Boeddha en de Tuinkabouter

Voor de halve finale van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘Boeddha en de Tuinkabouter.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 1000 woorden waarin een flashback en een flash forward voorkomen.’ Dit verhaal behaalde de eerste plaats in de halve finale.

Boeddha en de Tuinkabouter

In de voortuin van nummer 47 staat een Boeddha op het witte grind. Els is er stiekem een beetje trots op, zo netjes vindt iedereen haar tuintje. Ze steekt de sleutel in het slot, gaat naar binnen en legt haar sleutelbos op het tafeltje in de gang. Dat donkere gangetje leidt van de voordeur door de keuken naar de achtertuin. Maar waar de voortuin met trots is aangelegd, daar is de achtertuin een plek vol schaamte. Onkruid woekert tussen de bloemperken en de verroeste barbecue lekt bruinig vocht. Een bemoste tuinkabouter leunt tegen het schuurtje. Hij staat helemaal achterin, alsof hij iets te verbergen heeft en liever niet gezien wil worden.
Het smalle gangetje verbindt de witte kiezels rond de Boeddha met de smoezelige wereld van de Tuinkabouter. In die nauwe gang, halverwege trots en schaamte, trekt Els haar zwarte schoenen uit. Ze loopt naar de tuindeur en kijkt door de glazen ruit die ze met vlinderstickers heeft afgeplakt. Het zijn er zo weinig dat ze zelf nog net naar buiten kan kijken, maar net genoeg om zelf niet of bijna niet gezien te worden vanuit de huizen aan de overkant. Niet of bijna niet gezien worden, daar gaat het om. Dat maakt alles straks zo spannend. Ze begint zwaarder te ademen en voelt haar hart sneller slaan.

‘Ik ga het weer doen,’ zegt ze tegen zichzelf. ‘Ik heb hier de hele dag aan gedacht. Ik doe er niemand kwaad mee. Nog één keer. En dan stop ik ermee en ga voortaan van de herinnering eraan genieten.’

Ze loopt de trap op naar haar slaapkamer en trekt haar rok en witte blousje uit. Aan de binnenkant van de garderobekast hangt een spiegel en daarin ziet ze haar sliploze zelf, haar ronde heupen en smalle taille, de witheid van haar winterse huid en ronde borsten. Wat is het heerlijk om je zo vrij te voelen. Ze schuift de zilveren ring van haar middenvinger en legt die op het nachtkastje.

Nu ze naakt is pakt ze de grote afgesloten koffer, die ze heeft gekocht om te voorkomen dat de schoonmaakster in haar spullen neust. Ze haalt er een set zware hand- en enkelboeien uit. Met liefdevolle aandacht laat ze de gladde, glimmende schakels door haar vingers glijden. Met het setje in haar handen loopt ze de trap af en in het gangetje doet ze de boeien bij zichzelf om. Het gerinkel van de schakels, de ratelende klik van de boeien om haar polsen en het zware klakken van de beugels aan haar enkels, elk geluidje klinkt als de ultieme bevrijding. Haar poes knijpt vochtig samen en begint er zachtjes van te bonzen.

Met de handen voor haar buik geboeid schuifelt ze met geketende enkels naar de tuindeur en gluurt langs de stickers naar buiten. De tuin ligt er winters bij, bruinig, dor en kaal. Geen vogels te zien. Een trampoline staat koud in de tuin van nummer 49. Ze hoort de kinderen van nummer 45 praten en de buurman de trap afstommelen. Het zijn onbelangrijke geluiden die ze buitensluit want langzaam nadert ze de kilte van het glas. De kou stookt het vuur tussen haar dijen op en doet haar oren gloeien. Met haar opstaande tepels raakt ze het gladde glas het eerst, haar borsten drukt zij er stevig tegenaan. Ze legt haar geboeide handen plat op de ruit en spreidt haar vingers terwijl haar adem het venster doet beslaan. Ze likt het glas en denkt aan de dag dat zij ontdekte wat de kracht van schaamte was.

Op een dinsdagochtend, zes jaar geleden, was ze naakt naar de keuken gelopen om thee te zetten. Plotseling had een schilder in haar tuin gestaan en naar de deur gestaard waar zij achter stond, een naakte vrouw met alleen een theezakje in haar vingers. Ze had weg willen duiken maar was blijven staan, haar spieren verstijfd als in de roes vlak voor een orgasme. De man had zijn broek opengemaakt en zijn pik aan haar laten zien. Na een paar rukbewegingen in haar richting was hij lachend weggelopen. Ze was daarna naar boven gevlucht en had in de spiegel van de garderobekast urenlang naar zichzelf gestaard. De dagen daarna had ze niet meer naar buiten gedurfd, maar telkens als ze aan de schilder dacht, had ze weer naar die heerlijke roes van schaamte verlangd. ‘Ik wil het nog een keer voelen,’ had ze gedacht. ‘Eén keertje maar.’

Ze drukt haar beslagen tong nu stevig tegen het glas, zo hard dat die aan de ijsbloemen op de ruit blijft plakken. De opwinding, de angst om betrapt te worden, snijdt haar de adem af en haar hart jaagt kloppend tussen haar benen. ‘Ik doe het morgen nog, alleen morgen,’ denkt ze. ‘Hoe vaak zal ik hier nog ongezien voor de deur kunnen staan, trillend op mijn benen op de rand van trots en schaamte? Wacht, ik doe het tot het zomer wordt. Nee, twee zomers misschien. Of misschien wel vijftig.’ Ze moet erom lachen.

Ijsbloemen groeien, smelten en vallen van het glas. De hitte van de zomer doet daarna de bloemperken verdrogen. Deze tuin heeft water nodig, veel water, de aarde is verdroogd en de stengels verslappen. Els heeft het warm. Haar grijze poes is nog steeds vochtig, een instinctieve reactie op de nabijheid van het glas. Het kwijl druipt van haar natte lippen langs de diepe groeven rond haar mond. Het klopt en zwelt en kietelt tussen haar benen. Ze probeert haar platte borsten tot ronde schijfjes tegen het glas te drukken, het gaat haast niet meer, ze wil naar buiten en probeert verward en boos het slot van de tuindeur open te draaien. De deur zit potdicht. Ze kijkt door het glas naar de grijnzende tuinkabouter. Pas nu ziet ze dat hij daar al die jaren roerloos met een stijve heeft gestaan.
Niet of net niet gezien worden. Dat was de vraag. Daar was het allemaal om begonnen. De heerlijke schaamte pulseert die avond nog één keer schokkend in haar schoot.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *