Tagarchief: erotisch verhaal

De Appelboom

Voor ronde 8 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Appelboom.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 800 woorden waarin sprake is van een generatiekloof.’  Met dit verhaal ben ik geplaatst voor de halve finale. 

De Appelboom

Aan het eind van de middag sta ik in het huis van mijn vader voor het raam. Een man met een lange jas en grijze hoed loopt op straat. Hij kijkt angstig achterom, achtervolgd door de echo van zijn eigen stappen. Een vrouw in een witte jurk komt hem tegemoet. Verblind door de lage zon ziet hij haar niet aankomen en net op het moment dat hij over zijn schouder kijkt struikelt hij over haar lange schaduw. Ik zie het gebeuren maar begrijp het niet. Ik ben maar een kind dat speelt met schaduwkonijnen en lacht om de stemmen die opwaaien uit de echoput. ‘Wat voor kleur heeft God?’ vroeg ik ooit eens aan mijn vader. ‘Die kleur bestaat niet,’ zei hij. Daarna las hij verder in de krant.

‘Waar kom ik vandaan?’ vroeg ik mezelf vaak af. Die vraag was een stuk persoonlijker vanwege het antwoord. Een kind komt namelijk van de plaats waar nog geen schaduw is. Ik ken die plek heel goed – van horen zeggen. ‘In de ogen van je moeder’’ had mijn vader gezegd toen ik maar bleef zeuren waar die plek te vinden was. Ook had hij mij toevertrouwd dat het een donkere, wilde wereld was geweest, woest en ledig. Daarna had hij de rest van zijn leven gezwegen en door het beslagen raam naar de appelboom in de tuin gestaard, zijn hand zo krachtig om de leuning van zijn stoel geklemd dat zijn knokkels er wit van weggetrokken waren.

In het begin, toen mijn ouders hun jonge lijven nog elke dag in elkaar verstrengelden, hun leven een wilde cocktail van zaad en zweet en zoete tranen, was hij zo dicht bij mijn moeder geweest dat niets, zelfs de schaduw niet, tussen hen in was gekomen. Ook in het donker onder de dekens was geen spatje schaduw te zien geweest. Ik begreep later waarom de zaklamp altijd op hun nachtkastje lag, want je weet maar nooit zei mijn vader en een schaduw vlucht toch altijd als er licht op schijnt beaamde mijn moeder. Maar ondanks al hun voorzorgsmaatregelen is er uiteindelijk toch iets tussen mijn vader en de schaduw voorgevallen. En dat is niet verwonderlijk want een schaduw is altijd jong en verleidelijk: zij ontstaat pas als er licht op een ander lichaam valt. Het is daarom best wel logisch dat ik juist het meeste over de schaduw heb geleerd door te ontdekken wat mijn vader voor mij verborgen hield.

Vandaag kijk ik voor het eerst in het fotoalbum dat hij onderin de kast verstopt had. Ik glimlach om de snorren en de bakkebaarden- alleen de hond lijkt eigentijds. Ik sla een bladzijde om en laat het album daar openliggen.
Hannah was de zoveelste verkoopster in zijn damesmodezaak. Op de foto staat zij bij de appelboom in onze tuin terwijl de lage zon haar welgevormde schaduw aan mijn vaders voeten werpt. Hannah draagt een strak suede rokje en ik vermoed dat zij daaronder elke dag opnieuw een verse bos geurig schaamhaar liet groeien waar mijn vader zijn baard ‘s avonds in begroef, smakkend, likkend, opdringerig proevend, zijn oogwit geel van wilde nachten. Met het schuim van de schaduw tussen haar lippen zou zij hem daarna verslinden; soppend, kwijlend, duwend, trekkend – eerst zijn hongerige lid, dan de rest inclusief mijn moeder en de damesmodezaak.
Mijn hart klopt in mijn keel wanneer ik haar glanzende foto uit mijn vaders fotoalbum trek. Haar ogen schitteren triomfantelijk, het truitje trekt haar trotse tepels overeind. Ik kijk eerst naar de appelboom, dan naar de lange witte benen onder het donkere rokje. Ik knoop mijn broek los en trek me op haar foto af tot er heldergele sterretjes schitteren in mijn hoofd. Het voelt alsof mijn vader naar me kijkt als ik, voluit ejaculerend, mijn sperma over Hannah’s gezicht en borsten laat vloeien. Haar papieren glimlach verrimpelt onder de draderige vlek. Ik merk dat zaad niet hecht op de afdruk van een schaduw, het rolt vruchteloos van de glanzende foto op mijn tapijt.

Nadat ik mezelf heb bevredigd stap ik de tuin in. Klik klak klinkt het in de keuken, tik tok tikt het op de tegels in de tuin. Dat zijn mijn vaders stappen, een geluid dat zichzelf versterkt en vergroot tot een op de groei gekochte mantel van galm. Zijn bulderende echo rolt lomp in de richting van mijn tuin. Daar zit de schaduw stil en drinkt verfijnd haar thee, zij draagt een witte zonnehoed met lint.
Een onstuimige zomerstorm nadert in de verte. Ik zie hoe de bliksem het hart van de donder treft en zij hem eenmaal liefheeft met haar allesverterend vuur. Ik sta in de flikkering van de flits wanneer achter mij de schaduw dood uit de appelboom valt.
Ik draai me naar haar toe met het schijnsel van mijn vaders zaklamp in mijn hand.

(c) luckymanbooks 2017

 

De Estafette Paradox

Voor ronde 6 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Estafette Paradox.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 450 woorden waarin een dilemma centraal staat.’  Dit verhaal behaalde een gedeelde vijfde plaats in de jurywaardering en werd zestiende in het publieksklassement. 

De Estafette Paradox

De kleedkamer ruikt naar zoete talk en zweet van bange meisjes.

‘Ik was op tijd coach, maar Gabi niet. Die stond te dromen in de transfer zone.’

De blauwe ogen van het meisje worden groot en haar talentvolle pupillen stellen hem de vraag.

‘Je bedoelt dat je betere afspraken wilt, Ulrike? Gabi is onze vierde loopster, dat weet je toch? Je moet het stokje aan háár doorgeven en dat kan alleen als jullie samenwerken als een team. Luister: De laatste loopster moet als eerste over de finish komen en jullie willen allemaal de laatste zijn. Dat noemen we de estafette paradox. Het is het grootste dilemma uit de socialistische sportbeoefening. Maar genoeg theorie voor vandaag. We gaan nu verder aan je techniek werken.’

Ulrike zucht begrijpend en ritst haar donkerblauwe trainingsjack open. Daarna buigt ze zich voorover en knielt voor haar coach op de grond. Ze spreidt haar lange vingers op de startstreep en richt haar gespierde kont omhoog in de richting van de rode vaandels op de staantribune aan de Oostkant. Haar blonde krullen hangen voor haar gezicht. Over haar linkerschouder kijkt ze achterom. Haar billen zijn rond en haar onderrug welft uitnodigend als de schans van het decadente Garmisch Partenkirchen. De coach glijdt met zijn handen langs die witbesneeuwde helling omlaag. Dan grijpt hij haar bij de heupen en trekt haar gladde broekje naar beneden. Wow, denkt hij. Deze kringtraining gaat nauw luisteren. Hij kucht in haar nek.

‘Voel je die tinteling onderin je rug, elke keer als ik je daar wat stretch en oprek? Dat zijn jouw vleugeltjes van lust Ulrike, daarmee zul je naar de finish vliegen. Je hebt de langste benen van de DDR, de donkerrode sintels in de laatste bocht zullen gloeien onder de hitte van je spikes. Voel je het vuur al in je branden?

‘Het vuur coach?’

‘Ja, denk maar aan de Olympische vlam terwijl je zo dadelijk op je onderlip bijt. Morgen ga ik Gabi trainen en daarna Marita en Haike, tot ik jullie alle vier heb geprepareerd voor de Spelen. Vertrouw me maar Ulrike.’

De coach denkt aan het ontluikende blonde snorretje op Ulrikes bovenlip en perst zijn paarse paddo door haar kringspier. Die sluit zich schielijk achter de rand als een sterke mond met zuigeffect. Haar gesmoorde gejammer vertelt de coach dat de training het beoogde effect begint te krijgen. Het loopt gesmeerd. Hij voelt geen weerstand meer. Het prikkeldraad in haar droge endeldarm is weggesmolten, haar dichtgebrande eierstokken kijken vruchteloos aan de zijlijn toe. Hij bijt haar in de gespierde schouderbladen terwijl hij zeven afgepaste porties oefenstof bij haar inbrengt. Het dilemma is opgelost.
De laatste loopster zal het eerste komen en Ulrike zal die laatste zijn.

(c) luckymanbooks 2017

As time goes by

Voor ronde 5 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘As Time Goes By.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 400 woorden vanuit het perspectief van een toevallige voorbijganger en maak hierbij gebruik van de ‘Show Don’t Tell techniek.’  Met dit verhaal behaalde ik de tweede plaats in deze ronde.

 

 

As Time Goes By

De sigaret bungelt in de mondhoek van de voorbijganger. Het wit van zijn oog is geel, de pupil verwijd, het rood doorlopen. Hij wandelt over de stenen brug, wetend dat zijn leven  inwisselbaar is met dat van de voorbijgangers die hem hier voorgingen. Een koude rilling trekt over zijn rug wanneer hij de streling van hun schaduw voelt.

Een straatlantaarn brandt gele gaten in de mist en twee gestalten doemen op aan de reling van de brug. De voorbijganger vertraagt zijn tred. Vanonder zijn donkere hoed tuurt hij naar een meisje dat een infanterist pijpt. Zij is jong, een leerling-verpleegster misschien. Een enorme soldatenlul hangt uit de gulp van zijn donkerblauwe uniform, het lid richt zich onweerstaanbaar op. Het rekt zich lui uit, vult zich rustig met zijn bloed in het lome ritme van haar zuigende mond. De groene ogen van het meisje schitteren als ze de voorbijganger aankijkt: glijdend met haar mond, draaiend met haar tong, zijn ballen zachtjes wrijvend met haar hand. Haar halflange zakkrabbelende nagels betoveren de soldaat, met haar zorgzame geilheid heeft zij de reus getemd.

Voelt dit meisje het hart van de soldaat al kloppen in haar mond? Datgene wat de voorbijganger niet ziet kleurt hij later met vermoedens in: De samengetrokken ballen, de witte klodders op haar kin, het zaad dat vast bleef plakken aan haar ring. De zoete geur van regen in haar haar, de stank van sigaretten in zijn ruwe, onbeholpen vuist. Het parfum dat zij vanavond draagt en dat hij zal blijven ruiken zolang hij leeft.

 De voorbijganger passeert hen met gespeelde onverschilligheid, stamelt een verontschuldigende groet in het voorbijgaan. Dan kijkt hij nog eenmaal om naar de man en het meisje. Elke avond vereeuwigd en verstrengeld in opeenvolgende verschijningen onder lantaarns op oude bruggen. Een straatmuzikant speelt ‘As time goes by’ op een gedeukte saxofoon; met elke aarzelende noot stelt hij een vraag aan de luisterende voorbijganger. Het antwoord is allang gegeven en ligt ergens tussen de achteloos geworpen munten onderin zijn zwarte open kist.

 Wanneer de voorbijganger thuiskomt verhangt hij zich op de zolder van zijn hospita aan een balk. Zijn levenloze lid staat er ferm van overeind in de plooien van zijn broek. De voorbijganger is een metafoor, alleen staat hij nergens meer voor. Hij doet niet meer mee, blijft nergens meer staan. Zijn lot was enkel om voorbij te gaan.

-/\-

(c) luckymanbooks 2017

Soundtrack: Dexter Gordon: As Time Goes By

Denkend aan de Dijk

Voor ronde 4 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘Denkend aan de Dijk.’ De opdracht was: ‘Kies een metafoor van een andere schrijver uit opdracht 1 en verwerk deze in een erotisch verhaal van maximaal 250 woorden.’
Ik koos de metafoor van Peter Hartveld: Op de dijk waait mijn gedachte aan jou op, als een zomerjurk. Je kijkt. Wenkt me, terwijl je jouw jurk bedwingt. Met dit verhaal behaalde ik de eerste plaats in deze ronde.

Denkend aan de Dijk

In mijn dorp was alles helder: We vreesden het water en beefden voor God. De angst was sterker dan de liefde en alleen de dijk was groter dan de kerk. Maar op een dag, toen de wolken zo laag over de kerkspits joegen dat ik ze bijna aan kon raken, begon ik te twijfelen. Ik was niet meer bang voor de zee en het water. Ik wilde weten waar de wind vandaan kwam en wat het water van mij wilde. Ik moest weten of ik kon zwemmen of dat ik zou verdrinken. Ik zal het nooit vergeten want het was de dag waarop ik jou ontmoette.

Je droeg schoenen met harde hakken en je stappen klonken dapper op de klinkers van de dijk. De golven glinsterden in je ogen terwijl de huizen verder sliepen met de luiken dicht. Je vingers gleden in mijn hand en we rolden samen door het versgemaaide gras. Ik rook de bloemen in je haar en proefde van de allerliefste plekjes in je warme schoot. Zo likten we elkaars onschuld kronkeltongend open, je nam mij daarna heupenschokkend in je op. Nat van elkaars liefdeszweet waren we daarna de dijk opgeklommen en hadden het dorp achter ons gelaten.

Die dag van zestig jaar geleden is voorbij. Op de dijk waait mijn gedachte aan jou op, als een zomerjurk. Je kijkt. Wenkt me, terwijl je jouw jurk bedwingt. Je glinsterende ogen zeggen: ‘Ga je mee? Wil je met me komen spelen in de eindeloze golven van de zee?’

(c) luckymanbooks 2017

Kizomba

De liefde was licht als de wind die de haartjes op mijn armen koelde. We dansten kizomba en ik volgde haar heupen die zacht zwaaiend voor me uit draaiden in een wuivende zomerjurk. Het was de eerste nacht waarop ik samen met de liefde leefde. Ik struikelde over stenen, stammen en stronken om haar passen bij te kunnen houden. Toen we voldaan waren sloten we onze ogen en sluimerden in de warme oneindigheid van elkaars armen. Ik merkte niet dat de zon al opkwam, het was nog warm en de laatste kooltjes gloeiden dapper in het dovend vuur.

Toen stond de liefde op en liet de zwartblauwe mantel van de nacht aan haar voeten vallen. Zo verdween ze met de sterren in het ochtendlicht en bleef ze altijd in mijn hart.

Die ene keer was genoeg; ik heb de bezwete huid van de liefde gevoeld en ga door de wereld in het wiegend ritme van haar heupen. De liefde laat niet los, zij houdt mij aan het leven vast. Zo danst de liefde elke avond, tot de dag de nacht omarmt en de ochtend zacht haar lippen kust.  Dan ben ik stil, de liefde slaapt, ik zie haar ogen dansen in het ritme van haar dromen. 

-/\-

‘Kizomba´ is een bewerking van mijn inzending voor de mini-schrijfwedstrijd van Editio.nl. De opdracht was: schrijf een Ode aan de Liefde in niet meer dan 250 woorden. Motto van de wedstrijd was: als liefde niet krankzinnig is, dan is het geen liefde.

Tekst: luckymanbooks (c) 2017

Bron afbeelding: internet

De Drempel

Het was winter geworden en de lage middagzon scheen door het raam van je werkkamer. Dat licht zette je rode haren in een vurige gloed en deed zelfs de thee in het glas op je werkblad donkerrood oplichten. Op die dag in eind november begon ik het te zien. Ik merkte dat je naar de bobbel in mijn broek keek en dat je ogen mij spottend vastpinden op de drempel van jouw kantoor. Jouw drempel wierp die dag voor het eerst een lange schaduw op de vloer in het licht van de lage zon.  

Ik stond in je deuropening en tuurde met toegeknepen ogen in het licht. Het was niet zo dat ik niet naar binnen durfde. Nee, zo simpel was het niet. Het was veel groter dan dat. Het had te maken met de manier waarop de wereld, jouw kantoor en mijn plek daarin, was geordend. Ik zag de middagzon, je ogen, je rode haar en het licht in het theeglas. Dat glas was transparant, maar binnen in dat glas, vanuit het zakje op de bodem, kringelde ons geheim als een donker wolkje naar boven. Met elke minuut die verstreek werd de thee sterker en sterker. Nee, vanaf die winterdag was het gewoon niet meer in de orde der dingen dat ik je kantoor zou binnenlopen.

Het glas kleurde rood van de sterk getrokken thee en je nam een klein teugje van de dampende drank. Ik had wel door dat jij toen al heel goed wist wat voor een man ik was. Maar je hield die kennis voor jezelf. Ik merkte wat je voelde en ik voelde wat je wist. Dat was genoeg.  Jij en ik hadden er geen woorden voor nodig. Wie wij waren, werd elke dag even zichtbaar tijdens die korte momentjes waarop we telkens weer ons spelletje speelden. Dat kleine spel waarin ik probeerde je kantoor binnen te stappen en jouw ogen me tegenhielden op de drempel.

Je blik was hard als glas en dwaalde steeds weer af naar het kruis waar mijn piemeltje zich voor je had verstopt. Af en toe moest jij gewoon je overwicht op iemand als ik laten gelden. Jij had dat nodig en ik zag dat je er van genoot. Ik ben er nog steeds trots op dat ik jou dat gevoel heb kunnen geven. Eigenlijk deed ik helemaal niets. Ik hoefde alleen maar net zolang te draaien en te dralen op de drempel van jouw kantoor tot jouw ogen me hadden overwonnen. Er was maar zo weinig voor nodig en tegelijkertijd zoveel: je kantoor, je glas met de warme donkerrode thee, je ogen en de lange schaduw van de lage drempel in de late middagzon. Er was niets geiler dan mijn onvermijdelijke nederlaag, niets bevredigender dan jouw triomfantelijke ogen die mij elke dag opnieuw bedwongen na een korte, ongelijke strijd.  

Zo speelden we maandenlang in de schaduw van de drempel, in de warme kleuren van je middagthee. Jij wist het en ik wist het, jij dronk je thee en ik werd dronken van je ogen. De waarheid tussen jou en mij was teer en breekbaar en kon alleen bestaan als zij verzwegen bleef. Als we naar elkaar keken hing die spanning als een subtiel parfum in de lucht. Ik kon het niet pakken, zelfs jij kon het niet zien. De schittering in jouw ogen wakkerde mijn verlangen aan, je zijdezachte stem bracht me in een verrukkelijke trance. Het was de winter van je ogen, de zon door de ramen, het glas rode thee op je bureau. Maar het was vooral de winter van de drempel en de lange schaduw. De drempel die ons samenbracht, juist door ons uit elkaar te houden. Zo bewaarden wij dit kleine dagelijkse wonder in een stilte, die soms alleen verbroken werd door het gehakkel van mijn onbeholpen tong. 

“Ik eh…ik dacht alleen…misschien wou je…kan ik je misschien nog een kopje thee brengen?”

-/\-

(c) 2016 luckymanbooks

Dit is een uitwerking van een kort verhaaltje met de titel The Treshold dat ik eerder in het Engels schreef voor de Wicked Wednesday meme op het blog van Marie A. Rebelle: Rebel´s Notes.

Tijdens het schrijven van dit verhaaltje heb ik o.a. geluisterd naar: Heaven by Talking Heads (1979).

De legende van Kruth

Uit: De Trilogie van Orlac
Deel 3: De Legende van Kruth

De duistere dwerg Orlac is uit zijn kosmische spelonk verjaagd door de ruimtekruisers van de intergalactische confederatie van Kruth. Uitgekotst door het volk van Org en verstoten door zijn geliefde Ovaria doolt hij rond in de wereld die rondom de werelden is. Hij balanceert op de Plat-Aarde, een kleine asteroïde die dreigt te verdwijnen door verbrokkeling. Om in leven te blijven moet Orlac van asteroïde naar asteroïde hoppen of op een komeet zien te komen. Verblind door kosmische straling en verdoofd door achtergrondruis kan hij maar aan een ding denken: wraak nemen op zijn vijanden en er tegelijkertijd voor zorgen dat zijn asteroïde zo hard mogelijk groeit.
Maar helaas: Orlac is gevangengenomen door de Wachters van Zzor en terwijl hij als dwangarbeider hulpstoffen delft in de giftige goudmijnen, broeden zijn aartsvijanden een luguber plan uit. Geleid door de gemene trol Lurck, de Witte Heks Lucretia en de schurk Chuman spelen zij een spel dat nooit gespeeld zou mogen worden. Een spel zo gecompliceerd, met zoveel complexe, in elkaar verwikkelde regels en zoveel perverse en verdorven handelingen, dat tot nu toe geen enkel mens erin is geslaagd het uit te spelen. Sterker nog: het spel is inmiddels al verboden in Singapore! Durf je toch de uitdaging aan? Denk je dat je er klaar voor bent? Reis dan met ons naar de mijnen van de donkere ruimtesteen van Zzor en doe mee. Laten we “De Legende van Kruth” spelen. 

Kijk, zegt Manon. Kijk.
We kijken met zijn vieren eerbiedig in de enorme doos die zij net voorzichtig heeft opengemaakt.
Ziet er mooi uit.
Vooral het plastic.
Ik ga ze eruit halen.
Ja.
Dit is de Asteroïde van Zzor.
Het zijn de puzzelstukjes ervan. Styrofoam, een soort van piepschuim of zo.
Ja.
Orlac moet die asteroide in elkaar zetten denk ik.
Lees het nou eerst.
Ok.
Dit is de handleiding.
Pak het nou gewoon.
Mooi hè,
Ja. Vooral de kaarten.
Dit zijn de kaarten.
22 monsterkaarten en 12 gevechtskaarten.
De tienzijdige dobbelsteen en de zandloper
Lucretia en Lurck zo te zien.
Dit is Chuman.
Gadver.
Laten we spelen.
He, waar is Orlac?
Zit-ie niet in dat zakje?
Zoek m effe, dan l
ees ik verder in de handleiding, goed? lees hier verder

Le Rêve

Scène 1: De Jeugdherberg

De zon scheen door het glas-in-loodraam de hal van de jeugdherberg binnen. ‘Voor de jeugd, van de jeugd, Ermelo 1947’ stond er.  Het witte licht werd gefilterd door de gebrandschilderde ruiten en viel met een roodgele gloed op mijn gezicht. In dat licht stond ik op stevige wandelschoenen te stralen met een kop thee in mijn hand en Lenie, Mia en Puk aan mijn zijde. We stonden al stevig in onze schoenen maar konden nog net niet op eigen benen staan. We zagen er alle vier goed uit, jong, meisjesachtig, vrouwelijk, fris en levenslustig. Niemand van ons had ooit een ring gedragen, onze nagels waren nog nooit gelakt.  Onszelf noemden we: ‘De Zweetdroppels’ vanwege al het corvee in de jeugdherbergen die we op onze trektocht over de Veluwe aandeden. We waren alle vier nog maagd en dat zouden we nog wel even blijven, tot we trouwden of desnoods tot we doodgingen. Daar was niets verontrustends aan. Er stond altijd wel ergens een emmer met groene zeep en een vettige grijze dweil die uitgewrongen moest worden en anders zou die dweil of uiteindelijk het leven zelf ons wel uitwringen. Het was het een of het ander. Het leven was overzichtelijk. En zelfs het ogenschijnlijk meest nutteloze had toch altijd ergens nut.

Verder was het allemaal precies zoals nu en zelfs het weer was soms hetzelfde. We wisten niet dat we in het verleden leefden. Op de foto’s zag het er natuurlijk anders uit. Nee, we leefden niet in zwart wit, we woonden niet in lelijke kamers. Als ik eraan denk, was het leven toen eigenlijk kleurrijker dan nu. Voor mij tenminste. Andere mensen moeten dezelfde kleuren als ik gezien hebben, in hetzelfde licht. Maar misschien waren ze zelf gaan geloven dat het in zwart wit was, net zoals op de foto’s in hun albums. Misschien geloofden ze op dezelfde manier in een scherpe lijn tussen goed en fout, ik weet het niet. Ik ben alles pas in een ander licht gaan zien nadat ik hem ontmoette. En het roodgele licht dat die ochtend in Ermelo door het glas-in-loodraam viel was daar de voorbode van. lees hier verder

Cocktailbar Terminus

“Het ijsblokje brandt niet meer Jessica.”

De neon verlichting in de hoek van de bar is voor de zoveelste keer gaan knipperen. Het gele Martiniglas flikkert, de rode kers knettert en het gekronkelde groene rietje vonkt. Het blauwe licht van het ijsblokje in het glas is zelfs helemaal uitgevallen. Vijftien jaar geleden heb ik die neonreclame laten maken. In die tijd wilde ik nog een mooie zaak. Een klassieke cocktailbar. Een nette tent voor een verfijnd publiek. Een plek waar zakenlui, kunstenaars, journalisten, misschien zelfs mensen van de tv graag zouden komen.

“Jessica, als je dadelijk het keukentje schoonmaakt, vergeet je dan niet de natte kant voor me te soppen?”

“Die kende ik nog niet Gerard, moet ik even voor je lachen? Ben je dan weer even blij?”

Een mooie zaak had het moeten worden. Met lachende gasten, reviews in glossy bladen en een plekje in de harten van de mensen in dit kleine stadje. Een zaak voor de intellectuelen.

“Eikel,” klinkt het nu gedempt vanuit het keukentje. lees hier verder

Pinnen?

“Hoe kan ik je helpen?” vroeg Ton.

“Ik heb een reservering,” zei ze, “een hele grote.” Ze zette haar tas met een enorme klap op de balie. Er viel een hardplastic vibrator uit. De retro vormgegeven massagestaaf rolde hobbelend over zijn eigen ribbels van de balie en kletterde op de grond. “Daar gaat mijn avond,” zuchtte ze.

“Je kan wel een reservering hebben, maar alle kamers zijn bezet,” zei Ton.

“Kan ik dan niet alvast wat te eten bestellen?” vroeg ze.

“Jawel, maar dan moet je eerst een kamer nemen. We hebben namelijk alleen roomservice.”

De bruine schrootjes in de hotellobby lieten hier en daar wat los. Het woord lobby was misschien ook wat te veel gezegd. Het was niet meer dan een grote balie met daarop een koperen bel. Aan een kale spijker hing een kromgetrokken lijst met kamerprijzen. ‘Kamers per nacht 100 Euro. Per uur 75 Euro. Minimaal: twee uur. Roomservice minimaal 30 Euro per couvert.’

IMG_0961 vibrance boost
foto: luckymanbooks

Op de twee vale, lichtgebloemde fauteuils aan het ronde tafeltje zaten twee mensen: de vrouw met de grote tas en ik. Ze was bij me komen zitten met haar benen iets uit elkaar zodat ik alvast een heel klein beetje onder haar rok kon kijken.

“Hadden wij geen date?” vroeg ze aan mij. “Ik zit mijn tijd nou te verdoen. Altijd heeft hij kamers. Behalve als je wat wilt eten. Behalve als je trek hebt.” Ze keek me in mijn ogen. “Heb jij trek? Kom me maar bedienen hoor.”

Ze stond op en liep naar de wc in het halletje. Ik volgde haar tot buiten het zicht van Ton. De wc bleek kleiner dan een staanplaats in een Sprinter. We stonden dus flink klem tot ze erin slaagde op de houten wc bril te gaan zitten. Ik trok mijn rits open en leerde gelijk een ding: ook in de allerkleinste kamertjes is plek voor de allergrootste gevoelens.

Ze zoog mij naar binnen en ik zwol hard in haar mond. Haar tong draaide rondjes achter de dikke rand van mijn eikel en daar begon het te prikkelen en te gloeien. Mijn warme staaf begon als een smeltende kaars te druipen en vurig voorvocht viel voor haar voeten op de vloer. Bij wijze van roomservice serveerde ik haar kreunend acht afgepaste porties verse, voedzame room op de tong. Ze was even stil toen zij aandachtig mijn melkwitte vloeistof door haar mond liet glibberen. Keurend proefde ze de rijke, volle aroma’s van deze gewaagde combinatie van dik sperma en luchtig speeksel. Ze veegde haar lippen provisorisch af met wat wc papier, stond op en liep naar de balie.

“Laat die kamer en die roomservice maar,” zei ze tegen Ton, haar plakkerige mond zichtbaar vol met mijn draderige eiwitten. “We hebben al gegeten.”

“Gegeten hè,” zei Ton en wierp een blik op de vlekkerige tarievenlijst aan de muur. “Dat is dan huur kleinste kamertje minimaal 2 uur, bij elkaar 150 Euro plus twee couverts roomservice, dat maakt totaal 210 Euro.” Hij keek mij rustig aan.

“Pinnen?”

-/\-

Dit verhaal was mijn inzending voor ronde 5 van de EWA schrijfmarathon. De opdracht was: “schrijf een erotisch verhaal van maximaal 500 woorden dat zich afspeelt in een hotellobby.” Het behaalde de zesde plaats en daarmee ben ik door naar de volgende ronde.

(c) luckymanbooks 2016

foto: (c) luckymanbooks 2015