Ik ben een ster die viel en nooit van plan was om te blijven. Je liet me toe. Ik mag hier in je drijven.

Ik weet niets meer van al je wellustige welvingen en geraffineerde rondingen. Ze zijn helemaal niet nodig voor mij. Niemand kent je zo goed van binnenuit als ik dat kan. Ik ruik de geur van je hart, proef het zuur van je angst en het bitter van je woede. Als je lacht, dan dansen de getijden in de zee, het is een blije vloed die telkens sneller stroomt, ik voel de warme wanden van de oevers, die rekken zachtjes met me mee.

Ik weet niets van de dagen en de nachten. Ik ken je teddybeer pyjama’s niet. Jij ziet het licht en ik moet daarop wachten. Ik drijf langzaam groeiend in jouw rivier van bloed, de kliffen aan de hoge oevers grijpen mij. Je knelt me tussen kloppende en sidderende wanden, mijn doortocht in de nauwe doorgang doet je pijn.

Ik hoop dat je bent uitgerust. Want als het dag is wil ik slapen en in de nachten droom ik van je marmerwitte borsten, die wachten op de eerste druppel die ik kus.

Wat ik geleerd heb in het donker blijf jij onthouden in het licht. Ik ben dichtbij je en heb nog steeds mijn ogen dicht.

Celestio´s Bibliotheek

Pater Celestio staarde vanuit het raam van de kloosterbibliotheek naar de donkere heuvels aan de horizon. Daar stak het silhouet van een brandende stad grimmig af tegen de avondlucht, de vlammen sloegen uit de ramen van de huizen en gele vonken schoten de zwarte hemel in. De bewoners waren de stad voor de duivel ontvlucht en hadden hun toevlucht gezocht in de landerijen rondom het klooster. Voor de poort van de abdij was een kleine markt ontstaan waar werd gezongen, gedronken en gedanst. De geur van bier en verse broden steeg uit de kramen op, vermengd met de scherpe geur van het brandhout in de ovens.
Het waren turbulente tijden maar in het klooster had pater Celestio zich voorgenomen om alles stevig onder controle te houden. Zo had hij bijvoorbeeld enkele timmerlieden opdracht gegeven om vlak onder het raam van zijn bibliotheek een galg op te richten. Met voldoening en welbehagen keek hij een tijdje naar de voortgang van dit werk. Daarna sloot hij zorgvuldig de drie luiken van de bibliotheek en schoof glimlachend de zware grendels dicht.

Nu draaide hij zich om en keek begerig naar de jonge vrouw die hij in een grote kooi midden in de kloosterbibliotheek gevangen hield. Het was Annecke, een jonge dienstmaagd die door enkele kooplieden was beschuldigd van diefstal van een kruik wijn. Na een kort proces, waarin de ongelukkige zich niet tegen deze beschuldiging had kunnen verweren omdat haar leugenachtige tong in een ijzeren masker zat geklemd, was ze veroordeeld tot dwangopvoeding in het particuliere tuchthuis van de pater. Dit betekende in de praktijk dat zowel de duur als de omstandigheden van haar opsluiting af zouden hangen van haar gedrag. De beoordeling hiervan werd volledig aan pater Celestio toevertrouwd, een grote verantwoordelijkheid die hij namens de Kerk echter graag op zich nam.
De kooplieden hadden vandaag een bediende naar het klooster gestuurd, die Celestio als blijk van hun waardering een kruik wijn en een stuk gezouten geitenvlees kwam brengen. Dit was een sympathiek gebaar dat hij opvatte als een aanmoediging om de gevangene zo zwaar en zo langdurig mogelijk te tuchtigen. Op zijn beurt gaf Celestio de bediende knipogend een stapeltje aflaten mee voor de kooplieden en burgers in de stad.  Lees verder Celestio´s Bibliotheek

De Penalty Killer

Voor de finale van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Penalty Killer’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotische´whodunnit´  van maximaal 2000 woorden.’ Dit verhaal behaalde de derde plaats in de finale en daarmee won ik de derde prijs in de laatste EWA schrijfmarathon. Ik ben erg blij met deze ereplaats!

De Penalty Killer

Een ervaren rechercheur weet altijd wie de waarheid spreekt: dat is de klok die aan de muur hangt in de koffiehoek. Elke maandag zette ik daarom om tien voor negen mijn eerste kartonnen bekertje van de week onder het mondstuk van de koffieautomaat. Een druk op de knop deed het oude apparaat ratelen met het geluid van koffiebonen die gemalen werden. Het bruine vocht stonk naar afwas en ik spoelde mijn dromen ermee weg.

De maandagochtend lag dan voor me, met administratie om te doen en voetbal om over te praten. Praten over al gespeelde wedstrijden was fijn. Dan verdween de stilte en maakte plaats voor een wegwerpjas van kameraadschap.
‘Drie penalty’s, allemaal gemist.’
‘Begrijp jij dat nou?’
‘Ik had nou nog maar vijf goed in de Toto.’
Voetbal interesseerde me verder geen bal. Mijn weekend vulde ik door te vissen in een stadsvijver vol drijvend wier en plastic. Op zaterdagavond ging ik relaxen bij Noy op de Dordtselaan. Ze was niet knap, maar wel heel aardig. ‘Leegmaken?´ vroeg ze elke keer aan het eind van de massage, met mijn dikke geslacht in haar kleine hand. Als ik er wat bijlegde, schoof ze haar lippen over mijn eikel en dan loosde ik alles in haar mond. Daarna sloot ze de salon af en ging ik leeg naar huis, net op tijd om de samenvattingen te zien en af te wachten wat de Lotto deed. Alles was al die jaren hetzelfde, alles was te overzien. Lotto, Toto, de mond van Noy en de kantoorkoffie als maandagse mondspoeling. Alles was in evenwicht tot om 09.13 eindelijk de melding kwam die alles zou veranderen. Lees verder De Penalty Killer

De Appelboom

Voor ronde 8 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Appelboom.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 800 woorden waarin sprake is van een generatiekloof.’  Met dit verhaal ben ik geplaatst voor de halve finale. 

De Appelboom

Aan het eind van de middag sta ik in het huis van mijn vader voor het raam. Een man met een lange jas en grijze hoed loopt op straat. Hij kijkt angstig achterom, achtervolgd door de echo van zijn eigen stappen. Een vrouw in een witte jurk komt hem tegemoet. Verblind door de lage zon ziet hij haar niet aankomen en net op het moment dat hij over zijn schouder kijkt struikelt hij over haar lange schaduw. Ik zie het gebeuren maar begrijp het niet. Ik ben maar een kind dat speelt met schaduwkonijnen en lacht om de stemmen die opwaaien uit de echoput. ‘Wat voor kleur heeft God?’ vroeg ik ooit eens aan mijn vader. ‘Die kleur bestaat niet,’ zei hij. Daarna las hij verder in de krant.

‘Waar kom ik vandaan?’ vroeg ik mezelf vaak af. Die vraag was een stuk persoonlijker vanwege het antwoord. Een kind komt namelijk van de plaats waar nog geen schaduw is. Ik ken die plek heel goed – van horen zeggen. ‘In de ogen van je moeder’’ had mijn vader gezegd toen ik maar bleef zeuren waar die plek te vinden was. Ook had hij mij toevertrouwd dat het een donkere, wilde wereld was geweest, woest en ledig. Daarna had hij de rest van zijn leven gezwegen en door het beslagen raam naar de appelboom in de tuin gestaard, zijn hand zo krachtig om de leuning van zijn stoel geklemd dat zijn knokkels er wit van weggetrokken waren.

In het begin, toen mijn ouders hun jonge lijven nog elke dag in elkaar verstrengelden, hun leven een wilde cocktail van zaad en zweet en zoete tranen, was hij zo dicht bij mijn moeder geweest dat niets, zelfs de schaduw niet, tussen hen in was gekomen. Ook in het donker onder de dekens was geen spatje schaduw te zien geweest. Ik begreep later waarom de zaklamp altijd op hun nachtkastje lag, want je weet maar nooit zei mijn vader en een schaduw vlucht toch altijd als er licht op schijnt beaamde mijn moeder. Maar ondanks al hun voorzorgsmaatregelen is er uiteindelijk toch iets tussen mijn vader en de schaduw voorgevallen. En dat is niet verwonderlijk want een schaduw is altijd jong en verleidelijk: zij ontstaat pas als er licht op een ander lichaam valt. Het is daarom best wel logisch dat ik juist het meeste over de schaduw heb geleerd door te ontdekken wat mijn vader voor mij verborgen hield.

Vandaag kijk ik voor het eerst in het fotoalbum dat hij onderin de kast verstopt had. Ik glimlach om de snorren en de bakkebaarden- alleen de hond lijkt eigentijds. Ik sla een bladzijde om en laat het album daar openliggen.
Hannah was de zoveelste verkoopster in zijn damesmodezaak. Op de foto staat zij bij de appelboom in onze tuin terwijl de lage zon haar welgevormde schaduw aan mijn vaders voeten werpt. Hannah draagt een strak suede rokje en ik vermoed dat zij daaronder elke dag opnieuw een verse bos geurig schaamhaar liet groeien waar mijn vader zijn baard ‘s avonds in begroef, smakkend, likkend, opdringerig proevend, zijn oogwit geel van wilde nachten. Met het schuim van de schaduw tussen haar lippen zou zij hem daarna verslinden: soppend, kwijlend, duwend, trekkend – eerst zijn hongerige lid, dan de rest inclusief mijn moeder en de damesmodezaak.
Mijn hart klopt in mijn keel wanneer ik haar glanzende foto uit mijn vaders fotoalbum trek. Haar ogen schitteren triomfantelijk, het truitje trekt haar trotse tepels overeind. Ik kijk eerst naar de appelboom, dan naar de lange witte benen onder het donkere rokje. Ik knoop mijn broek los en trek me op haar foto af tot er heldergele sterretjes schitteren in mijn hoofd. Het voelt alsof mijn vader naar me kijkt als ik, voluit ejaculerend, mijn sperma over Hannah’s gezicht en borsten laat vloeien. Haar papieren glimlach verrimpelt onder de draderige vlek. Ik merk dat zaad niet hecht op de afdruk van een schaduw, het rolt vruchteloos van de glanzende foto op mijn tapijt.

Nadat ik mezelf heb bevredigd stap ik de tuin in. Klik klak klinkt het in de keuken, tik tok tikt het op de tegels in de tuin. Dat zijn mijn vaders stappen, een geluid dat zichzelf versterkt en vergroot tot een op de groei gekochte mantel van galm. Zijn bulderende echo rolt lomp in de richting van mijn tuin. Daar zit de schaduw stil en drinkt verfijnd haar thee, zij draagt een witte zonnehoed met lint.
Een onstuimige zomerstorm nadert in de verte. Ik zie hoe de bliksem het hart van de donder treft en zij hem eenmaal liefheeft met haar allesverterend vuur. Ik sta in de flikkering van de flits wanneer achter mij de schaduw dood uit de appelboom valt.
Ik draai me naar haar toe met het schijnsel van mijn vaders zaklamp in mijn hand.

 

Les Filles Fragiles

France, Département Haut Rhin, 1967

De camping aan het Meer van Kruth-Wildenstein was vol en mijn ouders hadden er net de tent opgezet. Ik zat op het randje van de stuwdam en keek uit over het meer in het licht van de ondergaande zon. Ik had honger en dat was niet zo vreemd. Een jongen van mijn leeftijd had altijd wel honger of trek. Maar verder had ik nergens zin in en zeker niet in het opzetten van een bungalowtent. Het gegniffel van de andere campinggasten om het gedoe van mijn moeder en het gestuntel van mijn vader was gewoon veel te pijnlijk. Aan de andere kant wilde ik zoveel dingen tegelijk dat ik nergens aan toe kwam. Het staren over het stille meer kwam nog het dichtste in de buurt van mijn allerdiepste wens: om alles wat het leven bood nu alvast in één allesomvattend moment te beleven. Zolang ik maar niets deed, hield ik alle mogelijkheden daartoe nog even open. Dat een daarvan zich al snel aan mij zou openbaren, kon ik toen nog niet vermoeden. Lees verder Les Filles Fragiles

As Time Goes By

Voor ronde 5 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘As Time Goes By.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 400 woorden vanuit het perspectief van een toevallige voorbijganger en maak hierbij gebruik van de ‘Show Don’t Tell techniek.’  Met dit verhaal behaalde ik de tweede plaats in deze ronde.

As Time Goes By

De sigaret bungelt in de mondhoek van de voorbijganger. Het wit van zijn oog is geel, de pupil verwijd, het rood doorlopen. Hij wandelt over de stenen brug, wetend dat zijn leven  inwisselbaar is met dat van de voorbijgangers die hem hier voorgingen. Een koude rilling trekt over zijn rug wanneer hij de streling van hun schaduw voelt.

Een straatlantaarn brandt gele gaten in de mist en twee gestalten doemen op aan de reling van de brug. De voorbijganger vertraagt zijn tred. Vanonder zijn donkere hoed tuurt hij naar een meisje dat een infanterist pijpt. Zij is jong, een leerling-verpleegster misschien. Een enorme soldatenlul hangt uit de gulp van zijn donkerblauwe uniform, het lid richt zich onweerstaanbaar op. Het rekt zich lui uit, vult zich rustig met zijn bloed in het lome ritme van haar zuigende mond. De groene ogen van het meisje schitteren als ze de voorbijganger aankijkt: glijdend met haar mond, draaiend met haar tong, zijn ballen zachtjes wrijvend met haar hand. Haar halflange zakkrabbelende nagels betoveren de soldaat, met haar zorgzame geilheid heeft zij de reus getemd.

Voelt dit meisje het hart van de soldaat al kloppen in haar mond? Datgene wat de voorbijganger niet ziet kleurt hij later met vermoedens in: De samengetrokken ballen, de witte klodders op haar kin, het zaad dat vast bleef plakken aan haar ring. De zoete geur van regen in haar haar, de stank van sigaretten in zijn ruwe, onbeholpen vuist. Het parfum dat zij vanavond draagt en dat hij zal blijven ruiken zolang hij leeft.

 De voorbijganger passeert hen met gespeelde onverschilligheid, stamelt een verontschuldigende groet in het voorbijgaan. Dan kijkt hij nog eenmaal om naar de man en het meisje. Elke avond vereeuwigd en verstrengeld in opeenvolgende verschijningen onder lantaarns op oude bruggen. Een straatmuzikant speelt ‘As time goes by’ op een gedeukte saxofoon; met elke aarzelende noot stelt hij een vraag aan de luisterende voorbijganger. Het antwoord is allang gegeven en ligt ergens tussen de achteloos geworpen munten onderin zijn zwarte open kist.

 Wanneer de voorbijganger thuiskomt verhangt hij zich op de zolder van zijn hospita aan een balk. Zijn levenloze lid staat er ferm van overeind in de plooien van zijn broek. De voorbijganger is een metafoor, alleen staat hij nergens meer voor. Hij doet niet meer mee, blijft nergens meer staan. Zijn lot was enkel om voorbij te gaan.

-/\-

(c) luckymanbooks 2017

Soundtrack: Dexter Gordon: As Time Goes By

De Laatste Kus

Ik schreef het verhaal ‘De Laatste Kus’ voor ronde 3 van de EWA schrijfmarathon 2017. De opdracht was: schrijf een erotisch verhaal van maximaal 250 woorden dat begint met de zin: Zij probeert zich te herinneren wie haar de sleutel heeft gegeven. Dit verhaal behaalde de eerste plaats in deze ronde. Veel leesplezier!

-/\-

De Laatste Kus

Zij probeert zich te herinneren wie haar de sleutel heeft gegeven. Een groep gemaskerde mannen is net in haar cel geweest met een bijbel en een laatste maaltijd voor haar executie van morgen. Toen ze weggingen heeft een van hen haar beetgepakt en in het gezicht gespuugd. Op dat moment drukte hij haar die sleutel in handen.

‘Herberg,’ had hij alleen maar gezegd.

Ze steekt haar hand door de tralies en maakt het slot open. Ze rent naakt de stad in, haar donkere krullen nat van de regen, koude druppels glinsteren in haar donkere schaamhaar. Op blote voeten glijdt ze over de natte keien, tot ze bij de herberg komt in een donkere steeg. De man zwaait de deur open.  ‘Kom,’ zegt hij.

Er staat een houten bed, een flakkerende kaars verlicht het schamele vertrek. In het gele licht ziet ze hem, zijn sterke lijf en zijn felle ogen. Hij grijpt haar beet en zij gaat, dronken van het leven, met hem mee in de roes van lust en geilheid. Hij vervult haar met harde stoten die het warm doen kloppen in haar schoot. Het is een eindeloos orgasme waarop ze wegdeint in opeenvolgende golven die openen en sluiten tot ze langzaam wegebben en ze wegsmelt in zijn laatste kus.

De zon is op en de kaars is uit. Verbijsterd ziet ze dat hij opstaat, zijn masker opdoet en zijn bijl pakt. Dan leidt hij haar met rinkelende ketenen naar buiten, waar de wraakzuchtige meute op haar wacht.

tekst: (c) luckymanbooks 2017

Pagina 49

In een oud boek las ik een herinnering aan iets dat ik zelf nog niet had meegemaakt. Er liep een traan van ontroering langs mijn wang toen ik de bladzijden van het laatste hoofdstuk omsloeg. Het verhaal was zo mooi dat ik het niet eens helemaal begreep. Ik las het daarom steeds weer, steeds opnieuw vanaf het begin en uiteindelijk kende ik alle woorden uit mijn hoofd.
In het boek kwam een oude woning voor met gordijnen voor de ramen en een vrouw die ze zachtjes open schoof. Helder licht viel de kamer binnen, ik zag het kippenvel op de bovenkant van haar billen en haar huid trok daar even trillend samen. Ze was groots in al haar stille pracht en de schrijver liet mij zelfs even schuilen in de schaduw van haar hand. Ik geef toe: ik had nog nooit een vrouw gezien. Toch gaf dat niet. Het boek bracht mij steeds weer naar de plek waar de herinnering aan haar werd bewaard.

25 maart 2517

Ik zat op de trappen van de marmeren fontein. Eeuwen geleden had er water uit de waterspuwers gestroomd, maar nu was alles dor en droog. Het rode stof verwaaide en wervelde omhoog, opgezogen door de donkere slurf van een windhoos. De zon was niet meer dan een licht vermoeden achter het donkere wolkendek. Ik rekte me uit – armen naar boven, hoofd in de nek, schouders naar achteren – en ademde de hitte van de stad zo diep in dat mijn longen ervan gloeiden. Zou er ooit nog iemand komen? Ik stond op, stak het plein over en stapte de overwoekerde stad binnen. Lees verder Pagina 49

De Hippiekoningin

“Het voelt eindelijk alsof het herfst is,” zei de Hippiekoningin in zichzelf. Een halve eeuw geleden had zij gezien hoe Jimi Hendrix zijn gitaar verbrandde op het Monterey Popfestival. Nu leefde zij teruggetrokken in haar laatste toevluchtsoord: de peepshow in het souterrain van de new age winkel aan de Rozenlaan. Ik had er net een paar reflexologie sandalen aangeschaft en wierp het wisselgeld in de gleuf van de automaat. Het luikje klapte open en door het glas keek ik naar de Hippiekoningin. Ze zag er tijdloos meisjesachtig uit. Van alle meiden die met swingende heupen en schuddende borsten in de midzomerzon hadden gedanst was zij als enige overgebleven. De oude liefdeszomer had tientallen kalenders overleefd maar leek nu eindelijk voorbij.

“Ik vind het fijn dat je naar me bent komen kijken,” zei de Hippiekoningin. “Ik krijg niet veel bezoek meer. Eerst had iedereen het te druk met werken en nu zijn ze allemaal te oud om nog te komen.”

“Of te dood,” opperde ik.

“Je hoeft niet dood te zijn om niet meer bij je Koningin te komen. Dood zijn is geen excuus hoor.”

“Ik heb je dochters gezien,” zei ik.

“Ze zijn zeker al groot, is het niet?”

Ik wist niet wat ik haar moest zeggen. Haar dochters zaten achter de webcam en wisten niet wie hun moeder was. De Hippiekoningin lag jong en goed geconserveerd achter het glazen raam in haar vitrine. Zij was naakt en rookte een joint.  

“Nou? Zijn ze al in India of Afghanistan geweest?”

“Misschien naar India. Afghanistan is niet meer zo in trek. De meesten gaan tegenwoordig naar Ibiza.”

De Hippiekoningin draaide zich naar mij toe. Ze legde haar slanke hand plat op het glas van de vitrine. Ik kon de lijntjes op haar handpalm zien. Ze keek me wanhopig aan, als een tot levenslang veroordeelde gevangene. “Kom bij me. Er is al zo lang niemand meer bij me geweest,” zei ze zacht. “Mijn dochters zijn uit mijn idealen geboren. Maar ik niet. Ik wil ermee gaan stoppen.”

Stoppen? Dat nooit, dacht ik. Integendeel: hier in de cabine van de peepshow zou ik de ultieme liefde met haar willen bedrijven. Met haar gave, gladde handpalmen zou zij mijn gezicht strelen en haar vingertoppen langs mijn lippen laten glijden tot op mijn kin.  Zij zou dan mijn overhemd openknopen en door mijn borsthaar kroelen, mijn tepels plagend prikkelen met haar tong en natte lippen. Ze zou zich daarna op mij storten als een uitgehongerde wolvin, haar hoofd begraven in mijn schoot en mij lurkend, slurpend en slikkend naar stratosferische hoogtes pijpen.  Als parende slangen zouden we daarna langzaam en langdurig in en uit elkaar glijden, verstrengeld in een kronkelende dans rondom haar natte roze spelonk, waarachter ik een majesteitelijke holte vermoedde. Ik wilde maar een ding: afdalen in de peilloze diepte tussen haar heupen en daar wegsmelten in haar warme koninginnengelei.   

En dat zou alleen nog maar het voorspel zijn want in haar ogen zag ik dat zij smachtte naar het slotakkoord.

Haar roodverbrande lichaam was nog jong, met volle vrouwelijke rondingen, gewelfd als een Gibson gitaar met een goedgevulde klankkast. Ik wilde haar nog eenmaal laten klinken met een zwaar en donker grommend riff. Een akkoord zo diep dat zelfs dode muzikanten voor haar op zouden staan uit de groeven van de live elpee die eeuwig op de Grote Platenspeler ronddraaide.  

Ik stapte het podium op. Het rode lampje van haar versterker brandde. Ik hing haar als de Gibson om mijn nek en mijn trillende vingers gleden over de fretten van haar lange hals. Met mijn mond beroerde ik de ruimte tussen hals en brug en net als Hendrix op Monterey bespeelde ik haar met mijn tong, mijn tanden, mijn hart en mijn ziel. Toen het akkoord klonk en zij in mijn armen zong en trilde, ergens in het interval tussen grondtoon en kwint, in de hemelse ruimte tussen onze oren, kwamen we tegelijk klaar. Ik sproeide haar onder met vurig zaad dat ontvlamde en haar gewelfde klankkast verschroeide, de toeschouwers vele decennia later nog verbijsterd achterlatend.

Het glas van de vitrine brak onder het geweld van onze samensmeltende zielen en in mijn armen verouderde de Hippiekoningin tot ze er net zo vermoeid uit zag als mijn idealen. Het was nog goed te zien hoe mooi zij was geweest op de dag dat ik had gezworen eeuwig van haar te blijven houden. Dankbaar liet ik haar gaan. Buiten snoof ik de frisse stadslucht op. Ook mijn zomer mocht nu eindelijk voorbij zijn.

-/\-

Tekst: (c)2016 luckymanbooks

Illustratie: (c) 2015 Alexander Halo