Les Filles Fragiles

France, Département Haut Rhin, 1967

De camping aan het Meer van Kruth-Wildenstein was vol en mijn ouders hadden er net de tent opgezet. Ik zat op het randje van de stuwdam en keek uit over het meer in het licht van de ondergaande zon. Ik had honger en dat was niet zo vreemd. Een jongen van mijn leeftijd had altijd wel honger of trek. Maar verder had ik nergens zin in en zeker niet in het opzetten van een bungalowtent. Het gegniffel van de andere campinggasten om het gedoe van mijn moeder en het gestuntel van mijn vader was gewoon veel te pijnlijk. Aan de andere kant wilde ik zoveel dingen tegelijk dat ik nergens aan toe kwam. Het staren over het stille meer kwam nog het dichtste in de buurt van mijn allerdiepste wens: om alles wat het leven bood nu alvast in één allesomvattend moment te beleven. Zolang ik maar niets deed, hield ik alle mogelijkheden daartoe nog even open. Dat een daarvan zich al snel aan mij zou openbaren, kon ik toen nog niet vermoeden.

Na de avondmaaltijd, die bestond uit een onwennig samengaan van Nederlandse en Franse ingrediënten, wilde ik gaan douchen. Ik slofte in mijn donkerblauwe trainingspak naar het bloc sanitaire dat tegen het hek van de camping was aangebouwd. Er stonden drie Franse meisjes te kletsen voor de damesingang, ze hadden allemaal een witte handdoek om het haar gewikkeld en een borstel in de hand. Toen ik langsliep, zwegen ze midden in een zin. Met een plastic zeepdoosje in de ene hand en een wat dun geworden handdoekje in de andere stapte ik het trappetje naar de heren op. De vloer was glad, slijmerig en vies. Half lopend, half glijdend schuifelde ik naar een van de douchecabines. Ik ritste mijn jack open, stroopte mijn trainingsbroek naar beneden en stapte uit mijn onderbroek. Naakt en ademloos luisterde ik naar de stemmen van de meisjes met de haarborstels. Toen ik de kraan opendraaide stapte ik even opzij, want je wist maar nooit hoe warm of koud het water zou zijn. Ik stak mijn hand in de straal en trok hem direct geschrokken terug. Het water was ijskoud. Het leek uit de diepste diepten van het meer van Wildenstein op te wellen, diep uit de ijzige ondergrondse wateren waar ik aan het eind van de middag nog over uit had gekeken. Ergens had ik nog de hoop dat het na een tijdje, misschien na een paar minuten, wat minder koud zou worden maar nee, er veranderde niets. Ik droogde mijn koude hand en kleedde me weer aan.

“IJskoud,’ informeerde ik mijn ouders verwijtend en ging op een vouwstoel voor de tent zitten met een transistorradiootje in mijn hand. Ik zocht naar een zender met Engelse beatgroepen, maar vond er geen. Er waren maar drie radiostations. Op twee daarvan werd in moeilijk Frans gesproken over zaken die ik niet kon volgen en op de derde was Franse meisjesmuziek te horen. Maar daar begreep ik ook weinig van. Als de Franse meisjes net zo ingewikkeld waren als de titels en teksten van hun liedjes, zou ik op deze camping weinig kans maken op een eerste romance. Ik luisterde naar Poupedecipoupeedeson en Saperlipopette, een van de liedjes leek zelfs Ah-Hem-Ha-Uh-Err te heten, de werkelijke titels waren ongetwijfeld anders. Maar hoe mysterieus die titels en ongrijpbaar de teksten ook waren, de stemmen van de meisjes zelf klonken helemaal niet moeilijk. Ze klonken ongekunsteld en spontaan, eigenlijk zongen ze onbekommerd vals, alsof ze naakt onder de douche stonden met hun haarborstel als microfoon. Dat ik juist daarom elke avond van die meisjes droomde, was een geheim dat ik steeds zo dicht mogelijk bij me droeg. ´s Nachts hoorde ik mijn vader brommen en mijn moeder zenuwachtig zuchten in het piepend ritme van hun campingbed; dan gleed mijn hand wat aarzelend op en neer in mijn onderbroek onder de dekens in de voortent terwijl ik aan de stemmen van de meisjes dacht. De volgende ochtend durfde ik mijn moeder niet aan te kijken en hield de radio aan mijn rode oor.

‘Waar luister jij nou naar? vroeg mijn moeder. ‘Ik dacht dat je alleen van beatmuziek hield.’

‘Dat is er hier niet,’ zei ik haastig. ‘We zijn in Frankrijk.’ Ik probeerde het verwijtend te laten klinken.

‘Heb je gedouched?’ vroeg ze bij de koffie.

‘IJskoud Ma,’ zei ik.

‘Oh.’

‘En jij?’ zei ik. Het piepende campingbed had zich onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift.

Mijn moeder zweeg. Het zou mij niet verbazen als zij speciaal daarvoor een lauw washandje van huis had meegenomen.

Die ochtend kwam het water van het meer niet langer alleen maar ijzig uit de douche. Het begon nu ook koud op de camping neer te regenen. De camping was verlaten maar in de kantine was het druk en vochtig. De drie Franse meisjes, die op de stemmen van de liedjes leken, zaten aan een tafeltje in de hoek. Half verscholen achter het biljart staarde ik naar ze, maar ze keken niet op of om. Preciezer gezegd hadden ze mij wel gezien maar vonden het blijkbaar niet de moeite naar mij te kijken. Ik leerde zo dat er een heel belangrijk verschil bestond tussen kijken en gezien worden. En omdat de meisjes deden of ze mij niet zagen deed ik ook maar net of ik niet aanwezig was.
In de campingkantine hing een affiche. Daar stond op:

Concours JeunesTalents Yé-Yé
(pour des Mademoiselles d’Âge Tendre)
Lundi, Juillet 24, 20.30 heures

Hangerig verlummelde ik de rest van de middag in de kantine. De meisjes zagen er alledrie verschillend uit maar klonken hetzelfde. Hun stemmen klonken gedempt, alsof ze met zijn drieën onder een dekentje lagen. Vanonder dat dekentje van geheimzinnigheid klonken af en toe kirrende en proestende lachjes. Een enkele keer lachten ze alledrie hardop, hun heldere stemmen klaterden dan als de beekjes die die zich sprankelend en bruisend in het Meer van Wildenstein stortten. Zo zat ik te kijken, te luisteren en te dromen, net zolang totdat het avond werd en een van de meisjes eindelijk naar me gekeken had.

‘Ga je vanavond niet naar de zangwedstrijd in de kantine?’ vroeg mijn moeder na het eten, met rode oren tegen mijn vader aanhangend.

‘Nou, ik weet het niet Ma. Het is best wel koud.’

‘Misschien kom je daar nog wel een leuk iemand tegen,’ zei mijn vader en stopte me wat francs in mijn handen. ‘Dan kun je ook nog wat drinken en biljarten. Haast je maar niet hoor. Je moeder en ik … het is toch overal koud…’

‘Dat zei ik toch ook net, Pa.’

Toen ik de volle kantine binnenkwam zag ik eerst de meisjes niet. Er was wel een podium ingericht waar een drumstel, een elektrische piano en wat luidsprekers op stonden. De muzikanten zagen er verveeld en vermoeid uit terwijl ze aan de bar hun glazen bier leegden. Toen de meisjes binnenkwamen keken ze zoekend rond tot ze mij hadden gezien. Daarna wezen ze naar me en lachten me uit. Inmiddels was de hele kantine volgelopen met Franse gezinnen.

Het eerste meisje dat optrad zong Rouge Rouge, een stevig liedje met een rockbeat; ze had donker, steil haar en droeg een pastelgeel jurkje. Schuin achter me begon een ander meisje heel hard de tekst mee te zingen:

Moi quand je sens qu’on me regarde
Ça y est je ne peux plus bouger
Et si l’on attend que je parle
D’un seul coup ma gorge est serréééééééééééééééééééééée

Die laatste uithaal was zo vals dat ik nieuwsgierig omkeek.
Het was het meisje dat aan het einde van de middag met een dromerige blik naar me had gekeken. Ze stond vlakbij, haar stem was warm, ik rook het pastelkleurig talkpoeder op haar huid.

‘Ben je Nederlands?’ vroeg ze.
 Ja ik ben. Ik ben Nederlands,’ zei ik.

‘Ik ben Stéphanie,’ zei ze, haar naam declamerend als absolute, onverzettelijke waarheid.

‘Dan ben ik Gijs,’ zei ik.

‘Comment?’

‘Gijs…Gijs.’

‘Eh…alors…’

We zwegen een tijdje en genoten van de stilte van elkaars nabijheid. Ik snoof haar op. Ze rook naar zeep en frisse bloemen. Zou ze mij ook ruiken? Ik had alleen mijn koude hand gedouched. Hoe zou ze vinden dat ik rook?
‘Ben je nerveus?’ vroeg ik zenuwachtig.
‘Mais non, je ne suis pas nerveux, jamais!’ Ze streek een haarlok achter haar oor en lachte.

Nu stond ze op en liep het podium op. Ze zong Où va le vent. Haar stem was net zo ongeschoold als die van de meisjes op de radio. Ze klonk alsof ze slaapdronken over een muzikale snelweg slingerde, gevaarlijk dicht bij de vangrail, hier te snel, daar weer te langzaam. Bij het eerste couplet zakte haar stem een half octaaf door de bodem van het lied. In het couplet daarna struikelde ze over de melodie, klampte zich met een angstig gilletje vast aan een noot en viel achterover het refrein in. Maar toch gebeurde er een wonder. Wat ik niet kon horen met mijn oren voelde ik in mijn jongenshart: de noten waren vals maar haar stem was puur en zuiver. Welke woorden zij zong kon ik niet verstaan, en welke melodie het precies had moeten zijn, was alleen maar een vermoeden. Toch stond een ding als een paal boven het water van het meer van Wildenstein: zij zong alleen voor mij en alles in het liedje was een bevestiging van die pure onweerlegbare waarheid, de volle drie minuten en drie seconden lang. Toen het liedje was afgelopen, legde ze de microfoon op de piano, keek als in een roes wat ongericht in mijn richting met harde, blauwe ogen. Hierna ging ze weer bij haar vriendinnen zitten.
Terwijl ik met wat jongens aan het biljarten was voelde ik dat ze naar mij keek. Ik hoorde haar stem af en toe op de achtergrond maar ik ving alleen maar woorden op. Ik kon de betekenis en samenhang niet doorgronden.

Qu’est-ce que vous dites, Christine ?
Enfin je disais que, enfin je croyais que… qu’y avait plus d’amour

Ik zag dat de meisjes opstonden en naar buiten liepen. Ze keken alledrie naar mij en ik keek ze na terwijl ik het topje van mijn keu aan het krijten was. Ik legde de keu op het biljart en liep ze achterna, naar buiten. Daar stond Stéphanie mij op te wachten. Haar vriendinnen stonden een stukje verderop sigaretten te roken.

Stephanies hand gleed in de mijne en zwijgend liepen we over de stille camping naar het sanitaire blok. Toen ze aan de linkerkant het trappetje naar de meisjes wc op wilde lopen, bleef ik verward staan maar ze trok me resoluut met zich mee.
‘Ga je mee douchen?’ zei ze.
Ik huiverde. ‘Nu nog? Het water is toch hartstikke koud!’
‘Koud? Mais non! De meisjesdouche is heerlijk warm, elke zalige ochtend weer,’zei ze zacht.
We slopen het gebouwtje binnen en schoten een douchehokje in. Zodra ze het deurtje op de knip had gedaan omhelsde ze me en kuste me zachtjes op mijn mond. Haar lippen smaakten naar kersenlimonade. Voorzichtig liet ik mijn hand op een van haar borsten rusten. Ze drukte zich tegen me aan, klemde mijn dij met kracht tussen haar benen. Piepend en hijgend schurkte ze zich tegen me aan, haar hete adem brandde op mijn huid. Buiten hoorde ik het gesmoorde gefluister en gegiechel van haar twee vriendinnen.

‘Snel,’ zei ze. Ze begon haar kleren uit te trekken: haar bloesje, haar rokje en haar schoenen. De kleren hing ze over het deurtje van de cabine. Even later had ik ook mijn broek en shirt over de deur van het douchehokje gehangen. Resoluut draaide ze de doucheknop open en een heerlijke straal warm water viel op ons. In de ijskoude lucht vulde het hokje zich al snel met een dichte damp. Ik hoorde haar vriendinnen nog steeds, stikkend van de onderdrukte slappe lach, rondscharrelen bij de toiletten. De geur van hun sigaretten waaide ons douchehokje in.

Stéphanie maakte haar haren nat en toen zong zij zachtjes Où va le vent terwijl ik haar in mijn armen hield. Even later keek ik omlaag, terwijl ze mij baadde in de warmte van haar mond. Mijn tenen groeven zich in de granieten vloer en daarna keken we samen naar de wervel van het water waarin zij het had uitgespuugd. Ze speelde er even mee met blote voeten, sleepte een paar witte sliertjes met haar grote teen naar het roostertje van de afvoer. ‘Bon voyage,’ riep ze ze achterna, terwijl ze naar het putje zwaaide. We moesten er allebei om lachen. 
Hand in hand keken we daarna uit over het donkere meer. Kleine golfjes schitterden in het water met dezelfde zilveren tinteling als die van het maanlicht in haar ogen.
‘Nu wil ik een wens doen,’ zei ze. ‘Niet drie. Dat zijn er twee teveel. Zelfs niet twee. Dat is er een te weinig. Eentje is genoeg: Ik wil alles, ja alles. Ik ga alles wensen. ‘Ze sloot haar ogen, kneep ze zo stevig mogelijk dicht, balde haar vuisten en zei: ‘Ik wil alles eerst!’ Ze deed haar ogen open en vroeg: ‘en jij?’
Ik zweeg en kuste haar. Ik wist dat ik deel van ‘alles’ was en daarom niets te wensen over had.
‘Morgen ben ik hier niet meer,’ zei ze. ‘Ik neem je mee in mijn hart. Dat is de mooiste plek die ik voor jou heb kunnen vinden.  Maar ik heb iets voor je. C´est Cresoxipropanédiol en capsule. Klinkt vrolijk nietwaar? Neem er eentje als je aan me wilt denken. Ik word er altijd gelukkig van als ik me alleen voel.’ Ze haalde een paar witte capsules uit haar handtasje en legde ze in haar geopende handpalm. Ik keek naar de grauwwitte pillen op haar gladde, gave hand. Ze pakte er een en stopte die in mijn mond. Toen ik de ander pakte, sloot ze haar ogen, schudde haar haren naar achteren en stak haar roze tong een beetje uit. Aandachtig legde ik de capsule op haar gekrulde tong. Met een slokje water slikten we de capsules allebei tegelijk door. In haar ogen weerspiegelde mijn eigen gezicht en toen ik ze sloot bleef ik mezelf zien, bezig om de betekenis van alles te ontdekken op de stuwdam van het Meer van Wildenstein.

Het begon te onweren boven het meer en het weer sloeg om. Ik wist dat het tijdperk van de Yé-Yé meisjes voorbij was. Hun liedjes werden nummers, de muziek klonk rood met paarse flitsen. De zachte pasteltinten uit de modebladen vervloeiden en vormden cirkels en geometrische figuren in rood, oranje, paars en geel. De wind van de tijd sloeg de bladzijden van het magazine om, zij stond op de cover met witte laarzen tot vlak boven de knie. Ze kwam los van het papier en liep van de linker naar de rechter pagina. Daar ging ze in een advertentiehoekje zitten lezen en sloeg haar lange benen over elkaar.
Dagen en nachten wisselden elkaar af in een flikkering van stroboscopisch licht. Ik was alleen, mijn ouders waren verdwenen en het modetijdschrift werd niet meer gedrukt. Ook zij was er niet meer maar toch bleef ze me elke dag een druppel liefde geven. Toen ik merkte dat mijn hart zo vol met liefde was gestroomd dat er niets meer bij kon, zag ik dat ik weer op de rand van de stuwdam zat. Ik keek uit over het meer met de laatste grauwwitte capsule in mijn hand. Ik dacht aan wat zij had gewenst en was blij dat ik had gewacht.

‘Ik zie je gauw. Maar neem hem pas in als je alles gedaan hebt wat je wilde,’ had ze gezegd.

-/\-

Tekst: (c) luckymanbooks 2017
Foto: France Gall (1967) op de cover van: C´est Chic! French Girl Singers of the 1960´s – ACE Records (c) 2013)
Soundtrack: Elsa Leroy: Où va le Vent  en Christie Laume: Rouge Rouge

Ik schreef ‘Les Filles Fragiles’ voor de Thewa uitdaging # 23 van EWA Nederland. De uitdaging was: ‘schrijf een erotisch verhaal, geinspireerd door een bekend pop nummer.’

 

 

As time goes by

Voor ronde 5 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘As Time Goes By.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 400 woorden vanuit het perspectief van een toevallige voorbijganger en maak hierbij gebruik van de ‘Show Don’t Tell techniek.’  Met dit verhaal behaalde ik de tweede plaats in deze ronde.

 

 

As Time Goes By

De sigaret bungelt in de mondhoek van de voorbijganger. Het wit van zijn oog is geel, de pupil verwijd, het rood doorlopen. Hij wandelt over de stenen brug, wetend dat zijn leven  inwisselbaar is met dat van de voorbijgangers die hem hier voorgingen. Een koude rilling trekt over zijn rug wanneer hij de streling van hun schaduw voelt.

Een straatlantaarn brandt gele gaten in de mist en twee gestalten doemen op aan de reling van de brug. De voorbijganger vertraagt zijn tred. Vanonder zijn donkere hoed tuurt hij naar een meisje dat een infanterist pijpt. Zij is jong, een leerling-verpleegster misschien. Een enorme soldatenlul hangt uit de gulp van zijn donkerblauwe uniform, het lid richt zich onweerstaanbaar op. Het rekt zich lui uit, vult zich rustig met zijn bloed in het lome ritme van haar zuigende mond. De groene ogen van het meisje schitteren als ze de voorbijganger aankijkt: glijdend met haar mond, draaiend met haar tong, zijn ballen zachtjes wrijvend met haar hand. Haar halflange zakkrabbelende nagels betoveren de soldaat, met haar zorgzame geilheid heeft zij de reus getemd.

Voelt dit meisje het hart van de soldaat al kloppen in haar mond? Datgene wat de voorbijganger niet ziet kleurt hij later met vermoedens in: De samengetrokken ballen, de witte klodders op haar kin, het zaad dat vast bleef plakken aan haar ring. De zoete geur van regen in haar haar, de stank van sigaretten in zijn ruwe, onbeholpen vuist. Het parfum dat zij vanavond draagt en dat hij zal blijven ruiken zolang hij leeft.

 De voorbijganger passeert hen met gespeelde onverschilligheid, stamelt een verontschuldigende groet in het voorbijgaan. Dan kijkt hij nog eenmaal om naar de man en het meisje. Elke avond vereeuwigd en verstrengeld in opeenvolgende verschijningen onder lantaarns op oude bruggen. Een straatmuzikant speelt ‘As time goes by’ op een gedeukte saxofoon; met elke aarzelende noot stelt hij een vraag aan de luisterende voorbijganger. Het antwoord is allang gegeven en ligt ergens tussen de achteloos geworpen munten onderin zijn zwarte open kist.

 Wanneer de voorbijganger thuiskomt verhangt hij zich op de zolder van zijn hospita aan een balk. Zijn levenloze lid staat er ferm van overeind in de plooien van zijn broek. De voorbijganger is een metafoor, alleen staat hij nergens meer voor. Hij doet niet meer mee, blijft nergens meer staan. Zijn lot was enkel om voorbij te gaan.

-/\-

(c) luckymanbooks 2017

Soundtrack: Dexter Gordon: As Time Goes By

De Kalahari Roos verschenen!

Vandaag is mijn verhalenbundel ‘De Kalahari Roos’ verschenen bij Uitgeverij Eroscripta. Sterke vrouwen spelen de hoofdrol in dit boek, dat vooral liefhebbers van surrealistische verhalen en donkere erotica zal aanspreken.
Met voorwoord van Odile Schmidt en inleiding van erotica-auteur Mahotuskai. Het e-book is hier te bestellen via de webshop van Eroscripta. De hardcover editie volgt spoedig!