Categoriearchief: Erotische Verhalen

De Penalty Killer

Voor de finale van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Penalty Killer’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotische´whodunnit´  van maximaal 2000 woorden.’ Dit verhaal behaalde de derde plaats in de finale en daarmee won ik de derde prijs in de laatste EWA schrijfmarathon. Ik ben erg blij met deze ereplaats!

De Penalty Killer

Een ervaren rechercheur weet altijd wie de waarheid spreekt: dat is de klok die aan de muur hangt in de koffiehoek. Elke maandag zette ik daarom om tien voor negen mijn eerste kartonnen bekertje van de week onder het mondstuk van de koffieautomaat. Een druk op de knop deed het oude apparaat ratelen met het geluid van koffiebonen die gemalen werden. Het bruine vocht stonk naar afwas en ik spoelde mijn dromen ermee weg.

De maandagochtend lag dan voor me, met administratie om te doen en voetbal om over te praten. Praten over al gespeelde wedstrijden was fijn. Dan verdween de stilte en maakte plaats voor een wegwerpjas van kameraadschap.
‘Drie penalty’s, allemaal gemist.’
‘Begrijp jij dat nou?’
‘Ik had nou nog maar vijf goed in de Toto.’
Voetbal interesseerde me verder geen bal. Mijn weekend vulde ik door te vissen in een stadsvijver vol drijvend wier en plastic. Op zaterdagavond ging ik relaxen bij Noy op de Dordtselaan. Ze was niet knap, maar wel heel aardig. ‘Leegmaken?´ vroeg ze elke keer aan het eind van de massage, met mijn dikke geslacht in haar kleine hand. Als ik er wat bijlegde, schoof ze haar lippen over mijn eikel en dan loosde ik alles in haar mond. Daarna sloot ze de salon af en ging ik leeg naar huis, net op tijd om de samenvattingen te zien en af te wachten wat de Lotto deed. Alles was al die jaren hetzelfde, alles was te overzien. Lotto, Toto, de mond van Noy en de kantoorkoffie als maandagse mondspoeling. Alles was in evenwicht tot om 09.13 eindelijk de melding kwam die alles zou veranderen.

De hele afdeling stond nog rond de koffieautomaat toen mijn stagiair Stef kwam aanrennen vanuit het trappenhuis. Na dertig jaar dienstverband bij de politie had ik het belangrijkste principe van het schakelbewijs geleerd: als iemand de trap neemt komt dat omdat die niet op de lift wil wachten. En als iemand niet op de lift wil wachten heeft die haast. En als iemand bij de politie haast heeft, is er iets gebeurd. Ik zette dus rustig mijn koffiebekertje neer.

‘Chef we hebben een stijve,’ hijgde Stef met uitpuilende ogen. Onmiddellijk stopten alle gesprekken. Een stijve was de geheime code op de afdeling Recherche als er een dode vrouw was gevonden en als je geluk had was die ook nog naakt. Het was daarom zaak zo snel mogelijk ter plaatse te geraken. Nu was het eigenlijk zonde dat Noy mij eergisteren al had ´leeggemaakt.´

Het lichaam lag in de kleedkamer van RVSV. Het was Lisette Zeegers, spits van Dames 1. Ze rustte op haar buik, gedrapeerd over een laag houten bankje in het midden van de kleedruimte, haar rechterbeen gestrekt, het linker nog wat opgetrokken. Lang blond haar hing voor haar gezicht en er lag een plasje bloed op de grond. Ik keek naar haar ronde witte billen. ‘De Penaltykiller´ stond er op geschreven met dik aangezette letters. Het leek een tattoo maar het was inkt van een viltstift. Ik liet mijn vingertoppen over haar rug naar beneden glijden, het lichaam was koud, ik voelde mijn stijve zwellen als in de hand van Noy. Terwijl de Technische Dienst bezig was, vroeg ik me af hoe lang mijn zaad zou kunnen blijven leven tussen de weefsels in haar dode schoot. Het was een vreemde gedachte. Ik wilde het aan de stagiair vragen maar Stef was nog steeds druk met foto’s nemen van Lisette. Ik zag dat hij een selfie bij haar lijk maakte.
‘Je mag haar zo niet posten Stef,’ zei ik. ‘Zelfs niet onherkenbaar gemaakt. Ook al maakt ze je nog zo geil.’
‘Daar doe ik het niet voor Chef. Ik probeer alleen de nieuwe camera even uit.’
‘Oh dan is het goed. Wil je zo ook wat koffie? Dan gaan we eens wat betrokkenen ondervragen in de kantine.’

Klassiek speurderswerk. Er zijn er niet zo veel meer die dat beheersen. Speurders zijn mensen die begrijpen dat de waarheid altijd ergens sluimert tussen taxichauffeurs en serveersters. Taxichauffeurs die weten waar je bent geweest en serveersters die zich herinneren wat je hebt gedronken. Die mensen zijn de moeite. Want waarom zou een man anders zijn tijd en geld besteden om naar een bar te gaan? De kunst is om die sluimerende waarheid te doen ontwaken. Stef had nog niet veel gevoel voor die dingen. Het verhoor van kantinejuffrouw Tineke liep daarom stroef.
‘Koffie graag.’
‘Ja goed.’
‘Waar is suiker?’
‘‘Suiker staat daar.’
‘Wie heeft Lisette vermoord?’

‘Ok, laat mij maar Stef.’

Tineke was een jaar of vijftig, blond en glossy op haar eigen manier. Ze droeg een gouden kettinkje dat de gerimpelde huid in haar hals benadrukte. Met een glimlach schonk ze een bekertje koffie voor me in en schoof het over de bar naar me toe. Pas toen het vlak voor mijn neus stond, liet ze het langzaam los.

‘Het is zijn schuld niet Tineke. Die jongen komt van de afdeling Formulieren. Daarom vraagt hij maar raak.’
‘En jij? Heb je een revolver of een pistool?’ vroeg ze. Ze legde een geringde hand op haar volle heup.
‘Het is een wapen,’ zei ik.
‘Goed. Jij weet alles van wapens maar ik weet alles van deze club. En ik zeg je: er klopt iets niet. Het is een bizar seizoen met rare uitslagen. Lisette kreeg elke wedstrijd penalty’s te nemen, soms wel drie per wedstrijd. Ze schoot ze er altijd in. Maar afgelopen zondag tegen GSAVV ging het fout.’
‘‘Wat ging er fout?’ vroeg ik. Miste ze?’
‘Ja, ze miste ze allemaal.’
‘Allemaal? Hoeveel waren het er dan?’
‘Zeven. Zeven penalty’s. Ik hoorde het van Marleen, de linksbuiten. Lisette schoot de zevende penalty zachtjes naar de keeper. Het rollertje kwam nauwelijks tot de doellijn. Toen de keeper de bal opraapte, zei de scheidsrechter dat ze te vroeg had bewogen en moest Lisette de penalty opnieuw nemen. De tweede keer schoot ze over. De scheidsrechter zei dat ook die moest worden overgenomen. ‘Overgenomen? Waarom?’
‘Omdat er nog niet gefloten was. De derde keer schoot ze naast. De supporters waren woest. Gisteren is ze op Twitter bedreigd.’ ‘Bedreigd? Door wie?’
‘Joop den Heyer. Zijn nick is deventer63’
‘Ik heb het al gevonden Chef,’ zei Stef. ‘Hier staat het:

‘Vieze vuile #LisetteZeegers ik neem een met prikkeldraad omwikkelde komkommer voor je mee #penaltyhoer.’

Denkwerk begint waar wartaal eindigt. Ik fronste mijn zware wenkbrauwen en begon te prakkizeren. Hadden de gemiste penaltys ermee te maken? Die zeven keer expres naast geschoten bal? Het sloeg allemaal nergens op. Ik kwam er zo niet uit.
‘Stef, roer godverdomme niet met je potlood in je koffie. Ik kan me zo niet concentreren.’
‘Ik zie de roerstaafjes niet Chef.’
‘Allemaal ellende jongen, er is ook geen koffiecreamer meer. Het is armoe op de club sinds we zijn opgekocht door die Parijzenaar.’

Soms, als een man het niet meer ziet. Als de gedachten in zijn radeloze hoofd rondspiralen als afwaswater in een afvoerputje, dan is het enige dat helpt een frisse blik opzij. Mijn blik dwaalde af van het potlood van Stef naar de dame in het midden van de kantine. Haar silhouet omhelsde de schaduw die zij op een witte pilaar wierp. Ze droeg een duur mantelpak met daaronder een lichtblauwe blouse. Aan haar slanke polsen rinkelden dunne gouden armbandjes. Haar knappe gezicht werd omlijst door halflang lichtblond haar en ze had een koude, blauwige glans in haar ogen. Deze informante verdiende het eens stevig aan de tand gevoeld te worden.
Ze stak een slappe, koele hand uit en legde die lui in die van mij. Haar nagels waren perfect gemanicuurd. ‘Ik ben Marleen, de linksbuiten van Dames 1.’ Ze kwam los van de pilaar en liep met trage heupbewegingen naar de bar. Ik voelde de leegmaakgreep van Noy klemmen in mijn broek.

‘Heb je wel eens gehoord van de penalty killer?’ vroeg ik.
‘Weet jij niks van voetbal? Een penalty killer is een keeper. Doelverdedigers zijn de moedigste spelers, de enigen die de hele wedstrijd met hun rug naar het publiek durven te staan.’  
‘Je liegt,’ zei ik. Er is geen moed nodig om iemand te doden. Alleen een motief. Soms zelfs dat niet eens. Het is zo gebeurd. Het is niks bijzonders. Iedereen is ertoe in staat.’

‘Het was dit seizoen begonnen,’ zei Marleen. ‘Inzetten op je eigen wedstrijd. Het mag natuurlijk niet maar we zaten allemaal krap. Het leek zo onschuldig. Je deed gewoon een extra pirouetje en dan leed je balverlies. Je trok een sprintje in de leegte in plaats van in de diepte. Niemand zou het zien, niemand zou het merken. Alleen Lisette wilde er niet aan mee doen. Ze begon de afspraken te saboteren en nu staat ze levenslang buitenspel.’
Als een mantra prevelde ze: de bal is hol, de bal is rond, de bal is bol en hobbelt verder langs de lijn. Hoe kan iets dat van binnen leeg is, zo hard aankomen?”

Dit was de doorbraak waar ik op gehoopt had. Marleen reed me in haar Audi naar een goedkoop motel om dieper op de zaak in te gaan. Terwijl ze onder de douche stond, gluurde ik door de Luxaflex naar buiten. Niemand te zien. Daarna ging ik op het groezelige bed zitten en zette de televisie aan. De trainer van Dames 1, Nol Koudijzer, werd geïnterviewd door een sportkanaal. Hij was een oude man met een witte snor en bakkebaarden.

‘Lisette was een elegante speelster. Ze draaide pirouettes als een turnster, de bal bleef altijd plakken aan haar voet. Ik genoot van haar kronkelende slaloms langs houterige verdedigsters. Ze was zo los in de heupen, zo lenig. Haar paardenstaart wapperde als een blonde vlag waarmee ze zei: ik ben je voorbij, wat een sukkeltje ben jij! Toen ik dat wist, begreep ik eh… wat ik zelf bedoelde.”

‘Wat een stom interview met die trainer vind je ook niet?’ Marleen stond met haar handdoek omgeslagen op de drempel van de douche. ‘Hij was verliefd op Lisette maar ze lachte hem uit. Ze noemde hem ‘Ouwe Nol.”
‘Hij klinkt niet verliefd, Marleen. Eerder geil. Ik zou wel eens op zijn harde schijf willen kijken.’
Marleen liet haar handdoek op de drempel vallen en ik zag dat zij een linksbuiten was waar de klasse vanaf droop. Ze vlijde zich tegen mij aan, ik voelde haar grote tepels tegen mijn borst drukken. Ik was een tepelman, dat wist ik zeker toen ze met een hand mijn vuurwapen begon door te laden. Ik doopte de loop zachtjes in haar rode roos. Haar lenige lichaam kronkelde onder mijn soepele bewegingen, ze ademde stotend in het ritme van de losse kogels in mijn zak. Met grote ogen verstijfde ze schokkend in mijn armen, alsof ik haar getaserd had. Pas toen drukte ik mijn lading in haar af.

We zwegen en staarden in de motelkamer naar de televisie, ieder in onze eigen roes. De Toto uitslagen werden voorgelezen.
‘Alweer maar vijf goed in de Toto,’ zei ik.
‘Je moet anders gaan inzetten,’ zei ze. ‘Op de benefietwedstrijd voor Lisette. Ik ga een-nul maken door een penalty in de 63e minuut. Daarna pak ik een rode kaart. Zet daar maar al je spaargeld op. De Parijzenaar betaalt altijd uit.’

Er zijn momenten in het leven van een man dat hij iets leert en nieuwe keuzes moet maken. Zo heb ik geleerd niet te vertrouwen op de wijzers van de klok, zeker niet in goedkope motels waar kamers per uur worden verhuurd. En ik heb geleerd geduld te hebben. De waarheid laat zich namelijk altijd vinden in de ogen van de dame waarmee je bent. Dat komt omdat waarheid net zo is als liefde: ze bestaat zolang je in haar gelooft.

Ik keek naar Marleen, ze sliep. Ik greep haar slanke polsen en boeide ze strak op haar rug. Ze verzette zich heftig toen ik met een viltstift De Penalty Killer op haar onderrug schreef en haar doodskreet in een kussen smoorde.
Rustig pakte ik de telefoon. ‘‘Stef, we hebben weer een stijve,’ hoorde ik mezelf zeggen.

(c) 2017 luckymanbooks

 

Boeddha en de Tuinkabouter

Voor de halve finale van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘Boeddha en de Tuinkabouter.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 1000 woorden waarin een flashback en een flash forward voorkomen.’ Dit verhaal behaalde de eerste plaats in de halve finale.

Boeddha en de Tuinkabouter

In de voortuin van nummer 47 staat een Boeddha op het witte grind. Els is er stiekem een beetje trots op, zo netjes vindt iedereen haar tuintje. Ze steekt de sleutel in het slot, gaat naar binnen en legt haar sleutelbos op het tafeltje in de gang. Dat donkere gangetje leidt van de voordeur door de keuken naar de achtertuin. Maar waar de voortuin met trots is aangelegd, daar is de achtertuin een plek vol schaamte. Onkruid woekert tussen de bloemperken en de verroeste barbecue lekt bruinig vocht. Een bemoste tuinkabouter leunt tegen het schuurtje. Hij staat helemaal achterin, alsof hij iets te verbergen heeft en liever niet gezien wil worden.
Het smalle gangetje verbindt de witte kiezels rond de Boeddha met de smoezelige wereld van de Tuinkabouter. In die nauwe gang, halverwege trots en schaamte, trekt Els haar zwarte schoenen uit. Ze loopt naar de tuindeur en kijkt door de glazen ruit die ze met vlinderstickers heeft afgeplakt. Het zijn er zo weinig dat ze zelf nog net naar buiten kan kijken, maar net genoeg om zelf niet of bijna niet gezien te worden vanuit de huizen aan de overkant. Niet of bijna niet gezien worden, daar gaat het om. Dat maakt alles straks zo spannend. Ze begint zwaarder te ademen en voelt haar hart sneller slaan.

‘Ik ga het weer doen,’ zegt ze tegen zichzelf. ‘Ik heb hier de hele dag aan gedacht. Ik doe er niemand kwaad mee. Nog één keer. En dan stop ik ermee en ga voortaan van de herinnering eraan genieten.’

Ze loopt de trap op naar haar slaapkamer en trekt haar rok en witte blousje uit. Aan de binnenkant van de garderobekast hangt een spiegel en daarin ziet ze haar sliploze zelf, haar ronde heupen en smalle taille, de witheid van haar winterse huid en ronde borsten. Wat is het heerlijk om je zo vrij te voelen. Ze schuift de zilveren ring van haar middenvinger en legt die op het nachtkastje.

Nu ze naakt is pakt ze de grote afgesloten koffer, die ze heeft gekocht om te voorkomen dat de schoonmaakster in haar spullen neust. Ze haalt er een set zware hand- en enkelboeien uit. Met liefdevolle aandacht laat ze de gladde, glimmende schakels door haar vingers glijden. Met het setje in haar handen loopt ze de trap af en in het gangetje doet ze de boeien bij zichzelf om. Het gerinkel van de schakels, de ratelende klik van de boeien om haar polsen en het zware klakken van de beugels aan haar enkels, elk geluidje klinkt als de ultieme bevrijding. Haar poes knijpt vochtig samen en begint er zachtjes van te bonzen.

Met de handen voor haar buik geboeid schuifelt ze met geketende enkels naar de tuindeur en gluurt langs de stickers naar buiten. De tuin ligt er winters bij, bruinig, dor en kaal. Geen vogels te zien. Een trampoline staat koud in de tuin van nummer 49. Ze hoort de kinderen van nummer 45 praten en de buurman de trap afstommelen. Het zijn onbelangrijke geluiden die ze buitensluit want langzaam nadert ze de kilte van het glas. De kou stookt het vuur tussen haar dijen op en doet haar oren gloeien. Met haar opstaande tepels raakt ze het gladde glas het eerst, haar borsten drukt zij er stevig tegenaan. Ze legt haar geboeide handen plat op de ruit en spreidt haar vingers terwijl haar adem het venster doet beslaan. Ze likt het glas en denkt aan de dag dat zij ontdekte wat de kracht van schaamte was.

Op een dinsdagochtend, zes jaar geleden, was ze naakt naar de keuken gelopen om thee te zetten. Plotseling had een schilder in haar tuin gestaan en naar de deur gestaard waar zij achter stond, een naakte vrouw met alleen een theezakje in haar vingers. Ze had weg willen duiken maar was blijven staan, haar spieren verstijfd als in de roes vlak voor een orgasme. De man had zijn broek opengemaakt en zijn pik aan haar laten zien. Na een paar rukbewegingen in haar richting was hij lachend weggelopen. Ze was daarna naar boven gevlucht en had in de spiegel van de garderobekast urenlang naar zichzelf gestaard. De dagen daarna had ze niet meer naar buiten gedurfd, maar telkens als ze aan de schilder dacht, had ze weer naar die heerlijke roes van schaamte verlangd. ‘Ik wil het nog een keer voelen,’ had ze gedacht. ‘Eén keertje maar.’

Ze drukt haar beslagen tong nu stevig tegen het glas, zo hard dat die aan de ijsbloemen op de ruit blijft plakken. De opwinding, de angst om betrapt te worden, snijdt haar de adem af en haar hart jaagt kloppend tussen haar benen. ‘Ik doe het morgen nog, alleen morgen,’ denkt ze. ‘Hoe vaak zal ik hier nog ongezien voor de deur kunnen staan, trillend op mijn benen op de rand van trots en schaamte? Wacht, ik doe het tot het zomer wordt. Nee, twee zomers misschien. Of misschien wel vijftig.’ Ze moet erom lachen.

Ijsbloemen groeien, smelten en vallen van het glas. De hitte van de zomer doet daarna de bloemperken verdrogen. Deze tuin heeft water nodig, veel water, de aarde is verdroogd en de stengels verslappen. Els heeft het warm. Haar grijze poes is nog steeds vochtig, een instinctieve reactie op de nabijheid van het glas. Het kwijl druipt van haar natte lippen langs de diepe groeven rond haar mond. Het klopt en zwelt en kietelt tussen haar benen. Ze probeert haar platte borsten tot ronde schijfjes tegen het glas te drukken, het gaat haast niet meer, ze wil naar buiten en probeert verward en boos het slot van de tuindeur open te draaien. De deur zit potdicht. Ze kijkt door het glas naar de grijnzende tuinkabouter. Pas nu ziet ze dat hij daar al die jaren roerloos met een stijve heeft gestaan.
Niet of net niet gezien worden. Dat was de vraag. Daar was het allemaal om begonnen. De heerlijke schaamte pulseert die avond nog één keer schokkend in haar schoot.

Nachtheksen

Het verhaal ‘Nachtheksen’ schreef ik samen met Mahotsukai voor de EWA bijeenkomst van 30 september 2017. Het thema van die bijeenkomst is: Crime Passionel. Je kunt dit verhaal trouwens ook lezen op de site van Mahotsukai. Lengte: 5930 woorden. 

Nachtheksen

Andrea
Het is een avond in mei en het regent zachtjes op de Gerdesiaweg. Onder de kap van het metrostation straalt licht vanuit de tunnelbuis. De granieten gedenksteen van het bombardement glimt dreigend in de duisternis en rode spots in de stoeptegels markeren de brandgrens van 1940. De roltrap van het station zet zich om kwart over elf schokkerig in beweging. Een jonge vrouw komt naar boven. Ze heet Andrea en haar blonde krullen vallen als borduurwerk op de rug van haar groene bomberjack. Een bruine pitbull vergezelt haar en zodra ze boven is bukt ze zich naar de hond en maakt zijn halsband los. Het dier gaat er meteen bevrijd vandoor in de richting van de vijver aan de overkant van de weg. Een verregende fietser komt in de bocht aanzetten, trapt zachtjes in zichzelf vloekend hard op de pedalen. Een jogger wijkt voor de hond uit naar het fietspad maar heeft de fietser niet gezien. De hond hapt naar de fietser, het meisje schreeuwt ‘Floyd!’ en de jogger springt voor het wiel van de fietser weg.
‘Lekker bijdehand!’
‘Is die hond van jou?’
‘Mafkees!’
‘Floyd!’
De hond loopt los en licht zijn poot. Hij pist tegen het gedenkteken van het bombardement. Er staat: de oorlog is zoet, tot je hem proeft – Erasmus. Andrea trekt haar capuchon omhoog en tuurt op haar telefoon. ‘Floyd, kom nou,’ roept ze naar de hond. ‘Floyd kom nou. Jezus!.’ Lees verder Nachtheksen

De Appelboom

Voor ronde 8 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Appelboom.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 800 woorden waarin sprake is van een generatiekloof.’  Met dit verhaal ben ik geplaatst voor de halve finale. 

De Appelboom

Aan het eind van de middag sta ik in het huis van mijn vader voor het raam. Een man met een lange jas en grijze hoed loopt op straat. Hij kijkt angstig achterom, achtervolgd door de echo van zijn eigen stappen. Een vrouw in een witte jurk komt hem tegemoet. Verblind door de lage zon ziet hij haar niet aankomen en net op het moment dat hij over zijn schouder kijkt struikelt hij over haar lange schaduw. Ik zie het gebeuren maar begrijp het niet. Ik ben maar een kind dat speelt met schaduwkonijnen en lacht om de stemmen die opwaaien uit de echoput. ‘Wat voor kleur heeft God?’ vroeg ik ooit eens aan mijn vader. ‘Die kleur bestaat niet,’ zei hij. Daarna las hij verder in de krant.

‘Waar kom ik vandaan?’ vroeg ik mezelf vaak af. Die vraag was een stuk persoonlijker vanwege het antwoord. Een kind komt namelijk van de plaats waar nog geen schaduw is. Ik ken die plek heel goed – van horen zeggen. ‘In de ogen van je moeder’’ had mijn vader gezegd toen ik maar bleef zeuren waar die plek te vinden was. Ook had hij mij toevertrouwd dat het een donkere, wilde wereld was geweest, woest en ledig. Daarna had hij de rest van zijn leven gezwegen en door het beslagen raam naar de appelboom in de tuin gestaard, zijn hand zo krachtig om de leuning van zijn stoel geklemd dat zijn knokkels er wit van weggetrokken waren.

In het begin, toen mijn ouders hun jonge lijven nog elke dag in elkaar verstrengelden, hun leven een wilde cocktail van zaad en zweet en zoete tranen, was hij zo dicht bij mijn moeder geweest dat niets, zelfs de schaduw niet, tussen hen in was gekomen. Ook in het donker onder de dekens was geen spatje schaduw te zien geweest. Ik begreep later waarom de zaklamp altijd op hun nachtkastje lag, want je weet maar nooit zei mijn vader en een schaduw vlucht toch altijd als er licht op schijnt beaamde mijn moeder. Maar ondanks al hun voorzorgsmaatregelen is er uiteindelijk toch iets tussen mijn vader en de schaduw voorgevallen. En dat is niet verwonderlijk want een schaduw is altijd jong en verleidelijk: zij ontstaat pas als er licht op een ander lichaam valt. Het is daarom best wel logisch dat ik juist het meeste over de schaduw heb geleerd door te ontdekken wat mijn vader voor mij verborgen hield.

Vandaag kijk ik voor het eerst in het fotoalbum dat hij onderin de kast verstopt had. Ik glimlach om de snorren en de bakkebaarden- alleen de hond lijkt eigentijds. Ik sla een bladzijde om en laat het album daar openliggen.
Hannah was de zoveelste verkoopster in zijn damesmodezaak. Op de foto staat zij bij de appelboom in onze tuin terwijl de lage zon haar welgevormde schaduw aan mijn vaders voeten werpt. Hannah draagt een strak suede rokje en ik vermoed dat zij daaronder elke dag opnieuw een verse bos geurig schaamhaar liet groeien waar mijn vader zijn baard ‘s avonds in begroef, smakkend, likkend, opdringerig proevend, zijn oogwit geel van wilde nachten. Met het schuim van de schaduw tussen haar lippen zou zij hem daarna verslinden; soppend, kwijlend, duwend, trekkend – eerst zijn hongerige lid, dan de rest inclusief mijn moeder en de damesmodezaak.
Mijn hart klopt in mijn keel wanneer ik haar glanzende foto uit mijn vaders fotoalbum trek. Haar ogen schitteren triomfantelijk, het truitje trekt haar trotse tepels overeind. Ik kijk eerst naar de appelboom, dan naar de lange witte benen onder het donkere rokje. Ik knoop mijn broek los en trek me op haar foto af tot er heldergele sterretjes schitteren in mijn hoofd. Het voelt alsof mijn vader naar me kijkt als ik, voluit ejaculerend, mijn sperma over Hannah’s gezicht en borsten laat vloeien. Haar papieren glimlach verrimpelt onder de draderige vlek. Ik merk dat zaad niet hecht op de afdruk van een schaduw, het rolt vruchteloos van de glanzende foto op mijn tapijt.

Nadat ik mezelf heb bevredigd stap ik de tuin in. Klik klak klinkt het in de keuken, tik tok tikt het op de tegels in de tuin. Dat zijn mijn vaders stappen, een geluid dat zichzelf versterkt en vergroot tot een op de groei gekochte mantel van galm. Zijn bulderende echo rolt lomp in de richting van mijn tuin. Daar zit de schaduw stil en drinkt verfijnd haar thee, zij draagt een witte zonnehoed met lint.
Een onstuimige zomerstorm nadert in de verte. Ik zie hoe de bliksem het hart van de donder treft en zij hem eenmaal liefheeft met haar allesverterend vuur. Ik sta in de flikkering van de flits wanneer achter mij de schaduw dood uit de appelboom valt.
Ik draai me naar haar toe met het schijnsel van mijn vaders zaklamp in mijn hand.

(c) luckymanbooks 2017

 

Liefde is een Hart

Voor ronde 7 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘Liefde is een Hart.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 650 woorden over een fortune cookie.’  Dit verhaal eindigde op de vijfde plaats en hiermee ga ik door naar / met ronde 8!

Liefde is een Hart

‘Ik was gewoon de draad kwijt,’ denkt hij. ‘Kan gebeuren, maar kwijt is niet verloren. De draad blijft gewoon liggen waar hij is gevallen, wachtend op de hand die hem weer oppakt. Dan gaat de draad weer door, op precies hetzelfde moment als waar zij werd losgelaten.’ En vandaag had hij eindelijk weer de draad ontdekt, getriggerd door een gedachte in het eerste gelukskoekje dat hij daarnet bij de afhaalchinees had opengemaakt: ‘Het volmaakte geluk is zo groot dat het pijn doet.’ Zou het niet heerlijk zijn dat nog eens te voelen?

Hier, precies hier op de derde witte streep van dit zebrapad was het ooit gebeurd. Hier had hij door het rode licht gelopen, hier had zij hard voor hem geremd. Hier had hij midden op de weg gestaan terwijl zij verwonderd naar hem keek. Hier had hij, balancerend op de rand van het witte thermoplast, in een peilloos diepe afgrond van donker asfalt gekeken. Hier had zij op haar schoolfiets geleund, een bruine leren schooltas achterop de drager.
‘Hallo’ had hij onhandig, bijna wanhopig gestameld. De lenteavond was daarna om hen heen gevallen als de stilte op de vierde mei en zelfs de vogels luisterden naar hun zwijgen mee. De tram stond knipogend bij de halte, klaar om linksaf te slaan. Toen was het licht weer op groen gesprongen. Terwijl zij onhandig steppend op de veel te grote damesfiets weer op gang kwam, was ze hem gepasseerd. Ze had nog een paar keer over haar schouder naar hem omgekeken en daarna haar eigen pad door tijd en ruimte vervolgd. Hij had naar haar wiebelende kont op het zadel gestaard tot zij met fiets en al voorgoed verdwenen was tussen de coulissen van de stad.

Nu staat hij weer op het kruispunt en denkt aan zijn kinderen die hem niet meer bellen en de buren die hem kort te woord staan, hun ongeduldige sleutels al in het voordeurslot gestoken. Hij maakt het tweede koekje open: ‘Een pad ontstaat door erop te lopen.’ Met een grote stap zet hij zijn voet op de eerste witte streep. Hij voelt het. Hij weet het. Het zebrapad naar de vluchtheuvel is een horizontale trap naar de volmaaktheid, elke stap een sprong vooruit. Hij kijkt naar links. Zijn hart klopt jong, zijn geest ademt vrij. Daar in de verte komt ze aanfietsen, alleen veel harder dan hij zich herinnert. Ze trapt gehaast door alsof ze het groene licht nog wil halen. Groen, oranje, rood. Ze zet haar lange spierwitte been op de grond. Dat been is niet oneindig, maar lijkt eindeloos. Het verdwijnt in de hete schemer die zij onder het omhoog gekropen rokje tussen haar dijen voor hem heeft bewaard. Ze stapt af en zet haar grote fiets tegen de prullenbak bij het stoplicht. Haar steile haar heeft een intrigerende kleur, ergens tussen rood en blond, haar lichtblauwe ogen stralen met een eenmalige glans.
Ze pakt haar bruine schooltas van onder de snelbinders. Giechelend en gniffelend hollen ze samen de trap naar een portiekwoning op. De zware tas ruikt naar leer en valt op de grond als haar arm om zijn nek glijdt en zij zich door hem op de mond laat kussen. Hij drukt zijn lippen zachtjes op haar hals, duwt zijn kruis verlangend tegen haar aan. Maar dan klikt ze de sloten van haar schooltas open en haalt er twee koekjes uit. ‘Ik heb deze speciaal voor ons bewaard,’ zegt ze. ‘Ik heb: ‘Liefde is een hart in twee lichamen.’ En jij?’ ‘De wijze kijkt niet om, maar loopt achteruit om vooruit te komen.’

Samen lopen ze naar de zebra, ze geeft hem een wonderlijk koele hand en trekt hem met zich mee. Achteruitlopend steken ze over, elke stap verschijnt als een donkere afdruk op de witte strepen van de oversteekplaats. De weg is de bestemming. Waar ze naar toe gaan zien ze niet. Dat blijft nog even een verrassing.

 (c) luckymanbooks 2017

De Estafette Paradox

Voor ronde 6 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Estafette Paradox.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 450 woorden waarin een dilemma centraal staat.’  Dit verhaal behaalde een gedeelde vijfde plaats in de jurywaardering en werd zestiende in het publieksklassement. 

De Estafette Paradox

De kleedkamer ruikt naar zoete talk en zweet van bange meisjes.

‘Ik was op tijd coach, maar Gabi niet. Die stond te dromen in de transfer zone.’

De blauwe ogen van het meisje worden groot en haar talentvolle pupillen stellen hem de vraag.

‘Je bedoelt dat je betere afspraken wilt, Ulrike? Gabi is onze vierde loopster, dat weet je toch? Je moet het stokje aan háár doorgeven en dat kan alleen als jullie samenwerken als een team. Luister: De laatste loopster moet als eerste over de finish komen en jullie willen allemaal de laatste zijn. Dat noemen we de estafette paradox. Het is het grootste dilemma uit de socialistische sportbeoefening. Maar genoeg theorie voor vandaag. We gaan nu verder aan je techniek werken.’

Ulrike zucht begrijpend en ritst haar donkerblauwe trainingsjack open. Daarna buigt ze zich voorover en knielt voor haar coach op de grond. Ze spreidt haar lange vingers op de startstreep en richt haar gespierde kont omhoog in de richting van de rode vaandels op de staantribune aan de Oostkant. Haar blonde krullen hangen voor haar gezicht. Over haar linkerschouder kijkt ze achterom. Haar billen zijn rond en haar onderrug welft uitnodigend als de schans van het decadente Garmisch Partenkirchen. De coach glijdt met zijn handen langs die witbesneeuwde helling omlaag. Dan grijpt hij haar bij de heupen en trekt haar gladde broekje naar beneden. Wow, denkt hij. Deze kringtraining gaat nauw luisteren. Hij kucht in haar nek.

‘Voel je die tinteling onderin je rug, elke keer als ik je daar wat stretch en oprek? Dat zijn jouw vleugeltjes van lust Ulrike, daarmee zul je naar de finish vliegen. Je hebt de langste benen van de DDR, de donkerrode sintels in de laatste bocht zullen gloeien onder de hitte van je spikes. Voel je het vuur al in je branden?

‘Het vuur coach?’

‘Ja, denk maar aan de Olympische vlam terwijl je zo dadelijk op je onderlip bijt. Morgen ga ik Gabi trainen en daarna Marita en Haike, tot ik jullie alle vier heb geprepareerd voor de Spelen. Vertrouw me maar Ulrike.’

De coach denkt aan het ontluikende blonde snorretje op Ulrikes bovenlip en perst zijn paarse paddo door haar kringspier. Die sluit zich schielijk achter de rand als een sterke mond met zuigeffect. Haar gesmoorde gejammer vertelt de coach dat de training het beoogde effect begint te krijgen. Het loopt gesmeerd. Hij voelt geen weerstand meer. Het prikkeldraad in haar droge endeldarm is weggesmolten, haar dichtgebrande eierstokken kijken vruchteloos aan de zijlijn toe. Hij bijt haar in de gespierde schouderbladen terwijl hij zeven afgepaste porties oefenstof bij haar inbrengt. Het dilemma is opgelost.
De laatste loopster zal het eerste komen en Ulrike zal die laatste zijn.

(c) luckymanbooks 2017

Les Filles Fragiles

France, Département Haut Rhin, 1967

De camping aan het Meer van Kruth-Wildenstein was vol en mijn ouders hadden er net de tent opgezet. Ik zat op het randje van de stuwdam en keek uit over het meer in het licht van de ondergaande zon. Ik had honger en dat was niet zo vreemd. Een jongen van mijn leeftijd had altijd wel honger of trek. Maar verder had ik nergens zin in en zeker niet in het opzetten van een bungalowtent. Het gegniffel van de andere campinggasten om het gedoe van mijn moeder en het gestuntel van mijn vader was gewoon veel te pijnlijk. Aan de andere kant wilde ik zoveel dingen tegelijk dat ik nergens aan toe kwam. Het staren over het stille meer kwam nog het dichtste in de buurt van mijn allerdiepste wens: om alles wat het leven bood nu alvast in één allesomvattend moment te beleven. Zolang ik maar niets deed, hield ik alle mogelijkheden daartoe nog even open. Dat een daarvan zich al snel aan mij zou openbaren, kon ik toen nog niet vermoeden.

Na de avondmaaltijd, die bestond uit een onwennig samengaan van Nederlandse en Franse ingrediënten, wilde ik gaan douchen. Ik slofte in mijn donkerblauwe trainingspak naar het bloc sanitaire dat tegen het hek van de camping was aangebouwd. Er stonden drie Franse meisjes te kletsen voor de ingang, ze hadden allemaal een witte handdoek om het haar gewikkeld en een borstel in de hand. Toen ik met bonkend hart langsliep, zwegen ze en keken me met onpeilbaar stille blikken na. Met een plastic zeepdoosje in de ene hand en een wat dun geworden handdoekje in de andere stapte ik het trappetje naar de herendouches op. De vloer was glad, slijmerig en vies. Half lopend, half glijdend schuifelde ik naar een van de douchecabines. Ik ritste mijn jack open, stroopte mijn trainingsbroek naar beneden en stapte uit mijn onderbroek. Naakt en ademloos luisterde ik naar de stemmen van de meisjes met de haarborstels. Toen ik de kraan opendraaide stapte ik even opzij, want je wist maar nooit hoe warm of koud het water zou zijn. Ik stak mijn hand in de straal en trok hem direct geschrokken terug. Het water was ijskoud. Het leek uit de diepste diepten van het meer van Wildenstein op te wellen, diep uit de ijzige ondergrondse wateren waar ik aan het eind van de middag nog over uit had gekeken. Ergens had ik nog de hoop dat het na een tijdje, misschien na een paar minuten, wat minder koud zou worden maar nee, er veranderde niets. Ik droogde mijn koude hand en kleedde me weer aan.

“IJskoud,’ informeerde ik mijn ouders verwijtend en ging op een vouwstoel voor de tent zitten met een transistorradiootje in mijn hand. Ik zocht naar een zender met Engelse beatgroepen, maar vond er geen. Er waren maar drie radiostations. Op twee daarvan werd in moeilijk Frans gesproken over zaken die ik niet kon volgen en op de derde was Franse meisjesmuziek te horen. Maar ook daar begreep ik weinig van. Als de Franse meisjes net zo ingewikkeld waren als de titels en teksten van hun liedjes, zou ik op deze camping weinig kans maken op een eerste romance. Ik luisterde naar Poupedecipoupeedeson en Saperlipopette, een van de liedjes leek zelfs Ah-Hem-Ha-Uh-Err te heten, de werkelijke titels waren ongetwijfeld anders. Maar hoe mysterieus die titels en ongrijpbaar de teksten ook waren, de stemmen van de meisjes zelf klonken helemaal niet moeilijk. Ze klonken ongekunsteld en spontaan, eigenlijk zongen ze onbekommerd vals, alsof ze naakt onder de douche stonden met hun haarborstel als microfoon. Dat ik juist daarom elke avond van die meisjes droomde, was een geheim dat ik steeds zo dicht mogelijk bij me droeg. ´s Nachts hoorde ik mijn vader brommen en mijn moeder zenuwachtig zuchten in het piepend ritme van hun campingbed; dan gleed mijn hand wat aarzelend op en neer in mijn onderbroek onder de dekens in de voortent terwijl ik aan de stemmen van de meisjes dacht. De volgende ochtend durfde ik mijn moeder niet aan te kijken en hield de radio aan mijn rode oor.

‘Waar luister jij nou naar? vroeg mijn moeder. ‘Ik dacht dat je alleen van beatmuziek hield.’

‘Dat is er hier niet,’ zei ik haastig. ‘We zijn in Frankrijk.’ Ik probeerde het verwijtend te laten klinken.

‘Heb je gedoucht?’ vroeg ze bij de koffie.

‘IJskoud Ma,’ zei ik.

‘Oh.’

‘En jij?’ zei ik. Het piepende campingbed had zich onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift.

Mijn moeder zweeg. Het zou mij niet verbazen als zij speciaal hiervoor een lauw washandje van huis had meegenomen.

Die ochtend kwam het water van het meer niet langer alleen maar ijzig uit de douche. Het begon nu ook koud op de camping neer te regenen. De camping was verlaten maar in de kantine was het druk en vochtig. De drie Franse meisjes, die op de stemmen van de liedjes leken, zaten aan een tafeltje in de hoek. Half verscholen achter het biljart staarde ik naar ze, maar ze keken niet op of om. Preciezer gezegd hadden ze mij wel gezien maar vonden het blijkbaar niet de moeite naar mij te kijken. Ik leerde zo dat er een heel belangrijk verschil bestond tussen kijken en gezien worden. En omdat de meisjes deden of ze mij niet zagen deed ik ook maar net of ik niet aanwezig was.
In de campingkantine hing een affiche. Daar stond op:

Concours JeunesTalents Yé-Yé
(pour des Mademoiselles d’Âge Tendre)
Lundi, Juillet 24, 20.30 heures

Hangerig verlummelde ik de rest van de middag in de kantine. De meisjes zagen er alle drie verschillend uit maar klonken hetzelfde. Hun stemmen klonken gedempt, alsof ze met zijn drieën onder een dekentje lagen. Vanonder dat dekentje van geheimzinnigheid klonken af en toe kirrende en proestende lachjes. Een enkele keer lachten ze alle drie hardop, hun heldere stemmen klaterden dan als de beekjes die die zich sprankelend en bruisend in het Meer van Wildenstein stortten. Zo zat ik te kijken, te luisteren en te dromen, net zolang totdat het avond werd en een van de meisjes eindelijk naar me gekeken had.

‘Ga je vanavond niet naar de zangwedstrijd in de kantine?’ vroeg mijn moeder na het eten, met rode oren tegen mijn vader aanhangend.

‘Nou, ik weet het niet Ma. Het is best wel koud.’

‘Misschien kom je daar nog wel een leuk iemand tegen,’ zei mijn vader en stopte me wat francs in mijn handen. ‘Dan kun je ook nog wat drinken en biljarten. Haast je maar niet hoor. Je moeder en ik … het is toch overal koud…’

‘Dat zei ik toch ook net, Pa.’

Toen ik de volle kantine binnenkwam zag ik eerst de meisjes niet. Er was wel een podium ingericht waar een drumstel, een elektrische piano en wat luidsprekers op stonden. De muzikanten zagen er verveeld en vermoeid uit terwijl ze aan de bar hun glazen bier leegden. Toen de meisjes binnenkwamen keken ze zoekend rond tot ze mij hadden gezien. Daarna wezen ze naar me en lachten me uit. Inmiddels was de hele kantine volgelopen met Franse gezinnen.

Het eerste meisje dat optrad zong Rouge Rouge, een stevig liedje met een rockbeat; ze had donker, steil haar en droeg een pastelgeel jurkje. Schuin achter me begon een ander meisje heel hard de tekst mee te zingen:

Moi quand je sens qu’on me regarde
Ça y est je ne peux plus bouger
Et si l’on attend que je parle
D’un seul coup ma gorge est serréééééééééééééééééééééée

Die laatste uithaal was zo vals dat ik nieuwsgierig omkeek.
Het was het meisje dat aan het einde van de middag met een dromerige blik naar me had gekeken. Ze stond vlakbij, haar stem was warm, ik rook het pastelkleurig talkpoeder op haar huid.

‘Ben je Nederlands?’ vroeg ze.
 Ja ik ben. Ik ben Nederlands,’ zei ik.
‘Ik ben Stéphanie,’ zei ze, haar naam declamerend als absolute, onverzettelijke waarheid.
‘Dan ben ik Gijs,’ zei ik.
‘Comment?’
‘Gijs…Gijs.’
‘Eh…alors…’

We zwegen een tijdje en genoten van de stilte van elkaars nabijheid. Ik snoof haar op. Ze rook naar zeep en frisse bloemen. Zou ze mij ook ruiken? Ik had alleen mijn koude hand gedoucht. Hoe zou ze vinden dat ik rook?
‘Ben je nerveus?’ vroeg ik zenuwachtig.
‘Mais non, je ne suis pas nerveux, jamais!’ Ze streek een haarlok achter haar oor en lachte.

Nu stond ze op en liep naar het podium. Ze zong Où va le vent. Haar stem was net zo ongeschoold als die van de meisjes op de radio. Ze klonk alsof ze slaapdronken over een muzikale snelweg slingerde, gevaarlijk dicht bij de vangrail, hier te snel, daar weer te langzaam. Bij het eerste couplet zakte haar stem een half octaaf door de bodem van het lied. In het couplet daarna struikelde ze over de melodie, klampte zich met een angstig gilletje vast aan een noot en viel achterover het refrein in. Maar toch gebeurde er een wonder. Wat ik niet kon horen met mijn oren voelde ik in mijn jongenshart: de noten waren vals maar haar stem was puur en zuiver. Welke woorden zij zong kon ik niet verstaan, en welke melodie het precies had moeten zijn, was alleen maar een vermoeden. Toch stond een ding als een paal boven het water van het meer van Wildenstein: zij zong alleen voor mij en alles in het liedje was een bevestiging van die pure onweerlegbare waarheid, de volle drie minuten en drie seconden lang. Toen het liedje was afgelopen, legde ze de microfoon op de piano, keek als in een roes wat ongericht in mijn richting met harde, blauwe ogen. Hierna ging ze weer bij haar vriendinnen zitten.
Terwijl ik met wat jongens aan het biljarten was voelde ik dat ze naar mij keek. Ik hoorde haar stem af en toe op de achtergrond maar ik ving alleen maar woorden op. Ik kon de betekenis en samenhang niet doorgronden.

Qu’est-ce que vous dites, Christine ?
Enfin je disais que, enfin je croyais que… qu’y avait plus d’amour

Ik zag dat de meisjes alle drie opstonden en naar buiten liepen. Ze keken naar mij en ik staarde terug terwijl ik het topje van mijn keu aan het krijten was. Ik legde de keu op het biljart en liep de meisjes achterna. Stéphanie stond mij aan de zijkant van de kantine op te wachten, terwijl haar vriendinnen een stukje verderop een sigaret aan het roken waren. 

Stephanies hand gleed in de mijne en zwijgend liepen we over de stille camping naar het sanitaire blok. Toen ze aan de linkerkant het trappetje naar de meisjes wc op wilde lopen, bleef ik verward staan maar ze trok me resoluut met zich mee.
‘Ga je mee douchen?’ zei ze.
Ik huiverde. ‘Nu nog? Het water is toch hartstikke koud!’
‘Koud? Mais non! De meisjesdouche is heerlijk warm, elke zalige ochtend weer,’ zei ze zacht.
We slopen het gebouwtje binnen en schoten een douchehokje in. Zodra ze het deurtje op de knip had gedaan omhelsde ze me en kuste me zachtjes op mijn mond. Haar lippen smaakten naar kersenlimonade. Voorzichtig liet ik mijn hand op een van haar borsten rusten. Ze drukte zich tegen me aan, klemde mijn dij met kracht tussen haar benen. Piepend en hijgend schurkte ze zich tegen me aan, haar hete adem brandde op mijn huid. Buiten hoorde ik het gesmoorde gefluister en gegiechel van haar twee vriendinnen.

‘Snel,’ zei ze. Ze begon haar kleren uit te trekken: haar bloesje, haar rokje en haar schoenen. De kleren hing ze over het deurtje van de cabine. Even later had ik ook mijn broek en shirt over de deur van het douchehokje gehangen. Resoluut draaide ze de doucheknop open en een heerlijke straal warm water viel op ons. In de ijskoude lucht vulde het hokje zich al snel met een dichte damp. Ik hoorde haar vriendinnen nog steeds, stikkend van de onderdrukte slappe lach, rondscharrelen bij de toiletten. De geur van hun sigaretten waaide ons douchehokje in.

Stéphanie maakte haar haren nat en toen zong zij Où va le vent terwijl ik haar in mijn armen hield.  Zachtjes gleed haar roze tong naar binnen in mijn tintelende linkeroor. Even later keek ik omlaag, terwijl ze mij baadde in de warmte van haar mond. Mijn tenen groeven zich genietend in de granieten vloer en daarna keken we samen naar het water waarin zij het had uitgespuugd. Ze speelde er even mee met blote voeten, sleepte een paar witte sliertjes met haar grote teen naar het roostertje van de afvoer. ‘Bon voyage,’ riep ze ze achterna, terwijl ze naar het putje zwaaide. We moesten er allebei om lachen. 
Hand in hand keken we daarna uit over het donkere meer. Kleine golfjes schitterden in het water met dezelfde zilveren tinteling als die van het maanlicht in haar ogen.
‘Nu wil ik een wens doen,’ zei ze. ‘Niet drie. Dat zijn er twee te veel. Zelfs niet twee. Dat is er een te weinig. Eentje is genoeg: Ik wil alles, ja alles. Ik ga alles wensen. ‘Ze sloot haar ogen, kneep ze zo stevig mogelijk dicht, balde haar vuisten en zei: ‘Ik wil alles eerst!’ Ze deed haar ogen open en vroeg: ‘en jij?’
Ik zweeg en kuste haar. Ik wist dat ik deel van ‘alles’ was en daarom niets te wensen over had.
‘Morgen ben ik hier niet meer,’ zei ze. ‘Ik neem je mee in mijn hart. Dat is de mooiste plek die ik voor jou heb kunnen vinden.  Maar ik heb iets voor je. C´est Cresoxipropanédiol en capsule. Klinkt vrolijk nietwaar? Neem er eentje als je aan me wilt denken. Ik word er altijd gelukkig van als ik me alleen voel.’ Ze haalde een paar witte capsules uit haar handtasje en legde ze in haar geopende handpalm. Ik keek naar de grauwwitte pillen op haar gladde, gave hand. Ze pakte er een en stopte die in mijn mond. Toen ik de ander pakte, sloot ze haar ogen, schudde haar haren naar achteren en stak haar roze tong een beetje uit. Aandachtig legde ik de capsule op haar gekrulde tong. Met een slokje water slikten we de capsules allebei tegelijk door. In haar ogen weerspiegelde mijn eigen gezicht en toen ik ze sloot bleef ik mezelf zien, bezig om de betekenis van alles te ontdekken op de stuwdam van het Meer van Wildenstein.

Het begon te onweren boven het meer en het weer sloeg om. Ik wist dat het tijdperk van de Yé-Yé meisjes voorbij was. Hun liedjes werden nummers, de muziek klonk rood met paarse flitsen. De zachte pasteltinten uit de modebladen vervloeiden en vormden cirkels en geometrische figuren in rood, oranje, paars en geel. De wind van de tijd sloeg de bladzijden van het magazine om, zij stond op de cover met witte laarzen tot vlak boven de knie. Ze kwam los van het papier en liep van de linker naar de rechter pagina. Daar ging ze in een advertentiehoekje zitten lezen en sloeg haar lange benen over elkaar.
Dagen en nachten wisselden elkaar af in een flikkering van stroboscopisch licht. Ik was alleen, mijn ouders waren verdwenen en het modetijdschrift werd niet meer gedrukt. Ook zij was er niet meer maar toch bleef ze me elke dag een druppel liefde geven. Toen ik merkte dat mijn hart zo vol met liefde was gestroomd dat er niets meer bij kon, zag ik dat ik weer op de rand van de stuwdam zat. Ik keek uit over het meer met de laatste grauwwitte capsule in mijn hand. Ik dacht aan wat zij had gewenst en was blij dat ik had gewacht.

‘Ik zie je gauw. Maar neem hem pas in als je alles gedaan hebt wat je wilde,’ had ze gezegd.

-/\-

Tekst: (c) luckymanbooks 2017
Foto: France Gall (1967) op de cover van: C´est Chic! French Girl Singers of the 1960´s – ACE Records (c) 2013)
Soundtrack: Elsa Leroy: Où va le Vent  en Christie Laume: Rouge Rouge

Ik schreef ‘Les Filles Fragiles’ voor de Thewa uitdaging # 23 van EWA Nederland. De uitdaging was: ‘schrijf een erotisch verhaal, geinspireerd door een bekend pop nummer.’ In overleg met EWA heb ik het verhaal ook gelinkt voor de bijeenkomst van 20 mei 2017, die een iets ander, maar ook muzikaal thema had.

 

 

As time goes by

Voor ronde 5 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘As Time Goes By.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 400 woorden vanuit het perspectief van een toevallige voorbijganger en maak hierbij gebruik van de ‘Show Don’t Tell techniek.’  Met dit verhaal behaalde ik de tweede plaats in deze ronde.

 

 

As Time Goes By

De sigaret bungelt in de mondhoek van de voorbijganger. Het wit van zijn oog is geel, de pupil verwijd, het rood doorlopen. Hij wandelt over de stenen brug, wetend dat zijn leven  inwisselbaar is met dat van de voorbijgangers die hem hier voorgingen. Een koude rilling trekt over zijn rug wanneer hij de streling van hun schaduw voelt.

Een straatlantaarn brandt gele gaten in de mist en twee gestalten doemen op aan de reling van de brug. De voorbijganger vertraagt zijn tred. Vanonder zijn donkere hoed tuurt hij naar een meisje dat een infanterist pijpt. Zij is jong, een leerling-verpleegster misschien. Een enorme soldatenlul hangt uit de gulp van zijn donkerblauwe uniform, het lid richt zich onweerstaanbaar op. Het rekt zich lui uit, vult zich rustig met zijn bloed in het lome ritme van haar zuigende mond. De groene ogen van het meisje schitteren als ze de voorbijganger aankijkt: glijdend met haar mond, draaiend met haar tong, zijn ballen zachtjes wrijvend met haar hand. Haar halflange zakkrabbelende nagels betoveren de soldaat, met haar zorgzame geilheid heeft zij de reus getemd.

Voelt dit meisje het hart van de soldaat al kloppen in haar mond? Datgene wat de voorbijganger niet ziet kleurt hij later met vermoedens in: De samengetrokken ballen, de witte klodders op haar kin, het zaad dat vast bleef plakken aan haar ring. De zoete geur van regen in haar haar, de stank van sigaretten in zijn ruwe, onbeholpen vuist. Het parfum dat zij vanavond draagt en dat hij zal blijven ruiken zolang hij leeft.

 De voorbijganger passeert hen met gespeelde onverschilligheid, stamelt een verontschuldigende groet in het voorbijgaan. Dan kijkt hij nog eenmaal om naar de man en het meisje. Elke avond vereeuwigd en verstrengeld in opeenvolgende verschijningen onder lantaarns op oude bruggen. Een straatmuzikant speelt ‘As time goes by’ op een gedeukte saxofoon; met elke aarzelende noot stelt hij een vraag aan de luisterende voorbijganger. Het antwoord is allang gegeven en ligt ergens tussen de achteloos geworpen munten onderin zijn zwarte open kist.

 Wanneer de voorbijganger thuiskomt verhangt hij zich op de zolder van zijn hospita aan een balk. Zijn levenloze lid staat er ferm van overeind in de plooien van zijn broek. De voorbijganger is een metafoor, alleen staat hij nergens meer voor. Hij doet niet meer mee, blijft nergens meer staan. Zijn lot was enkel om voorbij te gaan.

-/\-

(c) luckymanbooks 2017

Soundtrack: Dexter Gordon: As Time Goes By

Denkend aan de Dijk

Voor ronde 4 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘Denkend aan de Dijk.’ De opdracht was: ‘Kies een metafoor van een andere schrijver uit opdracht 1 en verwerk deze in een erotisch verhaal van maximaal 250 woorden.’
Ik koos de metafoor van Peter Hartveld: Op de dijk waait mijn gedachte aan jou op, als een zomerjurk. Je kijkt. Wenkt me, terwijl je jouw jurk bedwingt. Met dit verhaal behaalde ik de eerste plaats in deze ronde.

Denkend aan de Dijk

In mijn dorp was alles helder: We vreesden het water en beefden voor God. De angst was sterker dan de liefde en alleen de dijk was groter dan de kerk. Maar op een dag, toen de wolken zo laag over de kerkspits joegen dat ik ze bijna aan kon raken, begon ik te twijfelen. Ik was niet meer bang voor de zee en het water. Ik wilde weten waar de wind vandaan kwam en wat het water van mij wilde. Ik moest weten of ik kon zwemmen of dat ik zou verdrinken. Ik zal het nooit vergeten want het was de dag waarop ik jou ontmoette.

Je droeg schoenen met harde hakken en je stappen klonken dapper op de klinkers van de dijk. De golven glinsterden in je ogen terwijl de huizen verder sliepen met de luiken dicht. Je vingers gleden in mijn hand en we rolden samen door het versgemaaide gras. Ik rook de bloemen in je haar en proefde van de allerliefste plekjes in je warme schoot. Zo likten we elkaars onschuld kronkeltongend open, je nam mij daarna heupenschokkend in je op. Nat van elkaars liefdeszweet waren we daarna de dijk opgeklommen en hadden het dorp achter ons gelaten.

Die dag van zestig jaar geleden is voorbij. Op de dijk waait mijn gedachte aan jou op, als een zomerjurk. Je kijkt. Wenkt me, terwijl je jouw jurk bedwingt. Je glinsterende ogen zeggen: ‘Ga je mee? Wil je met me komen spelen in de eindeloze golven van de zee?’

(c) luckymanbooks 2017

De Laatste Kus

Ik schreef het verhaal ‘De Laatste Kus’ voor ronde 3 van de EWA schrijfmarathon 2017. De opdracht was: schrijf een erotisch verhaal van maximaal 250 woorden dat begint met de zin: Zij probeert zich te herinneren wie haar de sleutel heeft gegeven. Dit verhaal behaalde de eerste plaats in deze ronde. Veel leesplezier!

-/\-

De Laatste Kus

Zij probeert zich te herinneren wie haar de sleutel heeft gegeven. Een groep gemaskerde mannen is net in haar cel geweest met een bijbel en een laatste maaltijd voor haar executie van morgen. Toen ze weggingen heeft een van hen haar beetgepakt en in het gezicht gespuugd. Op dat moment drukte hij haar die sleutel in handen.

‘Herberg,’ had hij alleen maar gezegd.

Mathieu Degrotte: d’une vaste prison imite les barreaux

Ze steekt haar hand door de tralies en maakt het slot open. Ze rent naakt de stad in, haar donkere krullen nat van de regen, koude druppels glinsteren in haar donkere schaamhaar. Op blote voeten glijdt ze over de natte keien, tot ze bij de herberg komt in een donkere steeg. De man zwaait de deur open.  ‘Kom,’ zegt hij.

Er staat een houten bed, een flakkerende kaars verlicht het schamele vertrek. In het gele licht ziet ze hem, zijn sterke lijf en zijn felle ogen. Hij grijpt haar beet en zij gaat, dronken van het leven, met hem mee in de roes van lust en geilheid. Hij vervult haar met harde stoten die het warm doen kloppen in haar schoot. Het is een eindeloos orgasme waarop ze wegdeint in opeenvolgende golven die openen en sluiten tot ze langzaam wegebben en ze wegsmelt in zijn laatste kus.

De zon is op en de kaars is uit. Verbijsterd ziet ze dat hij opstaat, zijn masker opdoet en zijn bijl pakt. Dan leidt hij haar met rinkelende ketenen naar buiten, waar de wraakzuchtige meute op haar wacht.

-/\-

tekst: (c) luckymanbooks 2017

foto: with kind permission of the artist:  (c) Mathieu Degrotte . His artwork is inspired by the poem Spleen by Charles Baudelaire.