Het Kampeerweekend

Je loopt voor me op het pad naar boven en struikelt over wat losliggende takken. Alles is hier zo droog dat het al bij de lichtste aanraking krakend verpulvert. De zon zakt weg en de drie magische heuvels, die wij de Man, de Vrouw en het Kind noemen, beginnen te verkleuren. Als we op de glooiende top van de middelste zijn aangekomen, zien we dat de savanne zich tot aan de horizon uitstrekt als een eindeloze golving van gelig zand en gras. Hoewel elk deel van het landschap op zichzelf klein en weinig opvallend is, maakt de eindeloze herhaling van begroeide heuveltjes het tot iets heel indrukwekkends. De ruimte om ons heen is van een bijna beangstigende schoonheid. Kleine dorre bomen staan in donkere, grove grond; losliggende kiezels tussen hun wortels wijzen op de aanwezigheid van water. Maar lang kijken we daar niet naar. Beneden is namelijk iets veel spannenders te zien.

“Moet je Ilse nou eens zien”, zeg je en wijst naar ons tentenkamp aan de voet van de heuvels.  We hebben daar een uurtje geleden het lange gras platgetrapt zodat er een overzichtelijke cirkel rond de tenten is ontstaan. Zo is het makkelijker om eventuele gevaren eerder op te merken, is de theorie. Ik zie dat Ilse vlak achter jullie tent hurkt. Ze zit te plassen, staat dan op en veegt even een tissue tussen haar benen door.  “Ze heeft echt niks in de gaten hè,” zeg je. Je neemt een slok uit het blikje bier dat je de hele wandeling in je hand hebt gehouden. “Af en toe is ze echt gek hè….”

Ik zit samen met jou op een boomstronk en we drinken bier. Beneden is Ilse zich gaan wassen met wat water uit een jerrycan. Ik kijk even naar haar grote melkwitte tieten, die met elke wasbeweging zachtjes en elegant meeveren. Als ik naar jou kijk, zie ik dat je net als ik naar Ilse staart. Het gouden licht van de zon en de glans van het gele gras zetten je rode haar in een brandende gloed. Ik zie hoe je het bierblikje vasthoudt. Je hebt het in je rechterhand en met de middenvinger van je linker draai je zachte rondjes langs de rand van de opening waar het lipje heeft gezeten. Kom op, je weet best dat ik dat geil vind, je tedere vingertop op het scherpe randje. Op de binnenkant van je linkerarm heb je een tattoo gezet: “Love Forever” De voor de hand liggende vragen over wie en waarom durf ik nog niet aan je te stellen. Maar gelukkig heb ik wel mijn camera bij me.

“Ik wil graag wat foto’s van je maken”.

Je kijkt wantrouwend. ”Waarom?”

“Je haar kleurt mooi in dit licht.”

“Ok. Wat moet ik doen?”

“Je hoeft alleen maar tegen de zon in naar de horizon te turen”, glimlach ik.

“Slijmbal”, lach je spottend.

-/\-

Na het eten zitten we met zijn drieën rond het kampvuur. Jij, jouw vriendin Ilse en ik. Het had jullie vorige week na een paar drankjes in de hotelbar wel leuk geleken om eens een keer met mij, een bescheiden getalenteerd natuurfotograaf, een weekend in de wildernis te kamperen. En nu vloeit na de warme koffie de wijn en sterke drank, de tongen komen los en we praten allemaal door elkaar heen.

“Hebben jullie ooit zo’n zwarte hemel gezien? Die rij sterren daar vormt de gordel van Orion”.

“Is er nog wijn?”

“Wijn?”

“Nou eentje dan”.

“Geloof jij in bush spirits?”

“Kijk eens om je heen. Wat zie je?”

“Eh.. ik weet het niet. Bush?”

“Precies! En kijk eens in je glas? Spirits!”

“Ken je de Tokoloshe? Dat is een harig duiveltje met een enorme lul. Hij wordt vaak opgeroepen om andere mensen kwaad mee te doen.”

“Een enorm duiveltje met een harige lul? Wat doet die dan?”

“Hij bijt slapende mensen hun tenen af.”

“Wat?”

“Hij heeft ook seks met je als hij dat wil. Niet als jij dat wilt”

“Echt. Waarom?”

“Weet ik niet. Het is heel duistere magie.”

“Hij kan zichzelf ook onzichtbaar maken.”

“Ben je mooi klaar mee. Een enorme onzichtbare harige lul. Waarom was je hier eigenlijk over begonnen? “, zeg je terwijl je je lege glas pakt. “Is er nog meer wijn?”, vraag je aan me.

“Ik hoorde geloof ik iets.”, zegt Ilse.

“Dat is de Tokoloshe die in je nek staat te hijgen met zijn harige lul in zijn handen”, zeg je.

Ik zie dat je doodmoe tegen Ilse aan hangt en dat zij zachtjes en verliefd je haren streelt. Wat zijn jullie mooi! En wat is dit perfect. Geen telefoons, geen wekkers, niemand die iets van ons verwacht of ons in de gaten houdt. In een straal van vijfhonderd kilometer geen mensen. Geen sceptici die vinden dat magie niet meer kan bestaan. De beperkingen van de beschaving zijn niet meer voelbaar.

“Ik voel me eindelijk vrij”, zeg je tegen me.

Hoe waar dat is, zal ons al snel duidelijk worden.

-/\-

Nadat we even later doodop onze tenten zijn ingekropen hoor ik dat je me roept.  

“Ik moet plassen,” klinkt het benauwd uit je tent.

“Kom op, serieus? Het is donker en er zitten hier leeuwen. En vergeet die Tokoloshe niet! Doe het maar in jullie tent”, plaag ik je.

“Hoe dan?”

“Heb je geen flesje?”

“Ik heb hier niks.”

“Kom maar” zeg ik. Ik ga mijn tent uit en schijn met de zaklamp om me heen.  

Ik hoor het knerpende geluid van de rits van je tent die opengaat.

“Niet te dicht bij de tenten want wilde dieren komen op de geur af”.

We lopen een stukje naar een onopvallende acacia die wij hebben omgedoopt tot “wc boom”. “Blijf vlak bij me” zeg je. Je hurkt. Je hebt geen slipje aan en begint gelijk te plassen. Ik hoor het warm klateren. De straal maakt een pruttelend geluid op de modder tussen de wortels van de boom. Ik sta vlak bij je en mijn voet wordt warm. Ik zeg er niks van. “Plas ik nou op je voet?”, vraag je geschrokken. “Ja, maar het geeft niet. Het is oké.” Ik hoor je nerveus giechelen. “Vind je het soms leuk?” “Ja, ik vind het wel…” Je maakt je zin niet af.

Als je overeind bent gekomen staan we dicht tegen elkaar aan, helemaal alleen in de enorme uitgestrektheid van de lege savanne. Je pakt me om mijn hals en kust me ineens hartstochtelijk.  In het donker is alles toch makkelijker. We staan bij de boom, ik druk je er tegen aan, begin tegen je aan te rijden. “Rustig, rustig niet zo snel man,” zeg je. Je draait weg. “Lik me alsjeblieft,” fluister je. Ik val voor je op mijn knieën.  Als twee dieren verkennen we al snuffelend en likkend elkaars bereidheid om te paren. Dat het daarmee wel goed zit is overduidelijk als je, half door je trillende benen gezakt, zo stil mogelijk klaarkomt.

In de tent hoor ik Ilse zich omdraaien. Hoort ze ons?

“Zal ik je een geheimpje vertellen?”, fluister je. Je ademt zwaar.

“Ik ben vreselijk benieuwd,” zeg ik.

“Ik moet ook nog verschrikkelijk schijten.”

“Kun je het niet ophouden?”

“Nee. Nee ik moet echt.”

“Doe het dan gewoon, we zitten hier nou toch.”

“Ik durf niet.”

“Hoezo?”

“Nou gewoon!”

“Doe het nou maar.”

Je hurkt en ik ga op mijn knieën voor je zitten. Ik pak je handen beet en kijk je in je ogen. Ik houd je vast. Je ontwijkt mijn blik.

“Kijk me aan als je het doet”, zeg ik.

Mijn grip op je handen wordt strakker.

“Doe het gewoon. Niet je ogen dicht doen. Er is hier niemand die kijkt. Alleen ik.”

“Ja ik doe het,” zeg je en geeft je er aan over.

Terwijl ik je in je ogen kijk, hoor ik aan de hoestende en pruttelende geluiden dat je je darmen leegt. Je kijkt me eerst hulpeloos, maar geleidelijk steeds zekerder en uitdagender aan, met je hoofd een beetje scheef. Ik zie je groene ogen schitteren in het maanlicht.

“Shit er is geen papier”, zeg je geschrokken.

“Ben je klaar? Blijf me aankijken!”

“Wil je dit nooit aan iemand vertellen?”  

“Nee! Wat denk jij dan. Dit is ons geheimpje.”

“Het is veel intiemer dan seks.”

“Weet ik.”

Je gaat voorover op handen en knieën en trekt de lipjes van je kut open. Ik kom dichterbij en wil je likken.

“Wow zeg ik. Wow.”

“Wat is er?”

“Je zit nog helemaal onder.”

Je giechelt benauwd. “Echt?”

“Ja.”

“Vind je dat niet vies?”

“Jawel, maar van jou niet.”

“O nee? Lik me dan maar schoon”.

Ik voel mijn hart plotseling dubbel zo snel slaan. Heb ik jou veroverd of heb jij mij betoverd? Komt het door de bush spirits die ons veranderd hebben?  Of omdat hier niemand naar ons luistert, niemand naar ons kijkt, niemand weet wie wij zijn en wat we doen? Hijgend van de opwinding druk ik mijn mond tussen je billen. Het is nog warm, ik ruik het, ik lik het op, heb het op mijn tong. Ik ben een wild wroetend dier geworden dat ruikt, proeft, snuffelt, voelt.  

“Je doet het goed”, fluister je opgewonden, “je doet het goed. Ik wil dat je alles weglikt, ik wil schoon zijn. Ben ik schoon?”

“Ja,” kreun ik vanuit de schemerwereld.

“Kom nu in me,” fluister je.

“Ja.”

Terwijl ik je voorzichtig en aandachtig penetreer, maak je een laag grommend geluid.  “Ruwer!”, hoor ik je kreunen.  “Nog ruwer, alsjeblieft!”Je piept met een hoog hees stemmetje, een stemmetje dat een schreeuw wil worden, moet worden, maar het van jezelf nog niet mag.  Ik dwing je naar de grond, je bent naakt, je borsten zitten onder de modder, je haar hangt in slierten voor je gezicht. Ik druk je gezicht tegen de droge aarde, je handen grijpen in het losse zand, het rode stof wervelt rond je vingers.

“O god”, piep je, “O god.”

En terwijl ik in je schouders bijt en met wegdraaiende ogen mijn zaad in de warme holte tussen je wilde heupen spuit, groeit je stemmetje uit tot de volwassen schreeuw van een vrouw die uiteindelijk genomen en gekregen heeft wat zij zocht. 

We liggen nog een tijd in elkaars armen in het gras. “Love forever,” staat op je arm. Maar ik hoef je niet meer te vragen voor wie het er staat en waarom.  Je hebt het me laten begrijpen.

Onze tenten staan nog in duisternis, maar het eerste zonlicht strijkt alweer langs de toppen van de drie magische heuvels, de Man, de Vrouw en het Kind. Ze zien er nog hetzelfde uit, maar kan het zijn dat ze hoger boven de savanne uitsteken dan gisteravond?  Komt dat door het licht? Jij gaat je eigen tent weer in, bij Ilse. Ik ben mezelf aan het wassen en hoor aan het geschuif en geritsel dat Ilse wakker is geworden en zich omdraait.  Ik hoor jullie lachend rommelen in jullie slaapzakken. Ilse geeft een verheugd gilletje. Ik hoor jou fluisteren en haar grommen. En al snel klinkt ook de aanzwellende schreeuw van haar orgasme, die behalve door onszelf door verder niemand wordt gehoord.

-/\-

Met glanzende ogen ontbijten we de volgende ochtend in stilte. Ilse wast zich bij de nog warme sintels van het gedoofde vuur. Jij en ik kijken samen naar haar prachtige naakte lichaam. Je loopt naar haar toe en kust haar. Ik breng jullie allebei een kop koffie. Eigenlijk moeten we nu al gaan inpakken. We hebben vijfhonderd kilometer lang de tijd om ons weer in te stellen op ons leven in de maatschappij.

Maar diep in ons hart willen we dat niet meer. Veel liever zouden we verdwijnen en onvindbaar worden. Liever zouden we alles wat we denken te weten opnieuw ontdekken in elkaars armen, hier aan de voet van de drie magische heuvels. Elke dag opnieuw.

De hele reis naar de stad maken we daarom plannen om terug te keren naar de drie heuvels op de savanne. Maar of we dat ook echt gaan doen?

Het antwoord op die vraag ligt verscholen tussen de wortels van een onopvallende acacia aan de voet van drie heuvels, ergens op de eindeloos golvende savanne.

Tekst: Ⓒ luckyman 2016

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *