Categoriearchief: Verhalen

Dear Mr. Fantasy

Een week bestaat maar uit twee dagen: een maandag en een vrijdag. Dat zijn vier momenten: het einde van de week, het begin van het weekend en het begin van de werkweek dat bij het einde van het weekend hoort. Wat er tussenin gebeurt is urenvulling en minder van belang. Zolang de maandag niet weet wat de vrijdag deed wil de vrijdag namelijk ook niet weten dat het maandag wordt.
Toch heb ik het op maandagochtend altijd erg moeilijk. Dat ligt niet aan mij of aan de maandag. Nee,  het komt allemaal door Koolhoven.

Koolhoven staat op maandag zo plomp voor het koffieapparaat dat iedereen die koffie pakt ‘goedemorgen Koolhoven, sorry mag ik er even bij’ tegen hem moet zeggen. Ik kijk naar de stijve haartjes die uit Koolhovens neus en oren piepen. Hij begint daar van binnen behoorlijk grijs te worden. Ik huiver en denk aan het lot van de kapster die hem daar misschien eens zou moeten knippen.
Koolhoven neemt een gewichtige slok uit een kartonnen bekertje en slikt de koffie klokkend door. ‘Afgelopen zaterdag’ zegt hij. ‘Afgelopen zaterdag ben ik met Anja naar de sauna geweest.’
Yvette van de afdeling Externe Relaties staat schichtig terzijde. Ze heeft vandaag haar camelkleurige jurkje aan en glimlacht in gedekte tinten. We weten allebei dat Koolhoven zo gaat vragen hoe ons weekend was.
En jij ? vraagt hij aan mij. ‘Hoe was jouw weekend?’ Ik zoek de ogen van Yvette maar ze heeft heet water voor haar thee gepakt en is verdwenen achter een grote plant.
Koolhoven kijkt me vriendelijk aan met fletse blauwe ogen. ‘Nou?’ vraagt hij. ‘Nog wat leuks gedaan?’
‘Lekker rustig,’ zeg ik. Ik heb het terras in de tuin schoongespoten.’ Koolhoven knikt begrijpend. ‘Mooi´ zegt hij. ‘Lekker in je tuin bezig geweest. Zo spaar je heel wat geld uit. Jij bent tenminste niet zo zweverig als onze Yvette haha. Waar is ze trouwens gebleven? Zeker nog even met paarden en bomen gaan praten. Is het alweer vijf over negen? Gauw aan het werk dan maar, anders hebben we een probleem.’
‘Ja,’ zeg ik. ‘We zijn ongeveer precies op tijd. Je kunt maar beter op je plek zitten voor het geval er iemand onaangekondigd belt.’

Op vrijdagmiddag zit ik bij de kapper en ben ik eventjes van Koolhoven verlost. Een kille wind waait langs mijn gezicht als het kappersmeisje langs mijn spiegel loopt. Haar schaduw doet het glas beslaan.
Hè wat een kou. Doe jij dat of is het de tocht? vraag ik.
Ze doet een dreigend pasje in de richting van de spiegel.
‘Ik bén die kilte,’ zegt ze met een lage stem. Mijn ziel is donker, mijn geest is duister, mijn hart is zwart en koud,’ ratelt ze in een sinistere mantra.
Ze kijkt me aan met een gezicht vol nauwelijks bedwongen pret en barst dan in lachen uit. Haar blauwe ogen stralen, haar haar hangt in donkerbruine slierten voor haar gezicht.
‘Ben jij een heks of zo,’ vraag ik aan haar stralende spiegelbeeld.
‘Ik ben geen heks maar leerling-kapster’ zegt ze. Hoewel ze geen heks zegt te zijn pakt ze toch een bezem en begint het haar van mijn voorganger onder mijn stoel weg te vegen.
‘Zijn Kim en Savannah er vandaag niet?’ vraag ik ongerust, maar ze geeft geen antwoord en zet de getande kop van een tondeuse op mijn hoofd. Het staal van de ijzeren kam schraapt hard en koud over mijn hoofdhuid. Ze scheert me onhandig en ruw, alsof ze een boerin is en ik haar schaap.
‘Ik heb gisteren een horrorfilm over heksen gezien,’ zegt ze. Houd je ook van horror?’
Ik zeg dat ik niet zo vaak naar films kijk. Maar dat ik het wel leuk vind klinken wanneer zij zegt dat het horror is. Ik zie dat haar lippen grappig tuiten, telkens als ze ´horror´ zegt.
Zij is heel anders dan Yvette die nooit eens zegt dat ze van horror houdt. Die valt alleen op omdat ze vaak langdurig thee drinkt met jonge mannen in de koffiehoek.
Ik denk: Ik zou het helemaal niet erg vinden als je een heks was.

Ken je Dear Mr. Fantasy? vraag ik daarom aan het meisje, terwijl ik het scherpe blad van haar kappersmes in mijn nek voel. Het is een liedje uit de hippietijd dat zij onmogelijk kan kennen. Als ze echt leerling-kapster is zal ze denken dat het de titel van een of andere Netflix-serie is. Maar als ze werkelijk een heks is zal ze het liedje kennen omdat ze eigenlijk heel erg oud is. Ik wacht gespannen af. ‘Steve Winwood hè,’ zegt ze. ‘Ja die ken ik goed. Mijn opa hield daar vroeger van. Hij speelde ook hammondorgel.’
Houd hij er nu niet meer van?
‘Hij speelt al jaren geen orgel meer’ zegt ze kort.
Ik zie dat ze bloost en voel dat ze het mes op mijn huid drukt. Ze gooit mijn afgeschoren haren in de prullenbak.
‘Wow dat je dat liedje kent! Je bent blijkbaar toch veel ouder dan je er uit ziet’ zeg ik.
Ze moet er van lachen. ‘Ik ben altijd jong geweest,’ zegt ze. ‘Ik houd van oude dingen doen. Ik ben een soort van tijdreiziger die in een eindeloze lus door het multiversum gaat.’ Haar ogen poppen bijna uit de kassen van vrolijkheid.
‘Als je echt een heks bent, mag ik dan mijn ziel aan je verkopen? vraag ik.
‘Verkopen?’ vraagt ze verbaasd. ‘Hoezo? Is die ziel van jou wat waard dan?’
Ze laat haar hand over mijn schedel glijden. Ik krijg een stijve van die streling. Nu pas zie ik dat ze me helemaal heeft kaalgeschoren. Zelfs mijn wenkbrauwen zijn met het mes verwijderd zonder dat ik er erg in had. Nu is er geen twijfel meer mogelijk: dit meisje is een heks.

Om onze prille relatie te vieren gaan we samen fastfood eten.
Ik laat het autoraampje zakken bij de luidspreker van de KFC drive-in.
‘Wat wilt u bestellen?’
‘Doe maar een ja wat wil jij eigenlijk?’
Ze kijkt afwezig, speelt met een oud en vuil ringetje dat om haar middenvinger knelt. Het goedkope ijzer drukt strak in het vlees. Ik wil haar vragen of het knelt of pijn doet. Ik wil ook weten of haar vinger tintelt als die vochtig wordt. Ik bestel wat nuggets en twee drankjes.
Het zweet parelt op mijn kaalgeschoren hoofd wanneer een slungelige jongen het uitgifteraampje van de drive-through openschuift. Hij kijkt bezorgd naar mijn wenkbrauwloze gezicht en de leerling-kapster naast me op de bijrijdersstoel. Zij staart voor zich uit, speelt met het vieze ringetje, frummelt aan wat dode haarpuntjes, kijkt bezorgd naar wat grijze plukjes.
De jongen richt zich nu glimlachend tot mij. ‘Zo wat gaat het vanavond worden meneer?’ Zijn blik blijft even hangen op de puntige borsten van het meisje. ‘Een pittig kippetje als vroege maaltijd of als late snack? Weet u wat? Ik doe er wat Creamy Buffalo saus bij voor de dame. Veel plezier ermee.’
Hij geeft me de bruine zak met gefrituurde kipresten. We rijden naar een parkeerplek. Daar wil ik een gepaneerde nugget pakken.

‘Nee niet doen,’ zegt ze.
Ze pakt het doosje van me af. Dan zakt ze wat onderuit en legt het doosje nuggets tussen haar benen. Langzaam doet ze het dekseltje open. Er komt een smerige, weeïge geur vanaf.
‘Eet de nuggets uit dit doosje,’ zegt ze. Een voor een. Niet je handen gebruiken.’
Voorzichtig buig ik voorover naar haar kruis, met mijn handen steun ik op haar dijen. Ik pak de eerste nugget voorzichtig tussen mijn tong en bovenlip vast.
‘Lekker,’ zeg ik. Een beetje vreemd om zo te eten. Maar wel lekker. Ik vind het leuk.’
‘Heb je al een stijve?’ vraagt ze.
‘Eh… zal ik het je laten zien?’
‘Nee ik wil het niet zien. Ik wil alleen weten of je een stijve krijgt wanneer je vette plofkip uit mijn doosje eet.’
‘Nee, ik heb geen stijve,’ zeg ik gedempt, met mijn mond tegen het vettige karton gedrukt.
‘Goed zo,’ zegt ze. Ze zwaait het portier open, stapt uit en loopt de berm in.
‘Wat doe je nou?’ zeg ik. ‘Moet je plassen?’
‘Nee,’ zegt ze. Ze zucht en kijkt ongerust naar haar dode puntjes. ‘Ik voel me alleen een beetje oud en slap. Ik heb wat maanlicht nodig. ‘Kijk,’ zegt ze en wijst op de bloemen in de berm. ‘Sint Janskruid. Heel veel, zie je? Je wilde toch weten of ik een heks was?’
Tegen de achtergrond van de neonlichten van de KFC, in een berm vol Sint Janskruid,  begint ze haar kleren uit te trekken. Haar witte huid schittert in het bleke maanlicht, het suizen van de banden van de auto´s op de snelweg in de verte lijkt verstomd. Ze is klein en ongeschoren, haar borsten glanzen in een manestraal, het koude licht schittert in haar ogen, haar haar valt voor haar gezicht wanneer ze naakt de bloemen plukt. De lucht wordt lauw en mistig en de berm ruikt naar drassig licht.
Even later zitten we samen in de berm, zij plukt de blaadjes van de bloemen en stopt ze in mijn mond.
‘Wat doe je met me,’ vraag ik. ‘Die bloemen, wat gaan ze doen?’
‘Niets,’ zegt ze. ‘Die bloemen doen niets voor je. Je moet alles zelf doen. Wil je me nu je stijve laten zien?’
Ik trek mijn broek naar beneden en laat mijn stijve hoopvol aan de kapster zien. Ze vertrekt echter geen spier en blijft me aandachtig bloemetjes voeren. Haar dode puntjes zijn verdwenen en haar bruine haren glanzen stijlvol in het maanlicht.
Ik wil haar zoenen maar ze wendt haar gezicht af.
‘Je hebt je stijve aan je kapster laten zien en je hebt gefrituurde kip uit haar doosje gelikt. Je hebt zelfs de bloemetjes gegeten die een naakte heks je heeft gevoerd.’
‘Ja,’ zeg ik. Je wilde best wel veel op onze eerste date als je het zo bekijkt.’
‘Zie je wel?’ zegt ze. ‘Vanaf nu moet je je eigen fantasie gaan gebruiken. Deze bloemetjes helpen je daarbij. Je hebt er nu wel genoeg van gegeten om de week mee door te komen, denk je ook niet?’
Wanneer ze wegrijdt kijk ik haar rondkontige rode scooter na. Een wolk schuift voor de maan en het rode neonlicht van de KFC dooft, nog voor ze om de hoek verdwenen is.

Op maandagochtend word ik dus gewoon weer wakker in mijn eigen bed. Als ik me in de badkamer wil gaan scheren en het mesje op mijn kin zet zie ik het meisje in de spiegel. Ik voel haar vingers over mijn hoofdhuid gaan. Er liggen bloemetjes op de wastafel en er staat een bezem in de gang. Ik slik een handvol bloemblaadjes door, stap naar buiten, loop over bemoste tegels mijn tuinpad af en trek het hekje dicht. Onderweg naar mijn werk zet ik het gezicht op van iemand die in het weekend het terras heeft schoongespoten en daarbij een beetje is uitgeschoten.

‘Jezus, wat loop jij voor lul,’ zegt Koolhoven bij de maandagochtendkoffie. ‘Naar wat voor kapper ben jij in godsnaam geweest? Je ziet er uit als een zieke kanarie. Oh wacht eens. Is het alweer zes over negen? We mogen wel opschieten. Dadelijk belt er nog iemand voordat we op onze plek zitten en dan hebben we een probleem haha.’
Yvette fluistert tegen me dat ik tegen Koolhoven had moeten zeggen dat kaal een keuze is. Daarna trekt ze zich snel terug achter de plantenbak in de koffiehoek. Ik heb gezien dat er sinds het weekend een nieuw ringetje glimt aan haar middelvinger. Een uurtje later staat ze met blosjes op de wangen in heftig debat met een nieuwe medewerker. 
Ik kijk naar Yvette terwijl ze met hem praat. Ik stel me voor dat zij haar bekken een beetje naar achteren kantelt, haar camelkleurige jurkje omhoog stroopt en daarna over haar schouder naar hem kijkt. ‘Kom maar,’ zegt ze met haar ogen.
‘Kom maar,’ fluisteren mijn lippen in respectvolle extase, maar ik schrik op uit mijn overpeinzingen als ik de dorre stem van Koolhoven hoor kraken. ‘En?’ zegt hij. Hoe was je weekend, Yvette?’

‘Zo dat was de maandag weer,’ hoor ik Koolhoven aan het eind van de dag zeggen nadat hij zich in het wc hokje naast mij met veel misbaar ontlast heeft. Wanneer hij doortrekt begint de genialiteit van Koolhovens visie op de week eindelijk tot me door te dringen. Het kantoor waar ik werk is eigenlijk helemaal niet zo saai. Je kunt er vrijuit fantaseren dat je collega´s met elkaar neuken terwijl je zelf doet of je werkt.  Maar als je geen fantasie hebt zul je uiteindelijk merken dat je op je werk tegen je eigen ontlasting begint te praten, zoals Koolhoven inmiddels doet.
Ik kijk op de heren wc in de spiegel en zie de glimlach van mijn kapster. Ze staat achter me en drukt de tondeuse zo hard op mijn hoofd dat het bloedt. Ik begrijp haar boodschap. Ik ga eens flink de bezem door mijn leven halen.
Ik kan nu al niet meer wachten tot het maandag wordt.

-/\-

 

Vonken Malen

Het Poolsterplein op zondagochtend biedt weinig meer dan een geluidloze worsteling van de wind met de regen. De wind probeert de wolken bij de keel te grijpen, ik kijk omhoog en zie ze vluchten. Op het plein is alleen het geschuifel van mijn voeten te horen, het dichttrekken van de rits van mijn jack, het snuiven van mijn ademhaling. Verder is het stil. Niemand spreekt of schreeuwt, je hoort geen woord, geen vloek, geen kreet van pijn.

In pop-up store Don Quixote staan naakte etalagepoppen, hun lijven glimmen, de ogen in hun kale schedels staren glazig voor zich uit. De winkeleigenaar is al druk bezig. Hij hangt rode SALE-kaartjes aan de polsen van de poppen en plakt nieuwe stickers op de ramen.
Als om twaalf uur de rolluiken van de winkels omhoog gaan, stappen ook bij Don Quixote de eerste klanten naar binnen. Een van de eersten is een jonge vrouw met een gewatteerd lichtkleurig jack, een spijkerbroek en een strakke rode paardenstaart. Ze hangt bij een display met hangertjes rond, streelt er voorzichtig eentje met haar vingertoppen en kijkt schichtig om zich heen.
Dan rukt ze ruw het hangertje los en rent met een verbeten gezicht de winkel uit. Op zilverkleurige gympen roffelt ze lichtvoetig over de natte tegels in de richting van de straat. Ze trapt in een plas, het water spat op en daarna schiet ze rakelings voor me langs bij de natte bankjes voor de Primark. Ik kijk haar na tot ze met wapperende paardenstaart achter de loempiakraam verdwenen is. Onderweg heeft ze iets laten vallen op de trappen naar de straat.

Hoewel ze al verdwenen is, kan ik haar parfum nog ruiken. Ik snuif een rokerige oude lucht op, als van patchouli. Het is een stoere, elegante geur. In het voorbijgaan heeft ze me aangekeken, haar gezicht zo dichtbij dat ik zelfs de piercings in haar oor kon zien. Nu blijkt dat het meisje achterna gezeten wordt door een trage, zwaarlijvige man.
‘Waarheen?’ hijgt hij tegen me.
Ik luister maar half, nog bezig de zilveren ringetjes te tellen die ik in de oorschelp van het meisje heb gezien
‘Die troela heeft iets gejat,’ hijgt hij. ‘Waar is ze naartoe?’
Ik stuur de man de verkeerde kant op, in de richting van het metrostation. Onder het rennen kijkt hij op zijn telefoon en struikelt daardoor over een krat pompoenen van de toko. Met een rood aangelopen hoofd verontschuldigt hij zich bij de winkelier, druk gebarend in de richting van het metrostation. Nadat hij in zichzelf foeterend is teruggekeerd gaat hij de pop-up store weer binnen en kijkt verwijtend naar me om.

Voorzichtig loop ik in de richting van de loempiakar waarachter het meisje zich heeft verstopt. Nu zie ik ook het voorwerp dat ze op de trap heeft laten vallen. Het is een nepzilveren kettinkje met een molentje van glas eraan. Ik raap het op en stop het zo diep mogelijk weg in mijn zakken. Het molentje brandt in mijn jaszak. In een enkel ogenblik ben ik van toeschouwer medeplichtige geworden. Ik tril van het aantrekkelijke vooruitzicht de dader van dit misdrijf te gaan ontmoeten. Maar als ik aan de achterkant van de loempiakraam kijk, is ze al verdwenen.

Zo ging het ongeveer op die zondag, een jaar geleden. Eerlijk gezegd waren mijn dagen daarna niet meer hetzelfde. Ze leken korter geworden, minder belangrijk ook. De nachten daarentegen werden steeds langer, de straten telkens leger. Ik kon niet slapen en bracht uren achter de computer door, op zoek naar informatie over roodharige meisjes met paardenstaarten die waardeloze voorwerpen jatten uit tijdelijke winkels. Het zoeken werd lezen, het lezen werd studeren, net zo lang tot mijn verlangen een obsessie werd.
Ik begon mijn dagen door te brengen in de Centrale Bibliotheek. Bij het schaakbord in de hal ontmoette ik een zwerver met een baard en een rand van pluizig haar om zijn kale schedel. Hij vertrouwde me toe dat meisjes met een strakke rode paardenstaart afstammen van een mysterieus volk dat in de oertijd in het laagveen leefde. Daarna fluisterde hij dat er een manuscript bestond uit het begin van de vijftiende eeuw. Het verhaalde van een roodharige molenaarsvrouw die aan de geur tussen haar benen kon ruiken of het zou gaan regenen of niet. Die vrouw kreeg de schuld van de Elisabethsvloed van 1421 en werd vervolgd wegens hekserij. Vastgebonden aan een molenwiek werd ze uiteindelijk door het woedende volk met molen en al in brand gestoken.
Hierna vroeg hij me om een Euro en slofte weg, naar eigen zeggen in de richting van Delfshaven.

De lente kwam, de zomer ging en alleen de rokerige geur van patchouli bleef prikkelend in mijn neus hangen, elke keer als ik de trappen naar het Alexandrium opliep. Ik droeg het molentje steeds bij me, in de borstzak van mijn overhemd dichtbij mijn hart – voor het geval het meisje terug zou komen.

Pas in de herfst zag ik haar weer toen ik in Prinsenland over het Vierkante Eiland In De Plas fietste. Ze zat in de allerlaatste stralen van de zon op de rand van de grote betonnen schotel van het kunstwerk. Ze speelde met haar paardenstaart, haar benen bungelden losjes over de rand. Ik zette mijn fiets tegen een van de betonnen wanden en klom naar boven.
Ze strekte zwijgend haar arm naar me uit en opende haar handpalm.
Ik legde het hangertje in haar hand. Ze hield het op ooghoogte tussen haar vingers, het glazen molentje draaide langzaam rond. Het kettinkje schitterde in de zon, ik zag het glinsteren in haar ogen.
‘Waarom heb je het eigenlijk gestolen?’ vroeg ik.
‘Nou gewoon, zei ze.’ Omdat ik er altijd wel een beetje geil van word als die gast van de pop-up me achterna zit.’ Ze beet op haar onderlip. ‘Ik denk namelijk dat hij er ook wel een beetje geil van is als hij probeert me te pakken.’
Ik voelde een scheut in mijn maag. Ze rook niet meer naar het hippiekruid patchouli maar naar vermoeide bloemen op een graf. Ze had een legerjack aan in camouflagekleuren, droeg glimmend zwarte boots.
Don Quixote is weg,’ zei ik. ‘Die pop-up store heet nu: Blow!’
‘Weet ik,’ zei ze. ‘En de zon gaat zo onder over mijn eiland.’
‘Wat doe je hier eigenlijk?’ vroeg ik.
‘Wat doe jij hier eigenlijk op mijn eiland?’ zei ze plagerig. Ze ging verzitten, trok haar knieën op en sloeg haar armen om haar benen heen. Ik zag gele lichtjes vonken in haar ogen.
‘Ik kwam hier alleen maar even langs fietsen,’ zei ik. ‘Woon je hier of zo?’
Ze staarde in de richting van de eeuwenoude begraafplaats aan de overkant van de plas. Een windhoos trok over ondiep water, waaide om ons heen en verdween met een zuigend geluid in het gat onderin de betonnen schotel.
‘Dit is het laagste punt van Rotterdam,’ zei ze. ‘Het is het gevaarlijkste plekje van de stad als het water van de vloed weer komt. Ik kom hier altijd chillen. Sinds de stad bestaat tenminste,’ voegde ze er wat raadselachtig aan toe. Ze schudde haar paardenstaart naar achteren. ‘Wist je trouwens dat je hier helemaal niet mag fietsen?’
We liepen samen over de brug in de richting van de Parktoren, ik met mijn fiets aan de hand.
‘Welke kant ga je op?’ vroeg ze.
Ik kuchte. ‘We zouden bij mij thuis aan het Oostplein een kopje thee kunnen drinken.’
Ze zei niets maar sprong bij me achterop en sloeg haar arm om mijn middel, met haar vingers greep ze een huidplooi vast.

We waren daarna samen op mijn kamer en dronken thee van rode vruchten.
‘Het gaat morgen regenen,’ zei ze na afloop, terwijl ze aan haar vingers snuffelde.
‘Hoe weet je dat?’ vroeg ik.
‘Ik heb het daarnet aan de vloed tussen mijn benen geroken. Mijn moeder was een roodharige molenaarsvrouw, zij heeft me dit geleerd. Ik weet altijd wat voor weer het wordt als het geurt en tintelt in mijn wiekenkruis.’
‘Gaat het ook nog waaien?’ vroeg ik. ‘Misschien moet ik daar beneden nog eens beter ruiken aan het weer.’Ik wilde met mijn tong de weersverwachting uit haar gaan oplepelen, maar ze draaide weg en staarde ernstig in de richting van het Oostplein.
‘Zie je de molen daar?’ zei ze. ‘Hij wenkt me met zijn wieken.’
Ze wees naar de rotonde maar ik zag alleen twee verregende fietsers door rood rijden.
‘Die molen is toch bij het bombardement verbrand?’
‘Nee. Deze molen had een moedig hart. Hij vocht tegen de vlammen door met zijn wieken te draaien en het vuur tot vonken te vermalen, zei mijn overgrootmoeder. Maar na de stormvloed van 1953 waren de mensen dat vergeten. De molen is het jaar daarop alsnog in brand gestoken. Mijn oma is daarna nooit meer gezien…net als na de Elisabethsvloed, mompelde ze er achteraan.
Anyway, ik moet morgen naar Blow! zei ze.
‘Ik ga mee,’ zei ik gretig. ‘Ik wil je voortaan helpen shoppen.’
‘Dat is lief van je. Alleen…kun je me niet echt helpen.’
‘Waarom niet?’ vroeg ik.
‘Omdat die pop-up store niet echt een winkel is.’
‘Geen winkel? Maar wat is het dan wel?’
Ze schudde haar hoofd. Ze zweeg en staarde in de richting van de verdwenen molen op het plein.

Toen ik de volgende ochtend wakker werd, voelde ik dat haar plek in bed koud en onbeslapen was. Ze zat op een houten stoel voor het raam en keek uit over het Oostplein. Ze leek mij niet op te merken en prevelde half neuriënd een oud versje.

Molen bindt me aan je wieken
draai me tot ik sterren zie
molen ga de vonken malen
want dan brandt de molen niet

‘Die pop-up gast laat zijn klanten op me jagen,’ zei ze. Hij organiseert het als een heksenjacht omdat hij elke maand weer bang is voor de vloed. Steeds weer, steeds opnieuw. Ik moet er wel aan mee doen, of ik wil of niet. Hij lokt me telkens met die molenhangertjes. Die staan te glimmen vlakbij de uitgang. Het is gewoon te verleidelijk.

Als hij ‘houd de dief’ roept, weten de mannen op het plein dat ze je overal mogen beetpakken. Ze draaien je arm op je rug, dwingen je hoofd omlaag en grijpen je dan hard tussen je wieken.’ Ze legde haar hand tussen haar dijen alsof ze daar pijn had. ‘Mannen hebben ruwe handen,’ zei ze zacht. ‘En in de nachten droom ik dat ik brand.’
‘Ben je er wel eens voor naar de dokter of de politie gegaan,’ zei ik onnozel.
 ‘Ja, elke keer moet ik die winkel een boete van 181 Euro betalen.’ Ze moest hard lachen. ‘Hou toch op man. Ik ben als dief meer voor ze waard dan al het spul dat ze verkopen bij elkaar.’

We liepen hand in hand van de metro naar het Poolsterplein. Haar hand begon steeds zwaarder te wegen in de mijne en uiteindelijk voelde die als een ding dat niet meer vastgehouden wilde worden. Ik liet haar los. Ze draaide zich naar me toe en kuste me met rokerige lippen op mijn mond. Toen hing ze het kettinkje met de molen om mijn nek.
‘Ga hier weg,’ zei ze. ‘Voordat het water van de vloed weer komt.’

Ze liep met rechte schouders naar de pop-up store, een trotse schim uit vervlogen tijden, verdwaald in de verhalen van de stad. Ik zag haar een hangertje weggrissen en nog eenmaal voor haar leven rennen, lichtvoetig en wapperend met haar paardenstaart als een wolk die op de vlucht is voor de wind. Ver kwam ze niet. Ze botste tegen een man op, viel op de grond en werd door een groep joelende kerels aan haar haren de winkel in getrokken. Haar laarzen schraapten over de tegels. Langzaam ging het witte rolluik voor mijn ogen dicht.

Nog diezelfde nacht is de winkel helemaal uitgebrand. De kranten schreven dat ooggetuigen een merkwaardig, regelmatig suizend geluid in de vlammen hadden gehoord, als van de voorbijvliegende wieken van een molen die strijdt tegen het vuur.

Dit verhaal schreef ik voor de wedstrijd Rotterdam Schrijft op het Sweek platform. Het haalde de finale niet.

De Eerste Druppel

Voor de wedstrijd Het Rode Oor, georganiseerd door DeBuren, stuurde ik het verhaal ‘De Eerste Druppel’ in. Helaas haalde het de finale van Het Rode Oor niet, maar je kunt hier genieten van: De Eerste Druppel:

De Eerste Druppel

Oh sorry. Deed ik je pijn? Ik hoop dat je niet geschrokken bent. Word alsjeblieft niet boos. Ik zag je even niet. Of beter gezegd: ik weet niet precies waar jij begint. Dat is niet zo moeilijk. Want jij ziet ook niet waar ik ophoud. Het is hier namelijk nogal donker. Dat moet zo zijn natuurlijk, dat begrijp ik. Sommige dingen liggen zo voor de hand dat ze altijd makkelijk zullen blijven, ook zonder licht. Je bent dichtbij. Ik heb mijn ogen dicht. Dat is er een. We zijn samen. Dat is een ander. Ik hoef mijn hand maar uit te steken om je aan te raken, om je te pakken. Moeiteloos. Jij bent toch overal. Misschien wel daarom doe ik het niet. Ik weet niet eens of ik het al kan. Wacht even, dan ga ik anders liggen. Ja, beter zo, veel beter.

Deze duisternis is zo veilig, weet je. Niemand kan mij vinden, niemand ziet of weet dat ik hier samen met je ben. Ik ben steeds dieper en dieper in je doorgedrongen. Ik ben nu al zo ver in je gekomen dat ik door je hart ben opgezogen, verder kan ik niet. Ik voel jouw ritme kloppen in mijn bloed en zo stroom ik steeds weer door je heen, van onder naar boven, van links naar rechts in een eindeloze lus. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ik in je ben opgelost. Zo ben jij mij en ben ik deel van jou geworden.

Schuif je nog een stukje op? Mag ik nog wat dichter bij je komen? Ik heb niet veel ruimte van je nodig. Ik ben maar een letter in jouw woorden, ik ben een zuchtje in de adem van je stem. Ik voel dat je mij omsluit als de warme bol waarin ik ben. Ik golf met elke adem door je heen. Soms ga ik kopje onder in je zee. Ik ben omdat ik zwem.

Weet je het nog? Ik niet. Ik weet helemaal niets meer van vroeger, van voor ik was. Maar je zegt me zacht dat het geweldig was. Dat ik met je samenvloeide in een warme kloof die lokkend tussen je dijen gloeide. Nadat je klaarkwam ben ik zomaar in je aangespoeld. Ik ben een ster die viel en nooit van plan was om te blijven. Je liet me toe. Ik mag hier in je drijven.

Ik weet niets meer van al je wellustige welvingen en geraffineerde rondingen. Ze zijn helemaal niet nodig voor mij. Niemand kent je zo goed van binnenuit als ik dat kan. Ik ruik de geur van je hart, proef het zuur van je angst en het bitter van je woede. Als je lacht, dan dansen de getijden in de zee, het is een blije vloed die telkens sneller stroomt, ik voel de warme wanden van de oevers, die rekken zachtjes met me mee.

Ik weet niets van de dagen en de nachten. Ik ken je teddybeer pyjama’s niet. Jij ziet het licht en ik moet daarop wachten. Ik drijf langzaam groeiend in jouw rivier van bloed, de kliffen aan de hoge oevers grijpen mij. Je knelt me tussen kloppende en sidderende wanden, mijn doortocht in de nauwe doorgang doet je pijn.

Ik hoop dat je bent uitgerust. Want als het dag is wil ik slapen en in de nachten droom ik van je marmerwitte borsten, die wachten op de eerste druppel die ik kus.

Wat ik geleerd heb in het donker blijf jij onthouden in het licht. Ik ben dichtbij je en heb nog steeds mijn ogen dicht.

Celestio´s Bibliotheek

Pater Celestio staarde vanuit het raam van de kloosterbibliotheek naar de donkere heuvels aan de horizon. Daar stak het silhouet van een brandende stad grimmig af tegen de avondlucht, de vlammen sloegen uit de ramen van de huizen en gele vonken schoten de zwarte hemel in. De bewoners waren de stad voor de duivel ontvlucht en hadden hun toevlucht gezocht in de landerijen rondom het klooster. Voor de poort van de abdij was een kleine markt ontstaan waar werd gezongen, gedronken en gedanst. De geur van bier en verse broden steeg uit de kramen op, vermengd met de scherpe geur van het brandhout in de ovens.
Het waren turbulente tijden maar in het klooster had pater Celestio zich voorgenomen om alles stevig onder controle te houden. Zo had hij bijvoorbeeld enkele timmerlieden opdracht gegeven om vlak onder het raam van zijn bibliotheek een galg op te richten. Met voldoening en welbehagen keek hij een tijdje naar de voortgang van dit werk. Daarna sloot hij zorgvuldig de drie luiken van de bibliotheek en schoof glimlachend de zware grendels dicht.

Nu draaide hij zich om en keek begerig naar de jonge vrouw die hij in een grote kooi midden in de kloosterbibliotheek gevangen hield. Het was Annecke, een jonge dienstmaagd die door enkele kooplieden was beschuldigd van diefstal van een kruik wijn. Na een kort proces, waarin de ongelukkige zich niet tegen deze beschuldiging had kunnen verweren omdat haar leugenachtige tong in een ijzeren masker zat geklemd, was ze veroordeeld tot dwangopvoeding in het particuliere tuchthuis van de pater. Dit betekende in de praktijk dat zowel de duur als de omstandigheden van haar opsluiting af zouden hangen van haar gedrag. De beoordeling hiervan werd volledig aan pater Celestio toevertrouwd, een grote verantwoordelijkheid die hij namens de Kerk echter graag op zich nam.
De kooplieden hadden vandaag een bediende naar het klooster gestuurd, die Celestio als blijk van hun waardering een kruik wijn en een stuk gezouten geitenvlees kwam brengen. Dit was een sympathiek gebaar dat hij opvatte als een aanmoediging om de gevangene zo zwaar en zo langdurig mogelijk te tuchtigen. Op zijn beurt gaf Celestio de bediende knipogend een stapeltje aflaten mee voor de kooplieden en burgers in de stad.  Lees verder Celestio´s Bibliotheek

Boeddha en de Tuinkabouter

Voor de halve finale van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘Boeddha en de Tuinkabouter.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 1000 woorden waarin een flashback en een flash forward voorkomen.’ Dit verhaal behaalde de eerste plaats in de halve finale.

Boeddha en de Tuinkabouter

In de voortuin van nummer 47 staat een Boeddha op het witte grind. Els is er stiekem een beetje trots op, zo netjes vindt iedereen haar tuintje. Ze steekt de sleutel in het slot, gaat naar binnen en legt haar sleutelbos op het tafeltje in de gang. Dat donkere gangetje leidt van de voordeur door de keuken naar de achtertuin. Maar waar de voortuin met trots is aangelegd, daar is de achtertuin een plek vol schaamte. Onkruid woekert tussen de bloemperken en de verroeste barbecue lekt bruinig vocht. Een bemoste tuinkabouter leunt tegen het schuurtje. Hij staat helemaal achterin, alsof hij iets te verbergen heeft en liever niet gezien wil worden.
Het smalle gangetje verbindt de witte kiezels rond de Boeddha met de smoezelige wereld van de Tuinkabouter. In die nauwe gang, halverwege trots en schaamte, trekt Els haar zwarte schoenen uit. Ze loopt naar de tuindeur en kijkt door de glazen ruit die ze met vlinderstickers heeft afgeplakt. Het zijn er zo weinig dat ze zelf nog net naar buiten kan kijken, maar net genoeg om zelf niet of bijna niet gezien te worden vanuit de huizen aan de overkant. Niet of bijna niet gezien worden, daar gaat het om. Dat maakt alles straks zo spannend. Ze begint zwaarder te ademen en voelt haar hart sneller slaan. Lees verder Boeddha en de Tuinkabouter

Nachtheksen

Het verhaal ‘Nachtheksen’ schreef ik samen met Mahotsukai voor de EWA bijeenkomst van 30 september 2017. Het thema van die bijeenkomst is: Crime Passionel. Je kunt dit verhaal trouwens ook lezen op de site van Mahotsukai. Lengte: 5930 woorden. 

Nachtheksen

Andrea
Het is een avond in mei en het regent zachtjes op de Gerdesiaweg. Onder de kap van het metrostation straalt licht vanuit de tunnelbuis. De granieten gedenksteen van het bombardement glimt dreigend in de duisternis en rode spots in de stoeptegels markeren de brandgrens van 1940. De roltrap van het station zet zich om kwart over elf schokkerig in beweging. Een jonge vrouw komt naar boven. Ze heet Andrea en haar blonde krullen vallen als borduurwerk op de rug van haar groene bomberjack. Een bruine pitbull vergezelt haar en zodra ze boven is bukt ze zich naar de hond en maakt zijn halsband los. Het dier gaat er meteen bevrijd vandoor in de richting van de vijver aan de overkant van de weg. Een verregende fietser komt in de bocht aanzetten, trapt zachtjes in zichzelf vloekend hard op de pedalen. Een jogger wijkt voor de hond uit naar het fietspad maar heeft de fietser niet gezien. De hond hapt naar de fietser, het meisje schreeuwt ‘Floyd!’ en de jogger springt voor het wiel van de fietser weg.
‘Lekker bijdehand!’
‘Is die hond van jou?’
‘Mafkees!’
‘Floyd!’
De hond loopt los en licht zijn poot. Hij pist tegen het gedenkteken van het bombardement. Er staat: de oorlog is zoet, tot je hem proeft – Erasmus. Andrea trekt haar capuchon omhoog en tuurt op haar telefoon. ‘Floyd, kom nou,’ roept ze naar de hond. ‘Floyd kom nou. Jezus!.’ Lees verder Nachtheksen

De Appelboom

Voor ronde 8 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Appelboom.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 800 woorden waarin sprake is van een generatiekloof.’  Met dit verhaal ben ik geplaatst voor de halve finale. 

De Appelboom

Aan het eind van de middag sta ik in het huis van mijn vader voor het raam. Een man met een lange jas en grijze hoed loopt op straat. Hij kijkt angstig achterom, achtervolgd door de echo van zijn eigen stappen. Een vrouw in een witte jurk komt hem tegemoet. Verblind door de lage zon ziet hij haar niet aankomen en net op het moment dat hij over zijn schouder kijkt struikelt hij over haar lange schaduw. Ik zie het gebeuren maar begrijp het niet. Ik ben maar een kind dat speelt met schaduwkonijnen en lacht om de stemmen die opwaaien uit de echoput. ‘Wat voor kleur heeft God?’ vroeg ik ooit eens aan mijn vader. ‘Die kleur bestaat niet,’ zei hij. Daarna las hij verder in de krant.

‘Waar kom ik vandaan?’ vroeg ik mezelf vaak af. Die vraag was een stuk persoonlijker vanwege het antwoord. Een kind komt namelijk van de plaats waar nog geen schaduw is. Ik ken die plek heel goed – van horen zeggen. ‘In de ogen van je moeder’’ had mijn vader gezegd toen ik maar bleef zeuren waar die plek te vinden was. Ook had hij mij toevertrouwd dat het een donkere, wilde wereld was geweest, woest en ledig. Daarna had hij de rest van zijn leven gezwegen en door het beslagen raam naar de appelboom in de tuin gestaard, zijn hand zo krachtig om de leuning van zijn stoel geklemd dat zijn knokkels er wit van weggetrokken waren.

In het begin, toen mijn ouders hun jonge lijven nog elke dag in elkaar verstrengelden, hun leven een wilde cocktail van zaad en zweet en zoete tranen, was hij zo dicht bij mijn moeder geweest dat niets, zelfs de schaduw niet, tussen hen in was gekomen. Ook in het donker onder de dekens was geen spatje schaduw te zien geweest. Ik begreep later waarom de zaklamp altijd op hun nachtkastje lag, want je weet maar nooit zei mijn vader en een schaduw vlucht toch altijd als er licht op schijnt beaamde mijn moeder. Maar ondanks al hun voorzorgsmaatregelen is er uiteindelijk toch iets tussen mijn vader en de schaduw voorgevallen. En dat is niet verwonderlijk want een schaduw is altijd jong en verleidelijk: zij ontstaat pas als er licht op een ander lichaam valt. Het is daarom best wel logisch dat ik juist het meeste over de schaduw heb geleerd door te ontdekken wat mijn vader voor mij verborgen hield.

Vandaag kijk ik voor het eerst in het fotoalbum dat hij onderin de kast verstopt had. Ik glimlach om de snorren en de bakkebaarden- alleen de hond lijkt eigentijds. Ik sla een bladzijde om en laat het album daar openliggen.
Hannah was de zoveelste verkoopster in zijn damesmodezaak. Op de foto staat zij bij de appelboom in onze tuin terwijl de lage zon haar welgevormde schaduw aan mijn vaders voeten werpt. Hannah draagt een strak suede rokje en ik vermoed dat zij daaronder elke dag opnieuw een verse bos geurig schaamhaar liet groeien waar mijn vader zijn baard ‘s avonds in begroef, smakkend, likkend, opdringerig proevend, zijn oogwit geel van wilde nachten. Met het schuim van de schaduw tussen haar lippen zou zij hem daarna verslinden: soppend, kwijlend, duwend, trekkend – eerst zijn hongerige lid, dan de rest inclusief mijn moeder en de damesmodezaak.
Mijn hart klopt in mijn keel wanneer ik haar glanzende foto uit mijn vaders fotoalbum trek. Haar ogen schitteren triomfantelijk, het truitje trekt haar trotse tepels overeind. Ik kijk eerst naar de appelboom, dan naar de lange witte benen onder het donkere rokje. Ik knoop mijn broek los en trek me op haar foto af tot er heldergele sterretjes schitteren in mijn hoofd. Het voelt alsof mijn vader naar me kijkt als ik, voluit ejaculerend, mijn sperma over Hannah’s gezicht en borsten laat vloeien. Haar papieren glimlach verrimpelt onder de draderige vlek. Ik merk dat zaad niet hecht op de afdruk van een schaduw, het rolt vruchteloos van de glanzende foto op mijn tapijt.

Nadat ik mezelf heb bevredigd stap ik de tuin in. Klik klak klinkt het in de keuken, tik tok tikt het op de tegels in de tuin. Dat zijn mijn vaders stappen, een geluid dat zichzelf versterkt en vergroot tot een op de groei gekochte mantel van galm. Zijn bulderende echo rolt lomp in de richting van mijn tuin. Daar zit de schaduw stil en drinkt verfijnd haar thee, zij draagt een witte zonnehoed met lint.
Een onstuimige zomerstorm nadert in de verte. Ik zie hoe de bliksem het hart van de donder treft en zij hem eenmaal liefheeft met haar allesverterend vuur. Ik sta in de flikkering van de flits wanneer achter mij de schaduw dood uit de appelboom valt.
Ik draai me naar haar toe met het schijnsel van mijn vaders zaklamp in mijn hand.

 

Liefde is een Hart

Voor ronde 7 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘Liefde is een Hart.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 650 woorden over een fortune cookie.’  Dit verhaal eindigde op de vijfde plaats en hiermee ga ik door naar / met ronde 8!

Liefde is een Hart

‘Ik was gewoon de draad kwijt,’ denkt hij. ‘Kan gebeuren, maar kwijt is niet verloren. De draad blijft gewoon liggen waar hij is gevallen, wachtend op de hand die hem weer oppakt. Dan gaat de draad weer door, op precies hetzelfde moment als waar zij werd losgelaten.’ En vandaag had hij eindelijk weer de draad ontdekt, getriggerd door een gedachte in het eerste gelukskoekje dat hij daarnet bij de afhaalchinees had opengemaakt: ‘Het volmaakte geluk is zo groot dat het pijn doet.’ Zou het niet heerlijk zijn dat nog eens te voelen?

Hier, precies hier op de derde witte streep van dit zebrapad was het ooit gebeurd. Hier had hij door het rode licht gelopen, hier had zij hard voor hem geremd. Hier had hij midden op de weg gestaan terwijl zij verwonderd naar hem keek. Hier had hij, balancerend op de rand van het witte thermoplast, in een peilloos diepe afgrond van donker asfalt gekeken. Hier had zij op haar schoolfiets geleund, een bruine leren schooltas achterop de drager.
‘Hallo’ had hij onhandig, bijna wanhopig gestameld. De lenteavond was daarna om hen heen gevallen als de stilte op de vierde mei en zelfs de vogels luisterden naar hun zwijgen mee. De tram stond knipogend bij de halte, klaar om linksaf te slaan. Toen was het licht weer op groen gesprongen. Terwijl zij onhandig steppend op de veel te grote damesfiets weer op gang kwam, was ze hem gepasseerd. Ze had nog een paar keer over haar schouder naar hem omgekeken en daarna haar eigen pad door tijd en ruimte vervolgd. Hij had naar haar wiebelende kont op het zadel gestaard tot zij met fiets en al voorgoed verdwenen was tussen de coulissen van de stad.

Nu staat hij weer op het kruispunt en denkt aan zijn kinderen die hem niet meer bellen en de buren die hem kort te woord staan, hun ongeduldige sleutels al in het voordeurslot gestoken. Hij maakt het tweede koekje open: ‘Een pad ontstaat door erop te lopen.’ Met een grote stap zet hij zijn voet op de eerste witte streep. Hij voelt het. Hij weet het. Het zebrapad naar de vluchtheuvel is een horizontale trap naar de volmaaktheid, elke stap een sprong vooruit. Hij kijkt naar links. Zijn hart klopt jong, zijn geest ademt vrij. Daar in de verte komt ze aanfietsen, alleen veel harder dan hij zich herinnert. Ze trapt gehaast door alsof ze het groene licht nog wil halen. Groen, oranje, rood. Ze zet haar lange spierwitte been op de grond. Dat been is niet oneindig, maar lijkt eindeloos. Het verdwijnt in de hete schemer die zij onder het omhoog gekropen rokje tussen haar dijen voor hem heeft bewaard. Ze stapt af en zet haar grote fiets tegen de prullenbak bij het stoplicht. Haar steile haar heeft een intrigerende kleur, ergens tussen rood en blond, haar lichtblauwe ogen stralen met een eenmalige glans.
Ze pakt haar bruine schooltas van onder de snelbinders. Giechelend en gniffelend hollen ze samen de trap naar een portiekwoning op. De zware tas ruikt naar leer en valt op de grond als haar arm om zijn nek glijdt en zij zich door hem op de mond laat kussen. Hij drukt zijn lippen zachtjes op haar hals, duwt zijn kruis verlangend tegen haar aan. Maar dan klikt ze de sloten van haar schooltas open en haalt er twee koekjes uit. ‘Ik heb deze speciaal voor ons bewaard,’ zegt ze. ‘Ik heb: ‘Liefde is een hart in twee lichamen.’ En jij?’ ‘De wijze kijkt niet om, maar loopt achteruit om vooruit te komen.’

Samen lopen ze naar de zebra, ze geeft hem een wonderlijk koele hand en trekt hem met zich mee. Achteruitlopend steken ze over, elke stap verschijnt als een donkere afdruk op de witte strepen van de oversteekplaats. De weg is de bestemming. Waar ze naar toe gaan zien ze niet. Dat blijft nog even een verrassing.

De Estafette Paradox

Voor ronde 6 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Estafette Paradox.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 450 woorden waarin een dilemma centraal staat.’  Dit verhaal behaalde een gedeelde vijfde plaats in de jurywaardering en werd zestiende in het publieksklassement. 

De Estafette Paradox

De kleedkamer ruikt naar zoete talk en zweet van bange meisjes.

‘Ik was op tijd coach, maar Gabi niet. Die stond te dromen in de transfer zone.’

De blauwe ogen van het meisje worden groot en haar talentvolle pupillen stellen hem de vraag.

‘Je bedoelt dat je betere afspraken wilt, Ulrike? Gabi is onze vierde loopster, dat weet je toch? Je moet het stokje aan háár doorgeven en dat kan alleen als jullie samenwerken als een team. Luister: De laatste loopster moet als eerste over de finish komen en jullie willen allemaal de laatste zijn. Dat noemen we de estafette paradox. Het is het grootste dilemma uit de socialistische sportbeoefening. Maar genoeg theorie voor vandaag. We gaan nu verder aan je techniek werken.’

Ulrike zucht begrijpend en ritst haar donkerblauwe trainingsjack open. Daarna buigt ze zich voorover en knielt voor haar coach op de grond. Ze spreidt haar lange vingers op de startstreep en richt haar gespierde kont omhoog in de richting van de rode vaandels op de staantribune aan de Oostkant. Haar blonde krullen hangen voor haar gezicht. Over haar linkerschouder kijkt ze achterom. Haar billen zijn rond en haar onderrug welft uitnodigend als de schans van het decadente Garmisch Partenkirchen. De coach glijdt met zijn handen langs die witbesneeuwde helling omlaag. Dan grijpt hij haar bij de heupen en trekt haar gladde broekje naar beneden. Wow, denkt hij. Deze kringtraining gaat nauw luisteren. Hij kucht in haar nek.

‘Voel je die tinteling onderin je rug, elke keer als ik je daar wat stretch en oprek? Dat zijn jouw vleugeltjes van lust Ulrike, daarmee zul je naar de finish vliegen. Je hebt de langste benen van de DDR, de donkerrode sintels in de laatste bocht zullen gloeien onder de hitte van je spikes. Voel je het vuur al in je branden?

‘Het vuur coach?’

‘Ja, denk maar aan de Olympische vlam terwijl je zo dadelijk op je onderlip bijt. Morgen ga ik Gabi trainen en daarna Marita en Haike, tot ik jullie alle vier heb geprepareerd voor de Spelen. Vertrouw me maar Ulrike.’

De coach denkt aan het ontluikende blonde snorretje op Ulrikes bovenlip en perst zijn paarse paddo door haar kringspier. Die sluit zich schielijk achter de rand als een sterke mond met zuigeffect. Haar gesmoorde gejammer vertelt de coach dat de training het beoogde effect begint te krijgen. Het loopt gesmeerd. Hij voelt geen weerstand meer. Het prikkeldraad in haar droge endeldarm is weggesmolten, haar dichtgebrande eierstokken kijken vruchteloos aan de zijlijn toe. Hij bijt haar in de gespierde schouderbladen terwijl hij zeven afgepaste porties oefenstof bij haar inbrengt. Het dilemma is opgelost.
De laatste loopster zal het eerste komen en Ulrike zal die laatste zijn.

(

Les Filles Fragiles

France, Département Haut Rhin, 1967

De camping aan het Meer van Kruth-Wildenstein was vol en mijn ouders hadden er net de tent opgezet. Ik zat op het randje van de stuwdam en keek uit over het meer in het licht van de ondergaande zon. Ik had honger en dat was niet zo vreemd. Een jongen van mijn leeftijd had altijd wel honger of trek. Maar verder had ik nergens zin in en zeker niet in het opzetten van een bungalowtent. Het gegniffel van de andere campinggasten om het gedoe van mijn moeder en het gestuntel van mijn vader was gewoon veel te pijnlijk. Aan de andere kant wilde ik zoveel dingen tegelijk dat ik nergens aan toe kwam. Het staren over het stille meer kwam nog het dichtste in de buurt van mijn allerdiepste wens: om alles wat het leven bood nu alvast in één allesomvattend moment te beleven. Zolang ik maar niets deed, hield ik alle mogelijkheden daartoe nog even open. Dat een daarvan zich al snel aan mij zou openbaren, kon ik toen nog niet vermoeden. Lees verder Les Filles Fragiles