Restaurant Patmos

suitorspenelopeprint010

Op een mistige, kille herfstavond in Rotterdam stapte hij naar buiten. De  tramrails glommen van het vocht en het rook overal kruidig naar oude, natte blaadjes. De geur van bederf en verval kriebelde in zijn neusgaten en maakte hem weemoedig en kalm.  Het was een mooi moment om te gaan trainen.  Hij haalde diep adem en drukte de stopwatch in.  Vanuit het centrum van de stad rende hij naar de rivier. Hij negeerde de stille rode stoplichten en stak, zonder links of rechts te kijken, de Maasboulevard over. Daar bovenaan de dijk was de mist nog dichter dan in de stad. Hij zocht en vond het evenwicht tussen de diepte van zijn ademhaling en de lengte van zijn passen. Geleidelijk aan kwam de roes van de endorfine over hem en al snel voelde hij zijn vermoeidheid en pijnlijke knieën niet meer. Ook de twijfel aan de diepere zin van al deze oefening vloeide uit hem weg en bleef achter in de kilte van de mist.

Maar toen hij de Willemsbrug opliep, ging het ineens fout. Hij was net begonnen aan de steile helling die hij al tientallen keren had beklommen. Hij keek uit over de rivier, zag de lichtjes van de straatlantaarns glinsteren in de mist en toen kreeg hij het benauwd. Toch liep hij nog even door, want, dacht hij:  “als ik eenmaal over de knik in de brug heen ben, kan ik met grote passen naar beneden denderen”.  Even ging het inderdaad wat beter, maar toen hij, beneden op het Noordereiland, linksom de Koninginnebrug op wilde gaan, werd zijn lichaam zo zwaar dat hij moest stoppen. Hij had pijn in zijn borst en wilde om hulp vragen. Maar er was niemand te zien. Toen realiseerde hij zich dat hij geen telefoon bij zich had.

Radeloos keek hij om zich heen. Op de hoek van de straat zag hij een Grieks restaurant. Gek, dat was hem nog nooit eerder opgevallen. De deur stond open en uit het halletje straalde een helder, geel licht. De tussendeur was gesloten, zodat hij niet naar binnen kon kijken. Maar hij vertrouwde erop dat daar wel iemand zou zijn die hem zou kunnen helpen. Met zijn hand op zijn beklemde borst en een van pijn vertrokken gezicht wankelde hij naar binnen. Door een strak afgestelde veer sloeg de deur hard achter hem dicht. Hij bevond zich in de donkere eetzaal van wat Restaurant “Patmos” zou moeten zijn. Hij zag schimmen van mensen, gestalten, mannen en vrouwen die in de duisternis dicht tegen elkaar aan stonden. Hij hoorde het gerinkel van zware kettingen en ergens brak een glas. In de hoek brandde een geelrood vuur, maar hij zag niet of dat de open haard was of dat het zomaar brandde, op de vloer. Het restaurant was zeker afgehuurd voor een of ander kinky feestje, dacht hij.

Aan de kleine, donkere bar stonden wat krukken en op een van die krukken zat een Godin. Zij was groot en lang, maar verder kon hij niet goed zien hoe ze er uit zag. Haar ogen lichtten op als bakens in de duisternis van de eetzaal. Zwalkend liep hij op haar af. Hij wilde haar om hulp vragen, maar viel als dood uitgeput aan haar voeten. Toen voelde hij haar hand over zijn hoofd gaan, zacht en liefdevol, precies op de manier waarop een vrouw haar hondje streelt. Ze zei: “Sta op. Ik wil weten of je een man bent of een hond”.

Haar streling en de onbegrijpelijke woorden gaven hem de kracht weer op te staan. Zij liep voor hem uit en hij volgde haar slaafs, zonder enig idee wat zij bedoelde of van plan was. Ze ketende  hem aan enkels en polsen vast, met zijn gezicht naar een kale, ruwe muur en ging achter hem staan. Ze nam twee vurige floggers in haar hand met aan elk handvat zeven dikke, platte repen leer.

“Een man of een hond?”, vroeg ze en begon hem op zijn naakte rug te slaan.  Hij voelde de endorfine van daarnet weer terugkomen in zijn bloed. Doffe, zware slagen beukten op zijn romp . Zijn dierlijk instinct ontwaakte. Niet opgeven! Overleven! Aan de bewegende schaduwen die het vuur op de muur wierp, zag hij dat zij nu iets anders in haar handen nam. Het aanzwellende, suizende geluid verraadde dat het een lange zweep was en hij voel een snijdende, gemene steek. De volgende slag trof hem op precies dezelfde plek en zijn huid sprong bloedend open. Hij schreeuwde het uit. Terwijl de slagen rollend als donder door zijn lichaam trokken, begon hij zich stil en vredig te voelen. De pijn was er nog wel, maar hij verzette zich er niet meer tegen. Zo werd de pijn een deel van hem, hij een deel van de pijn. Zo leidde zij hem rond in zichzelf……….

Ze streelde zijn bebloede rug en drukte haar gewelfde buik tegen hem aan. “Ben je er nog?”, vroeg ze met een diepe fluisterstem. “Ja, ik ben er nog”, zei hij met een stem die niet meer wist wat woorden waren. “Man of hond?”, lispelde ze geil in zijn oor. Hij gaf geen antwoord op de vraag.

“Ik ben bang” , fluisterde hij zachtjes.

“Waar ben je bang voor”?

Hij dacht: hoe kan het beantwoorden van zo’n simpele vraag zo moeilijk zijn? Mijn gevoel moet eerst gedachte worden. En die gedachte moet woorden vormen in mijn hoofd. En daarna moet ik die woorden als adem langs mijn strottenhoofd laten vloeien. Wat is het ingewikkeld om gedachten over te brengen door trillingen in lucht te maken! Hij verdwaalde in het labyrint van zijn gedachten. Antwoord geven was op dit moment veel te moeilijk.

“Ga liggen, hond”.

Simpele commando’s opvolgen kon hij nog wel. Hij kon alleen niet meer praten. Het was te koud. Hij rilde en schokte en trilde van de allesoverheersende kou. Nu nam zij naalden in haar hand en begon die, geconcentreerd en stil, één voor één door de huid van zijn borst te steken. Door de pijn kwam zijn lichaam los van de grond, van de aarde. Zij zag het gebeuren.

“Hoe gaat het met je? Waar kijk je naar? Wat zie je?”

“Ik zie alleen je ogen”.

Ja, hij zag haar witte heldere ogen met daarin de grote, zwarte pupillen en verder zag hij niets.  Hij voelde dat hij niets meer te verbergen, niets meer te verliezen had. Het was alsof hij heel zijn leven naar dit ene, perfecte, moment had toegeleefd. Terwijl een heel leven aan emoties loskwam, ging ze onverstoorbaar en doelbewust verder met het steken van naalden in zijn borst.  Maar ondanks de pijn die zij hem aandeed, blijf hij kalm liggen. Hij had zich er – letterlijk – bij neergelegd.  Toen zij de zevende naald in hem had gestoken en zijn totale overgave zag, kneep ze zijn keel dicht. Zo moest het ongeveer zijn om dood te gaan, dacht hij nog.

Ze liet zijn keel los. “Waarom was je daarnet bang?”, vroeg ze weer.

“Je was zo groot”…..

“Dat komt omdat ik je nog kleiner heb gemaakt dan je al was. Daarom ben je geen man. Je bent een hond”.

“Maar Godin, ik heb toch altijd mijn best gedaan!”

“Dat weet Ik. Maar iemand als jij kan geen man zijn. Daarom wil Ik niet dat je het tegen beter weten in blijft proberen. Dat is niet goed voor je. Je bent een hond en het is Mijn wil dat je een hondje blijft. Je mag aan Mijn voeten liggen, naast de barkruk waar Ik op zit”.

_/\_

“Voelt U zich niet goed, meneer?”, vroeg een politieagente bezorgd. En terwijl ambulancemedewerkers met hem bezig waren, rook hij dat de agente ongesteld was en haar geur maakte hem onrustig, op het geile af. Hij rook de stoofpot die zij met haar collega´s als avondeten had gegeten en hij kreeg er zelf ook honger van.  Op het moment dat hij in de ambulance werd geschoven keek hij nog even naar de hoek van de Prins Hendrikkade en de van der Takstraat. Daar was helemaal geen Restaurant “Patmos” gevestigd, maar toch kon hij de souvlaki en moussaka ruiken. Voor hem was dat genoeg. Zijn Godin bestond echt. Nu hoefde hij alleen nog maar te leven als Haar hond, dichtbij Haar, liggend aan Haar voeten.

Restaurant “Patmos” kon overal zijn. Maar hij hoefde er niet meer naar te zoeken. Hij kon voortaan gewoon zijn natte neus volgen om Haar daar te vinden.

Tekst: Ⓒ luckyman 2015

Gravure: W.H. Mote (1803 – 1871) 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *