De legende van Kruth

Uit: De Trilogie van Orlac
Deel 3: De Legende van Kruth

De duistere dwerg Orlac is uit zijn kosmische spelonk verjaagd door de ruimtekruisers van de intergalactische confederatie van Kruth. Uitgekotst door het volk van Org en verstoten door zijn geliefde Ovaria doolt hij rond in de wereld die rondom de werelden is. Hij balanceert op de Plat-Aarde, een kleine asteroïde die dreigt te verdwijnen door verbrokkeling. Om in leven te blijven moet Orlac van asteroïde naar asteroïde hoppen of op een komeet zien te komen. Verblind door kosmische straling en verdoofd door achtergrondruis kan hij maar aan een ding denken: wraak nemen op zijn vijanden en er tegelijkertijd voor zorgen dat zijn asteroïde zo hard mogelijk groeit.
Maar helaas: Orlac is gevangengenomen door de Wachters van Zzor en terwijl hij als dwangarbeider hulpstoffen delft in de giftige goudmijnen, broeden zijn aartsvijanden een luguber plan uit. Geleid door de gemene trol Lurck, de Witte Heks Lucretia en de schurk Chuman spelen zij een spel dat nooit gespeeld zou mogen worden. Een spel zo gecompliceerd, met zoveel complexe, in elkaar verwikkelde regels en zoveel perverse en verdorven handelingen, dat tot nu toe geen enkel mens erin is geslaagd het uit te spelen. Sterker nog: het spel is inmiddels al verboden in Singapore! Durf je toch de uitdaging aan? Denk je dat je er klaar voor bent? Reis dan met ons naar de mijnen van de donkere ruimtesteen van Zzor en doe mee. Laten we “De Legende van Kruth” spelen. 

Kijk, zegt Manon. Kijk.
We kijken met zijn vieren eerbiedig in de enorme doos die zij net voorzichtig heeft opengemaakt.
Ziet er mooi uit.
Vooral het plastic.
Ik ga ze eruit halen.
Ja.
Dit is de Asteroïde van Zzor.
Het zijn de puzzelstukjes ervan. Styrofoam, een soort van piepschuim of zo.
Ja.
Orlac moet die asteroide in elkaar zetten denk ik.
Lees het nou eerst.
Ok.
Dit is de handleiding.
Pak het nou gewoon.
Mooi hè,
Ja. Vooral de kaarten.
Dit zijn de kaarten.
22 monsterkaarten en 12 gevechtskaarten.
De tienzijdige dobbelsteen en de zandloper
Lucretia en Lurck zo te zien.
Dit is Chuman.
Gadver.
Laten we spelen.
He, waar is Orlac?
Zit-ie niet in dat zakje?
Zoek m effe, dan l
ees ik verder in de handleiding, goed?

Orlac daalt voor de laatste keer af in de gifmijnen van Zzor waar wit goud gewonnen wordt door een onderworpen volk van halfnaakte, welgevormde slavinnen. Hij die daar is afgedaald komt nooit meer boven. Gemaskerde kosmische monsters, gefokt door zieke geesten, bewaken de geketende slavinnen. Orlac ziet dat een paard met een mensenhoofd een slavin dwingt met hem te copuleren. Hij laat zijn enorme lid zakken, maakt er enkele groteske, zwiepende bewegingen mee in de verstikte lucht, dan klemt hij haar tegen de muur, velt zijn lans van vlees en penetreert haar met een hinnikende grijns. Ze gilt en als hij terugtrekt vloeit zijn dunvloeibare paardenzaad als halfvolle melk uit haar kosmische wormgat. Wie monsters zaait zal monsters baren, denkt Orlac hoofdschuddend. Hij heeft pijn. Zijn rinkelende ketenen knellen om zijn gloeiende ballen terwijl een langbenige opperslavin op hoge laarzen voor hem uitschrijdt en hem met zich meetroont naar de castratieruimte. Zal hij de rest van zijn leven hier als eunuch slijten?

O ja daar is-ie. Hier heb ik Orlac. (gniffelt) Hij zat nog aan Ovaria vast.
Dat komt denk ik omdat het spel nog nieuw is. Het komt net uit de doos.
Nou dat begint goed. Gelijk naar de castratieruimte voor slaven dan maar.
Maar ho effe, ik was nou toch eigenlijk aan de beurt?
Nee, je moet negen manen wachten. Je bent net door die Centaur verkracht.
En dan moet ik…effe kijken in de handleiding
Je moet dan hoger dan 8 gooien, dan baar je dalijk een eenhoorn ipv een minotaurus en dan krijg je de extra bonus in je volgende leven.
O ja.
Jij moet twee beurten overslaan.
He gast, twee beurten overslaan hoezo dat
Vanwege je castratie.
Nee hoor, ik krijg toch gelijk nieuwe ballen? Kijk maar, dat staat er.
Maar je moet ook twee manen lang herstellen.
O ja, dat staat er inderdaad.
Van wie krijg ik dan de ballen? Ik hoop van de Centaur.
Dan moet je eerst een Monsterkaart trekken. Dat varieert van Ruimteoctopus tot Humanzee.
Wat is dat?
Een medisch experiment. Ik wil er niet over praten.
Gadver, gooi nou maar.
9
Heb je 9 gegooid?
Ja 9
Wow, Dan kom je gelijk in de ionosfeer van Kruth. Mazzelpik.
O dan moet ik zeker deze plastic zak over me hoofd trekken en twee beurten overslaan.
Ik weet het niet, er staat wel “Kruth” op. En nu?
We moeten allevier onze beurt overslaan.
Wachten dan maar hè.
Ja.
Rob? Rob?
Laat maar Manon, hij hoort je zo niet met die zak over zijn hoofd.
Hoe weten we nou wie er aan de beurt is als we allemaal onze beurt overslaan?
Rob?
Trek gewoon een kaart als hij niet meer reageert..
Ok ik trek er een.
Verhip
Wat
Red Alert.
Wat betekent dat?
De asteroïde van Plat-Aarde raakt uit haar baan.
Wat moeten we doen.
Niks. Alleen de octopus moet nou Orlac pijpen. Dat staat op de kaart.
Komt goed uit, ik heb net nieuwe ballen gekregen in de bonusronde.
Ik ga ff op me knieën.
Ja lekker Manon. Ik ga es lekker achterover hangen. Kom maar op.
Lekkere harde eikel, donkerrood. Lekker brede kop heeft-ie.
O God!
Tongetje aan onderkant hè.
O Mijn God. Oow. Oeioeioei.
Mmbfssjlk.
O God.
Tering wat een enorm ding
O wow, Oh. Stoppen.
O ik ga diep nou.
Zo diep, wow.
Wow.
Stoppe nou Manon, ik ga kome
Ik ga kome Fuck! Ja ik ben er bijna o god Aahh.. Fuck! Aaghh…
god wat slijmerig man.
Ik hoopte dat je romig zou zeggen.
Nou heb ik een mondvol draderige zoute prut. Jezus man.
Ja. Lekker?
Nee. Gadver. Wat heb jij gegeten. Jezus man. Zout…
En nu?
ff pauze hoor, effe wat roken nou, toch?
Nee.
ff pauze?
We moeten Lucretia er nog mee bevruchten.
Hoe doe je dat? Ze is niet eens aan de beurt.
Dan moeten we haar de beurt geven.
Wil je zo nog wat?
Nee ik heb nog
He waar is Orlac?
Hij zit weer aan Ovaria vastgeplakt.
Ik ga effe een review posten, dan kan je een tegoedbon winnen

03a5d73889c82642c90cd0f731a69c27

“De Legende van Kruth zit in een prachtige doos verpakt. Speelbord, opzetstukjes en speelkaarten zijn heel mooi en duurzaam afgewerkt. Voor een realistische feel bevat het spel ook enkele 4D elementen. Zo zijn er zware handboeien en een echte castratietang van het type Elastratorbijgevoegd. Jammer dat er van de bijbehorende ringetjes van hard rubber maar een paar zijn, er kan hoogstens twee keer een speler mee worden ontmand.
Ik heb dit spel samen met een geile vriendin en twee flinkgeschapen vrienden gespeeld. Wij vonden de handleiding overzichtelijk en stapsgewijs goed te volgen maar er ontbraken enkele details. Zo was het niet duidelijk hoe lang de speler die in de ionosfeer van Kruth terechtkomt, met de plastic zak op zijn hoofd moet blijven zitten voordat hij/zij overlijdt. Ook is niet helder hoelang de rubber ringetjes om het scrotum van Orlac moeten blijven zitten voordat verkleuring, afsterving cq. onherstelbare schade aan de testikels van de speler optreedt. Jammer van het verder professioneel aanvoelende apparaat en de mooie doos.  Het veelvuldig overslaan van beurten komt de snelheid van het spel niet ten goede. Daarom waardeer ik het spel met drie sterren, ik had liever een vijf gegeven, maar ja, zoals ik al zei: er ontbraken best wel de nodige details in de handleiding.”  ✰✰✰ – Manon (Krabbendijke, 22 jaar)

-/\-

De Legende van Kruth is het tweede deel in de serie: Gesprek der Wezenlozen. Lees het eerste deel hier op Naugthy Business Plaza!

(c) 2016 luckymanbooks

De Kalahari Roos

Waarschuwing: Dit is een erotisch horror verhaal dat enkele wrede scènes bevat.  Lengte: 4700 woorden.

-/\-

De Kalahari is een oude plek. Het is een stille plek. Alleen de wind ruist af en toe door de acacia’s en doet de takken ritselen met gefluisterde geheimen. De Kalahari is nooit jong geweest. Zij is geboren zonder begin of einde, onbegrensd en ondoorgrondelijk. Zij houdt haar water verborgen in onderaardse rivieren, haar glinsterende diamanten diep begraven in het zand. Met haar uitgestrektheid slokt zij nog elk jaar mensen op, verslindt hun levens en spuugt hun witgebleekte botten uit.  Misschien is dit de manier waarop de Kalahari haar geheim bewaart. Misschien is dit de reden dat zij blijft bestaan zoals zij is: een wereld buiten de geschiedenis. Er is al veel over haar gezegd. Er is nog meer verzwegen. Luister nu alleen maar naar de wind.

-/\-

Toen ik vanaf  de Trans Kalahari Highway het zandpad met de wegwijzer: !Xhadi 350 km opreed, draaide ik snel de raampjes dicht. De wielen van mijn witte Landcruiser deden een dichte wolk poederig zand opwarrelen, dat al snel overal in doordrong. Het witte stof zat in mijn neus, het droogde mijn mond, prikte in mijn ogen. De auto zwalkte in het diepe karrenspoor en ik hield het grote stuur stevig vast. In !Xhadi zou ik een reportage over het werk van dr. Melissa Rose gaan maken. Dr. Rose was een protegé geweest van Prof. Mogotsi, de fameuze botanicus van de Universiteit van Gaborone die enkele maanden geleden onder mysterieuze omstandigheden was verdwenen. Er deden in de lokale pers allerlei verhalen de ronde over zijn vermeende dood. Zo werd gefluisterd dat hij was bezeten door een heks en daarna zelf een einde aan zijn leven had gemaakt. Een ander verhaal was dat hij voor schuldeisers op de vlucht was geslagen en onder een valse naam verder leefde in Zuid Afrika. Onderweg had iemand bij een benzinepomp tegen me gezegd dat Prof. Mogotsi tijdens een jachtpartij was verdwaald en dat zijn lichaam mogelijk door hyena’s was opgegeten. Hoe het ook zij, twee dingen stonden vast. Het ene was dat de Professor baanbrekende ontdekkingen had gedaan over het gebruik van medicinale planten door de oude San culturen in de Kalahari. En het andere was dat Dr. Rose mij een paar weken geleden zelf had benaderd om bij haar een reportage te komen maken. Ze had toen ook aangekondigd dat ze een unieke primeur had en dat het daarom uiterst belangrijk was dat ik er met niemand over zou praten. En dat had ik, de bestuurder van de witte auto die voortraasde over de eindeloze witte zandweg, dan ook niet gedaan.

!Xhadi was een kleine nederzetting in het noordwesten van de Kalahari. Het bestond uit niet meer dan een school, een overheidskantoor, een politiebureau, een benzinepomp en drie bottlestores. Verspreid rondom dat kleine centrum stonden lage huisjes met golfplaten daken. Anders dan de opdringerige overheidsgebouwen, stonden de huizen van de dorpelingen ver van elkaar, schuchter voor elkaar verstopt achter stekelige heggen. Het was laat in de middag en ik stopte de auto voor het districtskantoor.

“Ik zoek Dr. Melissa Rose,” vroeg ik aan een paar bezoekers die net naar buiten kwamen. Een oude man met een gleufhoed en een afgedragen colbertje stond mij even te woord.
“Ze is in het huis van Mogotsi blijven wonen,” zei hij kort en wees naar een lage heuvel waar een paar acacia’s op stonden. “A very brave woman” voegde hij er hoofdschuddend aan toe. “Fearless” mompelde hij voor zich uit, terwijl hij over een zandpaadje wegslofte.

Verscholen tussen het hoge gras, net over de rand van de heuvel stond inderdaad een eenvoudig, stevig huis met een dak van golfplaten. In de tuin stonden een paar verdroogde acacia’s en tegen de muur groeiden een paar stekelige vetplanten. In de verte, aan de horizon, stapelden witte wolken zich op. Misschien zou het daar later op de dag of vroeg in de avond nog gaan onweren. Hoe het ook zij, het was verschrikkelijk warm en benauwd. Toen ik het gammele tuinhekje openduwde, protesteerden de oude scharnieren piepend, maar bleven intact. Een donkere vlieg zoemde treiterend en pestend rond mijn gezicht. Hoe ik ook mepte en sloeg, steeds bleef het hardleerse insect maar aan mijn rechter mondhoek plakken.
Ik zocht vergeefs naar een bel en klopte uiteindelijk maar op de deur. Binnen naderden ferme hakken over een hardhouten vloer. De deur zwaaide uitnodigend open en een zwart-witte kat schoot langs mijn voeten naar binnen.
Dr. Melissa-Rose was ondanks haar indrukwekkende cv en imposante lijst publicaties niet ouder dan een jaar of 27. Ze had donkerblond steil haar tot op haar schouders, een zacht, wat melancholiek gezicht en lichtend blauwe ogen die fel contrasteerden met haar donkere haar. Een donkergroen bloesje spande om haar flinke borsten die zichtbaar op en neer gingen met elke ademhaling. Ik zag dat de stof van het bloesje zelfs wat plagend aan de knoopjes trok. Ze droeg een khaki safaribroek en had korte bruine laarsjes aan. Na een korte begroeting liep ze op haar klakkende hakjes voor me uit en ik kloste achter haar aan het ruime huis binnen. Het stond er vol met planten. Alles in de kamer was erg, erg groen.
“Dus jij bent Robert Whitehouse, de fotograaf die een reportage komt maken over de Kalahari roos?”
“Ja,” stamelde ik, wat onder de indruk. “Ja, ik ben het. Je had me toch uitgenodigd?”
Ze glimlachte. “Natuurlijk weet ik dat. Maar je moet eerst je schoenen uitdoen. Dat is een stuk hygiënischer,” zei ze.
Ik ging op een krukje zitten en trok mijn zware terreinschoenen uit. De geur viel niet mee. Na een rit van 300 kilometer over zandweggetjes door een kurkdroge savanne was ik op zijn zachtst gezegd niet meer helemaal fris. Ik kreeg van Melissa-Rose een paar oude plastic slippers en daarop liep ik zwetend, klapperend en flapperend achter haar aan, het keukentje binnen. Nu hoopte ik dat ze naar de koelkast zou lopen om mij gastvrij een koud biertje aan te bieden. Maar dat deed ze niet. Ze ging alleen maar op een stoeltje zitten.
“Ik woon graag alleen,” begon ze, zonder dat ik haar iets had gevraagd. Ze aaide de kat. “Pluis is genoeg gezelschap. Hij klaagt niet, hij knuffelt me en brengt me af en toe een dooie muis.” Ze glimlachte vermoeid. “Ik weet wat je denkt,” zei ze. “Je denkt: Vindt ze me leuk? Is ze in me geïnteresseerd?”
“Nee, dat denk ik helemaal niet,” loog ik terwijl ik voelde dat het worstenvelletje van mijn voorhuid strak begon te trekken.
“Eerlijkheid is geen zwakte hoor,” zei ze “Ik weet wat je denkt en ik zal je daarom maar gelijk uit de droom helpen. Wat je ook doet, wat je ook zegt: Ik ben niet in je geïnteresseerd. Ik wil dat je je helemaal op de roos gaat concentreren. Dat is veel beter voor je. Je moet er helemaal voor gaan, voor dit experiment.”
Ze stond op en liep op harde blokhakken voor me uit naar haar werkkamer terwijl ik haar op mijn flapperende badslippers volgde. Van achteren kon ik haar gewelfde figuur goed zien. Het was alsof een kannetje gesmolten boter over haar heupen was uitgegoten en daar, net onder haar slanke taille, tot twee veerkrachtige kussentjes vet was gestold. Ze pakte heel voorzichtig een stapel oude documenten uit de la.
“Ik heb hier vijf jaar gewoond, maar nu ben ik bijna klaar met mijn onderzoek. Ik heb het werk van  Prof. Mogotsi voortgezet. Dit is zijn huis. Hij heeft hier jarenlang de cultuur van de San bevolking bestudeerd en hun gebruik van planten zoals de Duivelsklauw en de Kalahari roos. Jammer dat hij er niet meer is. Niemand weet wat er met hem is gebeurd.” Ze zweeg even en beet op een droog velletje aan haar onderlip.
“Kijk, hier heb ik een Duivelsklauw,” zei ze.
Ze gaf me een soort droge wortel met honderden weerhaakjes eraan. Het dorre ding haakte gelijk vast aan de mouw van mijn shirt en was met geen mogelijkheid meer los te krijgen. Melissa-Rose keek me hoofdschuddend aan.
“Voorzichtig,” zei ze. “Niet zo trekken. Zo doe je dat niet. Laat mij maar.” Ze zuchtte, boog zich over me heen en bevrijdde me van het nare, prikkerige ding. Nu ze zo dichtbij me was, kon ik haar geile, jonge meidenzweet ruiken. Het was een lokkende, bedwelmende geur.  Ze legde nu een stoffig document op tafel, boog zich erover heen en blies met getuite, volle lippen het stof weg. Ze opende het manuscript, drukte zachtjes de bladzijde aan en liet haar hand er liefkozend met gespreide vingers op rusten. Aan haar linker wijsvinger droeg ze een zilverkleurige ring met een donkerrode, bijna zwarte steen.
“Dit zijn de aantekeningen van Prof. Mogotsi,” zei ze. “Hij was iets heel bijzonders op het spoor. Iets dat alles wat wij denken te weten overhoop zou kunnen gooien. De rode bloemen van de Kalahari roos kunnen….”
“Wat heb je een mooie ring,” zei ik ineens, gehypnotiseerd door haar stem en betoverd door de glans van de steen.
“Robijn,” zei ze. “Deze ring is nog van de Professor geweest. Robijn is goed voor de chakra van het hart en stimuleert passie, motivatie en de seksuele activiteit van oudere mannen.” Ze glimlachte eventjes vaag. “Maar als een vrouw hem draagt beschermt de steen haar tegen psychotische aanvallen en ook tegen mensen die seksuele energie bij haar willen wegzuigen.”
Zo te horen had mijn vraag de defensieve krachten van de steen al geactiveerd. Wow. Zou zij veel opgespaarde seksuele energie hebben?
“Hij staat je heel goed,” zei ik ondanks haar waarschuwing. Ik greep haar hand en trok die naar mij toe. Ik wilde de ring dichterbij bekijken, maar eigenlijk probeerde ik natuurlijk haar zachte hand te voelen. “Heeft de professor die ring nog aan je gegeven voordat hij verdween?” vroeg ik.
“Ik vind dat je veel te emotioneel op deze ring reageert,” zei ze fel en rukte haar hand los. “Pas daar fucking mee op,” snauwde ze. Je lijkt wel een hond, een reu die alleen primaire gevoelens, zoals honger, dorst en lust ervaart. Die kaatst de roos dadelijk keihard aan je terug als je niet oppast. Ik adviseer je één ding. Ga nu onmiddellijk slapen zonder iets te eten of seks met jezelf te hebben. Drink alleen wat water. Dan droom je niet. Denk erom: het rozenexperiment begint morgenochtend. Dan pas gaat de bloem open. Wees sterk en verspil je krachten niet!”

Zo lag ik dan belachelijk vroeg in de avond op bed in de kale logeerkamer onder een muskietennet en overdacht wat Rose had gezegd. Eigenlijk was ik helemaal nul komma nul wijzer geworden over Professor Mogotsi en zijn ontdekkingen. Wat zou haar primeur dan zijn? Wat ik wel goed begreep was het gevoel in mijn boxershort. Daar was het textiel langzamerhand wat beter gevuld geraakt en terwijl ik aan de zachte hals van Melissa-Rose dacht, probeerde ik van mezelf af te blijven. zoals zij mij zojuist had opgedragen. Zonder eten naar bed en mezelf niet aftrekken, dacht ik mokkend en sliep als een gefrustreerde tiener in.

-/\-

De volgende ochtend werd ik fris en vol energie wakker. Ik liep de keuken in, op zoek naar eten en naar Rose. Ze zat aan de keukentafel en Pluis zat naast haar ontbijtbordje.
“Heb je gedroomd?” vroeg ze, in plaats van te vragen of ik goed geslapen had.
“Ik weet het niet Rose. Misschien wel, maar ik herinner het me niet. Ik heb trouwens niet met mezelf gespeeld,” voegde ik er volstrekt overbodig aan toe.
“Natuurlijk heb je gedroomd. Maar het is ook mogelijk om een vergeten droom nog eens beleven. De San tribes hier in !Xhadi dromen de wereld. Alsof die echt is. Professor Mogotsi heeft dat ontdekt.”
“Dromen de wereld? Ik…ik begrijp het niet.”
“Nee. Je moet eerst met de Roos zijn. Jij bent nog niet met de Roos geweest. De bloem heeft zich net geopend. Kom.”
Ik volgde haar naar haar werkkamer. Op haar bureau stond nu een schorsige vetplant met een rode bloem.
“Dit is ze,” zei ze. “De Kalahari Roos. Ken je de boeken van Carlos Castaneda over de Mexicaanse Indianencultuur trouwens?”
Mijn brein werkte op volle toeren. Ik stond op het punt het geheim van de Kalahari Roos onthuld te krijgen en misschien zelfs ook te weten te komen wat er met professor Mogotsi was gebeurd. En nu kreeg ik allemaal examenvragen op me af gevuurd.
“Ja die Castaneda, ja eh… iets met sjamanen en Mexico toch? Drugs of zo? Die boeken waren best wel creepy. Hij schreef dat hij ´s nachts in de woestijn achterna gezeten werd door lichten op de horens van de dood.”

Melissa-Rose antwoordde niet. Ze streelde de stam van de plant met haar gevoelige vingertoppen en schoof haar hand op en neer langs de korte stengel alsof ze een man aftrok. Zachtjes zei ze: “alsjeblieft, mijn lieve boompje, slaap, slaap verder…” Toen ze zo de plant in slaap had gewiegd met haar zachte stem en haar geile stamstrelende vingers pakte ze een snoeischaar en knipte met een doortastende beweging de rode bloem af.

“Je moet altijd lief tegen de plant blijven. Anders zal ze proberen je te vergiftigen, zei ze. Geen zorgen hoor. Ik ben heel lief voor haar geweest.”
“Melissa?”
“Melissa-Rose bedoel je,” zei ze kort. Nu pas zag ik dat ze een kapje voor haar mond en neus had gebonden.
“Melissa-Rose, het is toch niet gevaarlijk?”
“Haha, Robert, je bent een echte zeurpiet-man. Natuurlijk niet. Het zijn je eigen dromen. Hoe kunnen die nou gevaarlijk zijn!”

Ze hield de roos voor mijn neus en ik snoof het parfum diep op. Eerst rook ik de geur van een jonge meiden kut, daarna openden mijn zintuigen zich en openbaarde er zich een bedwelmend aroma van traag druipende honing, voedzame noten, zachte boter en warm, rauw vlees. Toen brak het koude zweet mij uit. Ineens deed Melissa-Rose me denken aan Poison Ivy uit de Batman films, de vrouw die mannen kon vergiftigen met een enkele kus. Maar er was geen weg meer terug.
“Weet je het allemaal wel zeker?” vroeg ik.
“Ja, de werkzame stof is mescaline, 3,4,5-trimethoxyfenethylamine,” voegde ze er geroutineerd zonder te haperen aan toe. “Dezelfde stof als in peyote.”
Ik keek haar glazig en gedesoriënteerd aan.
“Peyote, de magische cactus uit de boeken van Carlos Castaneda,” legde ze uit.
“Maar die boeken waren waren toch allemaal verzonnen?”
“Wat verzonnen?”
“Die boeken van hem. Het waren geen studies maar verzinsels,” sprak ik moeilijk met zware tong.
“Klopt, hij heeft alles verzonnen. De sjamanen, de peyote, tot de lichten op de horens van de dood aan toe, alles was verzonnen.”
“Dus het was allemaal een leugen? Dat contact met de geestenwereld? Die geesten en krachten bestaan dus allemaal niet? Allemaal verzinsels?”
Rose schudde haar hoofd. Ze friemelde weer aan haar donkere lokken, trok de haarstreng strak, wikkelde die om de ring aan haar linkervinger. Ze haalde diep adem en blies die langzaam uit. Nadenkend zei ze: “Ja, hij had het allemaal verzonnen. Maar dat betekent niet dat het niet waar is. Jij begrijpt de schimmenwereld nog niet. Jij bent een man die leugens met verzinsels verwart. Leugens zijn gordijnen van schaamte die mensen dichttrekken om er hun fouten achter te verbergen. Verzinsels niet. Die zetten je juist aan het denken over waarheid. Zelfs het verhaal van de Roos is verzonnen en je vraagt je nu al af waar de bloem je tijdens of na afloop van het verhaal naar toe zal leiden.” Ze keek loensend naar de sprietige punten van de haarlok die zij tussen haar vingers hield.

“Verzonnen?” prevelde ik. “Verzonnen? Gold dat misschien ook voor professor Mogotsi? Verzonnen en toch waar? Was dat nou die grote ontdekking? Dat alles verzonnen zou kunnen zijn? Was dan zelfs de hele bijbel misschien verzonnen en stond er toch tegelijkertijd geen enkele leugen in? En God dan? Een verzinsel en toch waar? Had Mogotsi dat ontdekt?
“Wat is pure waarheid toch mooi hè,” fluisterde Rose hees van emotie in mijn oor. “De Roos van de Kalahari staat voor waarheid. Deze plant komt uit de Hof van Eden. Dat is wat de professor heeft ontdekt. De Boom der Kennis in het paradijs was geen appelboom maar een magische plant met een rode bloem. Je hebt nu aan haar geroken. Ruik nog maar een keer, deze bloem zal je alles leren over de wereld en jezelf. Steeds vaker, telkens weer, zul je aan haar willen ruiken. Je dagen zullen niet meer compleet zijn zonder dat je tenminste een keer aan de roos geroken hebt. De Roos weet namelijk alles, kent al jouw sterktes en zwaktes. Zij zal je leren waar je allemaal toe in staat bent en je zult versteld staan van jezelf. Deze Roos, zei ze, is het meesterwerk van Satan.”

 -/\-

Toen de roes van de roos uitgewerkt leek te raken, werd ik in de logeerkamer wakker. Het voelde alsof ik uren stil in dezelfde houding had gelegen. Ik had het bloedheet, mijn hart klopte onrustig in mijn borst. Ik realiseerde me dat ik heel dichtbij een absolute waarheid, een onthulling van universele kennis was geweest. Maar wat was die waarheid ook al weer? Nu ik wakker was, wist ik het niet meer. Ik kon mij de droom helemaal niet meer herinneren. Mijn geest was weliswaar uitgedijd tot aan de grenzen van het heelal maar nu die weer was gekrompen en niet veel groter meer was dan mijn hoofd, kon ik niet meer denken. Misschien moest ik nog eens een keertje aan die roos ruiken. Waar was Melissa-Rose trouwens gebleven? Ik strompelde door het lege huis naar de keuken en trok wild een kast open. Ik moest die roos hebben. Waar had ze die gelaten? Mijn tempo van zoeken ging zo snel omhoog dat mijn graaiende armen mijn paniek niet bij konden houden. Ik zag en hoorde blikjes, doosjes en andere objecten uit de keukenkastjes via mijn hoofd en schouders op de grond vallen. Maar het deerde me niet, ik voelde het niet. Ik realiseerde me wel dat ik diep gevallen was maar het kon me niet schelen. Als ik nog een keer aan die roos zou mogen ruiken, een keertje maar, dan zou ik alles begrijpen, in staat zijn om de hele wereld, inclusief mijzelf, te doorzien.  

Ik had verschrikkelijke dorst en pakte een glas, maar net toen ik het onder de kraan hield, brak het. Ik sneed me in mijn vingers en mijn bloed begon op de grond te druppelen.  Godverdomme waar lag die fuckroos nou! Terwijl ik zo op mijn knieën over de grond kroop in de keuken, merkte ik dat het licht dat door het keukenraam scheen zwakker werd. Het begon buiten hard te waaien. Een schim bewoog om het huis, wierp een zware schaduw door de ramen tot die volledig waren verduisterd. Blind en bloedend kroop ik rond tussen de scherven op de vloer. ¨ Rose?” riep ik. “Melissa-Rose?”

Een heldere flits brak de diepzwarte duisternis open en even stond ik midden in het witte licht. Ik was verblind en zag niets. Werd ik zelf gezien? Onmiddellijk viel de duisternis weer bovenop mij, het huis trilde en er trok een rammelend gedreun door de muren. Het leek van boven te komen, alsof een grote hand de golfplaten van het dak had beetgepakt en er even mee speelde.  
Buiten joeg de tijd om het huis in een verschrikkelijke storm. De drie acacia’s zwaaiden met hun droge takken als omgekeerde bezems naar de wind. Door een fijne nevel van geelbruin stof zag ik de takken zich terugtrekken in de stam en de dorre kruinen verdwijnen in de schors. De bomen werden steeds kleiner tot ze als sappige scheuten terugschoten in de grond. Ik keek nu uit over een eindeloze vlakte waar het gele gras vergroende tot het begon te regenen. De zon ging onder, kwam weer op, schoot geel door de blauwe hemel en stierf rood aan de horizon waar zij geboren was. Toen werd het stil en kwam de maan. Zij klom statig op haar troon en zweeg. Ik probeerde naar haar te glimlachen, maar ik leek te stikken. Het was alsof er een riem om mijn nek werd aangesnoerd.  Ik wankelde naar buiten, op zoek naar frisse lucht in de botanische tuin van Rose.

Het eerste dat ik daar zag was een dik wit touw dat over de tak van een acacia hing. Onder die tak stond een vrouw met een strop om haar slanke nek. Ze was gekleed in een ouderwetse witte blouse, een lange, donkergrijze rok tot net onder de knie en ze stond op eenvoudige platte schoenen. Ze had halflang, steil donkerblond haar. Haar armen waren strak op haar rug gebonden met touw dat haar polsen aan elkaar snoerde. Onder haar rok zag ik dat haar enkels bijeen werden gehouden met een korte, maar zware ketting. Nu zag ik dat het Melissa-Rose was.
“Wat kijk je nou? Wil je niet eens hijsen?” vroeg ze hees aan me.
“Rose,” riep ik uit. “Wat is er gebeurd? Wie heeft dit gedaan?”
“Wat ga je doen? Hijsen?” vroeg ze nog eens aan mij. Haar witte borsten deden haar bloesje bollen, haar ademhaling ging snel en onregelmatig op en neer.
“Hijsen?” vroeg ze weer. “Hijsen?”
Verward greep ik het touw. Ik liep, met het touw van de strop in mijn hand om haar heen. Ik zag hoe haar slanke polsen bloedden van het strakke touw. Vertwijfeld draaide ze haar polsen rond, haar slanke vingers tastten in het niets, zoekend naar houvast, naar een uitweg.
“Jouw ogen zijn de laatste die ik ooit zal zien,” zei Melissa-Rose hijgend tegen mij. “Hijs maar. Hijs nu. Nu ben ik nog warm en geil, net als jij. Dadelijk niet meer. Hijs me op.  Droom daarna maar elke nacht van me. Ik zal altijd bij je zijn, of je het nu wilt of niet.”
“Ik wil dit niet,” zei ik. “Ik wil je geen kwaad doen.”
“Ik geloof je niet,” zei ze rustig. Voel eens in je broek! Ik weet dat je er een stijve van hebt. Wil je geen hemels orgasme? Alleen maar door naar mijn dood te kijken, alleen maar door even aan het touw te trekken? Wil je me niet zien spartelen? Er zijn genoeg mannen die dat wel zouden willen hoor! Of moet ik het soms aan een ander vragen?”

Rose had mijn leugen doorzien. Vanaf het moment dat ik het touw had beetgepakt, had ik een heerlijke, dikke erectie. Ik trok voorzichtig aan het koord en zag dat de strop zich direct strak om haar nek sloot. Zo makkelijk was dat. Nu begon ik haar langzaam op te hijsen. Zij keek me stil en gelaten aan en eerlijk gezegd werd ze almaar mooier met elke millimeter levensruimte die ik haar ontnam. Naarmate ik de strop hoger aantrok, ging ze steeds meer op haar tenen staan, totdat ze als een ballerina op spietsen stond. Ik keek naar haar elegante doodsnood en raakte ervan in een lichte en tintelende roes. Ik voelde de spanning van het touw groeien door het toenemende gewicht van het lichaam dat steeds zwaarder aan haar dunne hals begon te hangen. Eerst kwam haar linkervoet los van de grond. Met het puntje van haar rechter hield ze nog even haar voet op de aarde. Ik liet haar zo even staan, genietend van elke seconde. Daarna trok ik zachtjes maar weloverwogen allebei haar voeten los van de grond. Nu begon ze in haar doodsstrijd wild te spartelen en deed zij het strakgespannen touw trillen. Ik voelde de vibratie van haar schokkende ledematen door mijn hele lichaam trekken. Het genot van die trilling was zo sterk dat ik niet meer kon stoppen. En zelfs nu ik de mogelijkheid nog had om haar te redden, kon ik geen weerstand meer bieden aan de drang om mijn zaad te gaan lozen. Net zoals Melissa-Rose zwaaiend en schoppend, stuurloos draaiend aan het koord op het randje van de dood zweefde, zo balanceerde ik op mijn beurt op de rand van een orgasme, dat mij zou verlossen van de onhoudbare druk van mijn levende zaad. In doodse stilte trappelde Rose nog even in de lucht, waarbij de ketting zachtjes tussen haar enkels rinkelde. Het wegstervende geklingel van de schakels in de wind duwde mij over de rand. Met al mijn kracht sjorrend aan het touw kwam ik kloppend en bonkend van genot klaar in mijn broek. Haar ongecoördineerde stuiptrekkingen doofden langzaam tijdens de contracties van mijn langdurige zaadlozing en nadat het laatste druppeltje uit de kop van mijn pik was gelekt, hing zij stil aan het touw. Urine en ontlasting liepen langs haar witte benen terwijl bij mij het sperma langs mijn behaarde dijen droop. Pas nu merkte ik dat ik mijn handen had opengeschuurd aan het ruwe touw. Ik liet los en het lichaam van Rose viel voorover op de grond, met haar gezicht in de aarde.

suicide_of_mother_nature_by_dumbelek-1“Rose, Rose,” schreeuwde ik. “Rose!” Ik liep verdwaasd door de tuin van Rose met een stuk bebloed touw in mijn handen. Het was een lus, een stuk touw zonder begin, zonder einde. In het stikdonker rende ik naar mijn auto en terwijl het verschrikkelijk begon te onweren vluchtte ik midden in de nacht de wildernis in. Ik wist niet waar ik naar toe ging. De wereld bestond nog maar uit twee dingen. De nachtmerrie die achter me lag en de eindeloze wildernis voor mijn koplampen waar ik een smal pad vond dat me ver weg leidde, naar de voet van de heuvels. Na enkele uren had ik echter de tank leeggereden en was zo gedwongen te stoppen. Ik stapte uit en ging onder een boom zitten, wachtend op de dag die komen zou.

 De zwarte horizon kleurde donkerblauw en daarna volgde de rode gloed van de zon  Ik probeerde me de dromen van die nacht te herinneren. Maar het lukte niet. Zonder de Roos van de Kalahari kon ik niet meer dromen. Ik hoorde vogeltjes kwitteren in de boom. Er hing een enorm weversnest aan een van de takken. Ik keek omhoog naar het nest. Een felgeel gekleurd vogeltje kwam uit de nestopening te voorschijn, keek even om zich heen en vloog weg. Na een tijdje kwam hij terug met een takje in zijn snavel dat hij aan de rand van de grootste nestopening stak. Het was inmiddels licht geworden. Nu pas zag ik waar ik was. Ondanks mijn urenlange rit door de nachtelijke wildernis zat ik nog steeds onder de acacia in de tuin van Rose. Het weversnest hing laag aan de tak. Weversnest? Ik voelde al het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Met afgrijzen zag ik dat het weversnest niets meer en niets minder was dan het gemummificeerde lichaam van Professor Mogotsi. Zijn colbert was half vergaan, zijn huid verschrompeld als een dood blad, zijn verdroogde haren wit van het stof. Zijn dure schoenen lagen als afgevallen vruchten op de grond, ze waren blijkbaar van zijn ontvelde voeten afgegleden. De wind blies door de lege oogkassen van zijn holle schedel. Het leek of hij sprak met die stem, met de toon van de wind, met ruisende woorden die ritselden in mijn oren. Hij zei: “Dr. Melissa Lilith Rose…..Wife of Satan …… “
Ik dacht nog even aan mijn reportage voor Geographic Review. Maar deze primeur was wat te groot voor dat magazine, net zoals het voor Professor Mogotsi ook blijkbaar te groot om te bevatten was geweest. Ik liep naar de auto, pakte de sleepkabel, hing de sterke staaldraad over de andere tak en knoopte het ene eind daar goed omheen. Het andere snoerde ik om mijn nek. Ik pakte een trapje dat toevallig tegen het huis van Rose aanstond, beklom het en toen ik er af stapte, was het alsof ik door een valluik de oneindigheid betrad. In die oneindigheid, in de tuin van het huis op de Kalahari savanne, zag ik Rose. Zij was naakt en haar borsten stonden fier overeind, met grote tepels en lichtbruine areolas eromheen. Haar ongeschoren vrouwelijke schoonheid was ongerept, zuiver en als sprankelende, absolute waarheid. Zij droeg een rode bloem in haar haar. Mijn longen voelden als verfrommelde plastic zakjes, ik snakte ernaar die te vullen met lucht, met leven om haar alsnog te mogen beminnen. Maar het was te laat. Ze keek stil naar mijn ongecontroleerd ronddraaiende lichaam. Zij ging op een wit laken op haar rug liggen en vingerde zichzelf lui en dromerig met opgetrokken benen. Ze had de ring met de robijn nog steeds aan haar linker wijsvinger en stak die samen met de middenvinger af en toe diep bij zichzelf naar binnen. Toen ik hoorde dat haar hijgende adem even stokte, zag ik dat zij haar ogen sloot en stil genoot van wat alleen zij verdiende: het ultieme, verlossende orgasme.

Er bleef nog een vraag over: Wat zou er gebeuren als iemand zou proberen uit te vinden waar professor Mogotsi en ik waren gebleven? Als onze lichamen ooit gevonden zouden worden, zou men dan zonder de Kalahari Roos eigenlijk wel beseffen hoe groot de ontdekking was die wij hadden gedaan? Waarschijnlijk niet. Alleen Melissa-Rose wist dat. Zij had de sleutel van de Hof van Eden en die sleutel was een rode bloem die elke ochtend bloeide aan een onaanzienlijke, schorsige plant. En zelfs als de Hof van Eden en de Kalahari Roos niet meer dan verzinsels waren, dan nog zou het allemaal heel goed waar kunnen zijn….

-/\-

Tekst: (c) luckymanbooks 2016

Photomanipulation: (c) 2007 suicide of mother nature by dumbelek – under Creative Commons 3.0  license 

Dit verhaal heb ik geschreven voor Thewa#15 van EWA Nederland. De uitdaging was: schrijf een erotische nachtmerrie.

thewa200

De hippiekoningin

“Het voelt eindelijk alsof het herfst is,” zei de Hippiekoningin in zichzelf. Een halve eeuw geleden had zij gezien hoe Jimi Hendrix zijn gitaar verbrandde op het Monterey Popfestival. Nu leefde zij teruggetrokken in haar laatste toevluchtsoord: de peepshow in het souterrain van de new age winkel aan de Rozenlaan. Ik had er net een paar reflexologie sandalen aangeschaft en wierp het wisselgeld in de gleuf van de automaat. Het luikje klapte open en door het glas keek ik naar de Hippiekoningin. Ze zag er tijdloos meisjesachtig uit. Van alle meiden die met swingende heupen en schuddende borsten in de midzomerzon hadden gedanst was zij als enige overgebleven. De oude liefdeszomer had tientallen kalenders overleefd maar leek nu eindelijk voorbij.

“Ik vind het fijn dat je naar me bent komen kijken,” zei de Hippiekoningin. “Ik krijg niet veel bezoek meer. Eerst had iedereen het te druk met werken en nu zijn ze allemaal te oud om nog te komen.”

“Of te dood,” opperde ik.

“Je hoeft niet dood te zijn om niet meer bij je Koningin te komen. Dood zijn is geen excuus hoor.”

“Ik heb je dochters gezien,” zei ik.

“Ze zijn zeker al groot, is het niet?”

Ik wist niet wat ik haar moest zeggen. Haar dochters zaten achter de webcam en wisten niet wie hun moeder was. De Hippiekoningin lag jong en goed geconserveerd achter het glazen raam in haar vitrine. Zij was naakt en rookte een joint.  

“Nou? Zijn ze al in India of Afghanistan geweest?”

“Misschien naar India. Afghanistan is niet meer zo in trek. De meesten gaan tegenwoordig naar Ibiza.”

De Hippiekoningin draaide zich naar mij toe. Ze legde haar slanke hand plat op het glas van de vitrine. Ik kon de lijntjes op haar handpalm zien. Ze keek me wanhopig aan, als een tot levenslang veroordeelde gevangene. “Kom bij me. Er is al zo lang niemand meer bij me geweest,” zei ze zacht. “Mijn dochters zijn uit mijn idealen geboren. Maar ik niet. Ik wil ermee gaan stoppen.”

Stoppen? Dat nooit, dacht ik. Integendeel: hier in de cabine van de peepshow zou ik de ultieme liefde met haar willen bedrijven. Met haar gave, gladde handpalmen zou zij mijn gezicht strelen en haar vingertoppen langs mijn lippen laten glijden tot op mijn kin.  Zij zou dan mijn overhemd openknopen en door mijn borsthaar kroelen, mijn tepels plagend prikkelen met haar tong en natte lippen. Ze zou zich daarna op mij storten als een uitgehongerde wolvin, haar hoofd begraven in mijn schoot en mij lurkend, slurpend en slikkend naar stratosferische hoogtes pijpen.  Als parende slangen zouden we daarna langzaam en langdurig in en uit elkaar glijden, verstrengeld in een kronkelende dans rondom haar natte roze spelonk, waarachter ik een majesteitelijke holte vermoedde. Ik wilde maar een ding: afdalen in de peilloze diepte tussen haar heupen en daar wegsmelten in haar warme koninginnengelei.   

En dat zou alleen nog maar het voorspel zijn want in haar ogen zag ik dat zij smachtte naar het slotakkoord.

Haar roodverbrande lichaam was nog jong, met volle vrouwelijke rondingen, gewelfd als een Gibson gitaar met een goedgevulde klankkast. Ik wilde haar nog eenmaal laten klinken met een zwaar en donker grommend riff. Een akkoord zo diep dat zelfs dode muzikanten voor haar op zouden staan uit de groeven van de live elpee die eeuwig op de Grote Platenspeler ronddraaide.  

Ik stapte het podium op. Het rode lampje van haar versterker brandde. Ik hing haar als de Gibson om mijn nek en mijn trillende vingers gleden over de fretten van haar lange hals. Met mijn mond beroerde ik de ruimte tussen hals en brug en net als Hendrix op Monterey bespeelde ik haar met mijn tong, mijn tanden, mijn hart en mijn ziel. Toen het akkoord klonk en zij in mijn armen zong en trilde, ergens in het interval tussen grondtoon en kwint, in de hemelse ruimte tussen onze oren, kwamen we tegelijk klaar. Ik sproeide haar onder met vurig zaad dat ontvlamde en haar gewelfde klankkast verschroeide, de toeschouwers vele decennia later nog verbijsterd achterlatend.

Het glas van de vitrine brak onder het geweld van onze samensmeltende zielen en in mijn armen verouderde de Hippiekoningin tot ze er net zo vermoeid uit zag als mijn idealen. Het was nog goed te zien hoe mooi zij was geweest op de dag dat ik had gezworen eeuwig van haar te blijven houden. Dankbaar liet ik haar gaan. Buiten snoof ik de frisse stadslucht op. Ook mijn zomer mocht nu eindelijk voorbij zijn.

-/\-

Tekst: (c)2016 luckymanbooks

Illustratie: (c) 2015 Alexander Halo

Dit verhaal heb ik geschreven voor ronde 7 van de EWA schrijfmarathon 2016.  De opdracht was: schrijf een erotisch verhaal bij de afbeelding van Alexander Halo. Het eindigde op een gedeelde negende plaats, waarmee ik niet door ben naar ronde 8. Mijn deelname aan de Schrijfmarathon 2016 zit er dus op. Tot volgend jaar!

De zaaddrager

Ik stond voor de garderobekast en schoof de deur open. Marit en ik hadden die kast vijf jaar geleden gekocht toen we trouwden. Zij had haar kleren rechts gehangen, ik die van mij links. Ieder had zijn eigen ruimte. Zo was het vanaf het begin geweest, maar zo zou het niet voor altijd blijven. Er was vanavond een bezoeker naar ons onderweg en met die bezoeker was er een grote verandering op komst.  Hij kwam een daad verrichten die al het oude tussen Marit en mij weer nieuw zou maken.
Ik pakte een donkergrijze pantalon en een wit overhemd. In deze kleding zou het gaan gebeuren: een nieuw begin, een nieuwe kans, een gezegende toekomst. Eenvoud was daarbij een keuze, bescheidenheid daarbij een deugd. Mijn kleding zou in elk geval zo weinig mogelijk afleiden van datgene wat te gebeuren stond. 

Beneden zat Marit al klaar. Ze had een donkergroen truitje aan met een witte bloes. Daaronder droeg ze een donkere rok die tot ver over de knie reikte. Om haar nek hing een gouden kettinkje, dat ze nog van haar moeder had gekregen. De stijve manchetjes van haar bloes staken uit de mouwen van haar trui. Met haar slanke handen friemelde ze wat aan haar haar. Marit was diep in haar bijbel verzonken. Met wijs- en middelvinger van haar rechterhand volgde ze de tekst. Jakobus 1:6 wie twijfelt is als een golf op zee die door de de wind heen en weer wordt bewogen. Haar vingers gleden op en neer over de bladzijde, zachtjes vingerde ze zo die ene pagina, drukte in gedachten op het papier, opnieuw, opnieuw en steeds opnieuw. Waar dacht ze aan? Aan twijfel? Ik wist het, maar zei niets. Ik ging bij haar zitten en zo wachtten we samen tot ouderling Gustav zou komen. lees hier verder

Le Rêve

Scène 1: De Jeugdherberg

De zon scheen door het glas-in-loodraam de hal van de jeugdherberg binnen. ‘Voor de jeugd, van de jeugd, Ermelo 1947’ stond er.  Het witte licht werd gefilterd door de gebrandschilderde ruiten en viel met een roodgele gloed op mijn gezicht. In dat licht stond ik op stevige wandelschoenen te stralen met een kop thee in mijn hand en Lenie, Mia en Puk aan mijn zijde. We stonden al stevig in onze schoenen maar konden nog net niet op eigen benen staan. We zagen er alle vier goed uit, jong, meisjesachtig, vrouwelijk, fris en levenslustig. Niemand van ons had ooit een ring gedragen, onze nagels waren nog nooit gelakt.  Onszelf noemden we: ‘De Zweetdroppels’ vanwege al het corvee in de jeugdherbergen die we op onze trektocht over de Veluwe aandeden. We waren alle vier nog maagd en dat zouden we nog wel even blijven, tot we trouwden of desnoods tot we doodgingen. Daar was niets verontrustends aan. Er stond altijd wel ergens een emmer met groene zeep en een vettige grijze dweil die uitgewrongen moest worden en anders zou die dweil of uiteindelijk het leven zelf ons wel uitwringen. Het was het een of het ander. Het leven was overzichtelijk. En zelfs het ogenschijnlijk meest nutteloze had toch altijd ergens nut.

Verder was het allemaal precies zoals nu en zelfs het weer was soms hetzelfde. We wisten niet dat we in het verleden leefden. Op de foto’s zag het er natuurlijk anders uit. Nee, we leefden niet in zwart wit, we woonden niet in lelijke kamers. Als ik eraan denk, was het leven toen eigenlijk kleurrijker dan nu. Voor mij tenminste. Andere mensen moeten dezelfde kleuren als ik gezien hebben, in hetzelfde licht. Maar misschien waren ze zelf gaan geloven dat het in zwart wit was, net zoals op de foto’s in hun albums. Misschien geloofden ze op dezelfde manier in een scherpe lijn tussen goed en fout, ik weet het niet. Ik ben alles pas in een ander licht gaan zien nadat ik hem ontmoette. En het roodgele licht dat die ochtend in Ermelo door het glas-in-loodraam viel was daar de voorbode van. lees hier verder

De eerste druppel

Oh sorry. Deed ik je pijn? Ik hoop dat je niet geschrokken bent. Word alsjeblieft niet boos. Ik zag je even niet. Of beter gezegd: ik weet niet precies waar jij begint. Dat is niet zo moeilijk. Want jij ziet ook niet waar ik ophoud. Het is hier namelijk nogal donker. Dat moet zo zijn natuurlijk, dat begrijp ik. Sommige dingen liggen zo voor de hand dat ze altijd makkelijk zullen blijven, ook zonder licht. Je bent dichtbij. Ik heb mijn ogen dicht. Dat is er een. We zijn samen. Dat is een ander. Ik hoef mijn hand maar uit te steken om je aan te raken, om je te pakken. Moeiteloos. Jij bent toch overal. Misschien wel daarom doe ik het niet. Ik weet niet eens of ik het al kan. Wacht even, dan ga ik anders liggen. Ja, beter zo, veel beter.

Deze duisternis is zo veilig, weet je. Niemand kan mij vinden, niemand ziet of weet dat ik hier samen met je ben. Ik ben steeds dieper en dieper in je doorgedrongen. Ik ben nu al zo ver in je gekomen dat ik door je hart ben opgezogen. Ik voel jouw ritme kloppen in mijn bloed en zo stroom ik steeds weer door je heen, in een eindeloze lus. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ik in je ben opgelost. Zo ben jij mij en ben ik deel van jou geworden.

Schuif je nog een stukje op? Mag ik nog wat dichter bij je komen? Ik heb niet veel ruimte van je nodig. Ik ben maar een letter in jouw woorden, een zuchtje in de adem van je stem. Ik voel dat je mij omsluit als een warme bol waarin ik ben. Ik golf met elke adem door je heen. Ik ga soms kopje onder in die zee. Ik ben omdat ik zwem.

Weet je het nog? Ik niet. Ik weet helemaal niets meer van vroeger, van voor ik was. Maar je zegt me zacht dat het geweldig was. Dat ik met je samenvloeide in een warme kloof die lokkend tussen je dijen gloeide. Na de oerknal van je orgasme ben ik zomaar in je aangespoeld. Ik ben een ster die nooit van plan was om te blijven. Je liet me toe. Ik mag hier in je drijven.

Ik weet niets meer van al je wellustige welvingen en geraffineerde rondingen. Ze zijn helemaal niet nodig voor mij. Niemand kent je zo goed van binnenuit als ik dat kan. Vind je het erg dat je geen geheimen voor me hebt? Hoe kan ik anders? Ik ruik de geur van je hart, proef het zuur van je angst en het bitter van je woede. Als je lacht, dan dansen de getijden in de zee, het is een blije vloed die telkens sneller stroomt, ik voel de warme wanden van je oevers, die rekken zachtjes met me mee.

Ik weet niets van de dagen en de nachten. Ik ken je teddybeerpyjama’s niet. Jij ziet het licht en ik moet daarop wachten. Ik drijf langzaam groeiend in jouw rivier van bloed, de kliffen aan de hoge oevers grijpen mij. Je knelt me tussen kloppende en sidderende wanden, mijn doortocht in de nauwe doorgang doet je pijn.

Ik hoop dat je bent uitgerust. Want als het dag is wil ik slapen. In de nachten droom ik van je marmerwitte borsten, die wachten op de eerste druppel die ik kus.

Wat ik geleerd heb in het donker blijf jij onthouden in het licht. Ik ben dichtbij je en heb nog steeds mijn ogen dicht.

-/\-

tekst: (c) luckymanbooks 2016

foto: (c) luckymanbooks 2016

Dit verhaal heb ik geschreven voor ronde 6 van de schrijfmarathon 2016 van EWA Nederland. De opdracht was: schrijf een erotisch verhaal van maximaal 650 woorden, in de ik-vorm, dat zich in het donker afspeelt. Het behaalde de dertiende plaats in deze ronde en daarmee ben ik geplaatst voor ronde 7.  

Ik heb dit verhaal licht gecorrigeerd zodat de tekst iets vloeiender leest. De versie op mijn blog bevat daarom kleine verschillen vergeleken met de Schrijfmarathonversie.

7 x 7 =

Als het in Bobodialassou regent, regent het overal. Het klettert op de golfplaten daken van de huizen. Het bruine stof spoelt door de goten en loopt als rode modder op de grond. De regen maakt de vuilnishopen zacht en het water draagt het afval met haar mee. Haar druppels vallen ruisend door de bomen en roffelen op de afgebrande akkers. De aarde op haar beurt opent al haar poriën en laat haar, de regen en het leven, gulzig bij zich binnen. Het zaad dat in de droge voren van de akker sliep, ontkiemt. Diep in de bodem maakt de regen de larven van het ongedierte wakker en ze wurmen zich als bleke voetloze monstertjes naar boven. Daar verdichten ze zich tot donkergroene zwermen die de hemel zwart kleuren. De zon komt op en de dag wordt elke keer opnieuw geboren aan het einde van de donkere nacht. Zo ongeveer moet ik in de wereld zijn gekomen toen ik uit de schoot van mijn moeder geboren werd in haar huis aan de rivier. Zij noemde mij Mamadialassou – de ster die de eerste stralen van de zon begroet.  

-/\-

“Kan die airco niet wat harder?,” zegt Consul Rolf Hendrickx. Hij heeft de afstandsbediening in zijn hand en drukt lukraak op wat knopjes. Zijn lichtblauwe overhemd is donker rond de oksels en kletsnat op zijn rug. In het conferentiecentrum begint morgenochtend een nieuwe ronde vredesonderhandelingen. Dat is hard werken voor deze Consul, hij moet ervan zweten en wanneer hij zweet, zweet hij overal. Hij zweet op zijn voorhoofd en bovenop zijn kale schedel. Het loopt in straaltjes in zijn nek en verdwijnt onder de stijve kraag van zijn overhemd. Het is overigens niet alleen de warmte die Rolf doet zweten. Het komt ook door de frisheid van de Zweedse journaliste Toyah Hurdal en de onbevangen vragen die zij hem stelt.   lees hier verder

Cocktailbar Terminus

“Het ijsblokje brandt niet meer Jessica.”

De neon verlichting in de hoek van de bar is voor de zoveelste keer gaan knipperen. Het gele Martiniglas flikkert, de rode kers knettert en het gekronkelde groene rietje vonkt. Het blauwe licht van het ijsblokje in het glas is zelfs helemaal uitgevallen. Vijftien jaar geleden heb ik die neonreclame laten maken. In die tijd wilde ik nog een mooie zaak. Een klassieke cocktailbar. Een nette tent voor een verfijnd publiek. Een plek waar zakenlui, kunstenaars, journalisten, misschien zelfs mensen van de tv graag zouden komen.

“Jessica, als je dadelijk het keukentje schoonmaakt, vergeet je dan niet de natte kant voor me te soppen?”

“Die kende ik nog niet Gerard, moet ik even voor je lachen? Ben je dan weer even blij?”

Een mooie zaak had het moeten worden. Met lachende gasten, reviews in glossy bladen en een plekje in de harten van de mensen in dit kleine stadje. Een zaak voor de intellectuelen.

“Eikel,” klinkt het nu gedempt vanuit het keukentje. lees hier verder

Pinnen?

“Hoe kan ik je helpen?” vroeg Ton.

“Ik heb een reservering,” zei ze, “een hele grote.” Ze zette haar tas met een enorme klap op de balie. Er viel een hardplastic vibrator uit. De retro vormgegeven massagestaaf rolde hobbelend over zijn eigen ribbels van de balie en kletterde op de grond. “Daar gaat mijn avond,” zuchtte ze.

“Je kan wel een reservering hebben, maar alle kamers zijn bezet,” zei Ton.

“Kan ik dan niet alvast wat te eten bestellen?” vroeg ze.

“Jawel, maar dan moet je eerst een kamer nemen. We hebben namelijk alleen roomservice.”

De bruine schrootjes in de hotellobby lieten hier en daar wat los. Het woord lobby was misschien ook wat te veel gezegd. Het was niet meer dan een grote balie met daarop een koperen bel. Aan een kale spijker hing een kromgetrokken lijst met kamerprijzen. ‘Kamers per nacht 100 Euro. Per uur 75 Euro. Minimaal: twee uur. Roomservice minimaal 30 Euro per couvert.’

IMG_0961 vibrance boost
foto: luckymanbooks

Op de twee vale, lichtgebloemde fauteuils aan het ronde tafeltje zaten twee mensen: de vrouw met de grote tas en ik. Ze was bij me komen zitten met haar benen iets uit elkaar zodat ik alvast een heel klein beetje onder haar rok kon kijken.

“Hadden wij geen date?” vroeg ze aan mij. “Ik zit mijn tijd nou te verdoen. Altijd heeft hij kamers. Behalve als je wat wilt eten. Behalve als je trek hebt.” Ze keek me in mijn ogen. “Heb jij trek? Kom me maar bedienen hoor.”

Ze stond op en liep naar de wc in het halletje. Ik volgde haar tot buiten het zicht van Ton. De wc bleek kleiner dan een staanplaats in een Sprinter. We stonden dus flink klem tot ze erin slaagde op de houten wc bril te gaan zitten. Ik trok mijn rits open en leerde gelijk een ding: ook in de allerkleinste kamertjes is plek voor de allergrootste gevoelens.

Ze zoog mij naar binnen en ik zwol hard in haar mond. Haar tong draaide rondjes achter de dikke rand van mijn eikel en daar begon het te prikkelen en te gloeien. Mijn warme staaf begon als een smeltende kaars te druipen en vurig voorvocht viel voor haar voeten op de vloer. Bij wijze van roomservice serveerde ik haar kreunend acht afgepaste porties verse, voedzame room op de tong. Ze was even stil toen zij aandachtig mijn melkwitte vloeistof door haar mond liet glibberen. Keurend proefde ze de rijke, volle aroma’s van deze gewaagde combinatie van dik sperma en luchtig speeksel. Ze veegde haar lippen provisorisch af met wat wc papier, stond op en liep naar de balie.

“Laat die kamer en die roomservice maar,” zei ze tegen Ton, haar plakkerige mond zichtbaar vol met mijn draderige eiwitten. “We hebben al gegeten.”

“Gegeten hè,” zei Ton en wierp een blik op de vlekkerige tarievenlijst aan de muur. “Dat is dan huur kleinste kamertje minimaal 2 uur, bij elkaar 150 Euro plus twee couverts roomservice, dat maakt totaal 210 Euro.” Hij keek mij rustig aan.

“Pinnen?”

-/\-

Dit verhaal was mijn inzending voor ronde 5 van de EWA schrijfmarathon. De opdracht was: “schrijf een erotisch verhaal van maximaal 500 woorden dat zich afspeelt in een hotellobby.” Het behaalde de zesde plaats en daarmee ben ik door naar de volgende ronde.

(c) luckymanbooks 2016

foto: (c) luckymanbooks 2015

Geluid en Stilte

Geluid wordt uit ruis geboren en mijn stilte uit de echo van jouw geluid. Je hebt me een ding geleerd: om jou te zien moet ik eerst goed leren luisteren. Ik weet alles van geluid. Ik kan horen hoe jij zonder woorden met me praat. Ik hoor het aan de stappen die je met je hakken op de houten vloeren zet. Ik kan het horen als je boos bent. Dan prik je met je naalden nijdig putjes in mijn vloer. Op dagen dat je vrolijk bent hoor ik je triomfantelijk tiktakken en op vrijdag sleep je met je rechtervoet omdat je moe bent na een lange week. Dan leg je de schoenen in de kast en je zere voeten in mijn schoot. Maar vandaag hoor ik je een geile trage tango dansen en mijn hoofd wiegt zachtjes in het ritme van je heupen mee. Vandaag zeggen je hakken dat je mij wilt.

Ik weet heel goed hoe hard of zacht je hakjes klinken. Ik zie ze niet, maar het maakt niet uit want jij kent de plekjes waar mijn hart woont op mijn huid. Je hebt tien manieren om met je vingers zachtjes door het open kraagje van mijn hemd te strelen. Ik voel het krassen van je nagels op mijn borst en smelt langzaam weg onder het zachte zuigen van je warme lippen in mijn nek.

Wanneer je daarna even wegloopt hoor ik weer je hoge hakken tikken. De oude vloerplank tussen kast en bankstel kraakt als altijd even met je mee. Voor de open deuren van die kast sta je nu een tijdje zwijgend stil. Je schuift de la met slagwerk open en ik kan zelfs aan je verheugde uitroep horen welke zweep je vanavond voor me kiest.

Mijn harde pantser opent vol verwachting onder dreiging van je naderende stappen. Je bent nu zo dichtbij dat ik je zelfs kan horen zwijgen. Ja, ik weet alles van jou en het geluid. Nu wil ik nog maar een ding van je weten:

Kun jij ook mijn stilte zien?

-/\-

Dit korte verhaal was mijn inzending voor ronde 4 van de schrijfmarathon 2016 van EWA Nederland. De opdracht was: schrijf een erotisch verhaal van maximaal 350 woorden over: ‘Naaldhakken.” Dit verhaal behaalde de vierde plaats in deze ronde.