Les Filles Fragiles

France, Département Haut Rhin, 1967

De camping aan het Meer van Kruth-Wildenstein was vol en mijn ouders hadden er net de tent opgezet. Ik zat op het randje van de stuwdam en keek uit over het meer in het licht van de ondergaande zon. Ik had honger en dat was niet zo vreemd. Een jongen van mijn leeftijd had altijd wel honger of trek. Maar verder had ik nergens zin in en zeker niet in het opzetten van een bungalowtent. Het gegniffel van de andere campinggasten om het gedoe van mijn moeder en het gestuntel van mijn vader was gewoon veel te pijnlijk. Aan de andere kant wilde ik zoveel dingen tegelijk dat ik nergens aan toe kwam. Het staren over het stille meer kwam nog het dichtste in de buurt van mijn allerdiepste wens: om alles wat het leven bood nu alvast in één allesomvattend moment te beleven. Zolang ik maar niets deed, hield ik alle mogelijkheden daartoe nog even open. Dat een daarvan zich al snel aan mij zou openbaren, kon ik toen nog niet vermoeden.

Na de avondmaaltijd, die bestond uit een onwennig samengaan van Nederlandse en Franse ingrediënten, wilde ik gaan douchen. Ik slofte in mijn donkerblauwe trainingspak naar het bloc sanitaire dat tegen het hek van de camping was aangebouwd. Er stonden drie Franse meisjes te kletsen voor de ingang, ze hadden allemaal een witte handdoek om het haar gewikkeld en een borstel in de hand. Toen ik met bonkend hart langsliep, zwegen ze en keken me met onpeilbaar stille blikken na. Met een plastic zeepdoosje in de ene hand en een wat dun geworden handdoekje in de andere stapte ik het trappetje naar de herendouches op. De vloer was glad, slijmerig en vies. Half lopend, half glijdend schuifelde ik naar een van de douchecabines. Ik ritste mijn jack open, stroopte mijn trainingsbroek naar beneden en stapte uit mijn onderbroek. Naakt en ademloos luisterde ik naar de stemmen van de meisjes met de haarborstels. Toen ik de kraan opendraaide stapte ik even opzij, want je wist maar nooit hoe warm of koud het water zou zijn. Ik stak mijn hand in de straal en trok hem direct geschrokken terug. Het water was ijskoud. Het leek uit de diepste diepten van het meer van Wildenstein op te wellen, diep uit de ijzige ondergrondse wateren waar ik aan het eind van de middag nog over uit had gekeken. Ergens had ik nog de hoop dat het na een tijdje, misschien na een paar minuten, wat minder koud zou worden maar nee, er veranderde niets. Ik droogde mijn koude hand en kleedde me weer aan.

“IJskoud,’ informeerde ik mijn ouders verwijtend en ging op een vouwstoel voor de tent zitten met een transistorradiootje in mijn hand. Ik zocht naar een zender met Engelse beatgroepen, maar vond er geen. Er waren maar drie radiostations. Op twee daarvan werd in moeilijk Frans gesproken over zaken die ik niet kon volgen en op de derde was Franse meisjesmuziek te horen. Maar ook daar begreep ik weinig van. Als de Franse meisjes net zo ingewikkeld waren als de titels en teksten van hun liedjes, zou ik op deze camping weinig kans maken op een eerste romance. Ik luisterde naar Poupedecipoupeedeson en Saperlipopette, een van de liedjes leek zelfs Ah-Hem-Ha-Uh-Err te heten, de werkelijke titels waren ongetwijfeld anders. Maar hoe mysterieus die titels en ongrijpbaar de teksten ook waren, de stemmen van de meisjes zelf klonken helemaal niet moeilijk. Ze klonken ongekunsteld en spontaan, eigenlijk zongen ze onbekommerd vals, alsof ze naakt onder de douche stonden met hun haarborstel als microfoon. Dat ik juist daarom elke avond van die meisjes droomde, was een geheim dat ik steeds zo dicht mogelijk bij me droeg. ´s Nachts hoorde ik mijn vader brommen en mijn moeder zenuwachtig zuchten in het piepend ritme van hun campingbed; dan gleed mijn hand wat aarzelend op en neer in mijn onderbroek onder de dekens in de voortent terwijl ik aan de stemmen van de meisjes dacht. De volgende ochtend durfde ik mijn moeder niet aan te kijken en hield de radio aan mijn rode oor.

‘Waar luister jij nou naar? vroeg mijn moeder. ‘Ik dacht dat je alleen van beatmuziek hield.’

‘Dat is er hier niet,’ zei ik haastig. ‘We zijn in Frankrijk.’ Ik probeerde het verwijtend te laten klinken.

‘Heb je gedoucht?’ vroeg ze bij de koffie.

‘IJskoud Ma,’ zei ik.

‘Oh.’

‘En jij?’ zei ik. Het piepende campingbed had zich onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift.

Mijn moeder zweeg. Het zou mij niet verbazen als zij speciaal hiervoor een lauw washandje van huis had meegenomen.

Die ochtend kwam het water van het meer niet langer alleen maar ijzig uit de douche. Het begon nu ook koud op de camping neer te regenen. De camping was verlaten maar in de kantine was het druk en vochtig. De drie Franse meisjes, die op de stemmen van de liedjes leken, zaten aan een tafeltje in de hoek. Half verscholen achter het biljart staarde ik naar ze, maar ze keken niet op of om. Preciezer gezegd hadden ze mij wel gezien maar vonden het blijkbaar niet de moeite naar mij te kijken. Ik leerde zo dat er een heel belangrijk verschil bestond tussen kijken en gezien worden. En omdat de meisjes deden of ze mij niet zagen deed ik ook maar net of ik niet aanwezig was.
In de campingkantine hing een affiche. Daar stond op:

Concours JeunesTalents Yé-Yé
(pour des Mademoiselles d’Âge Tendre)
Lundi, Juillet 24, 20.30 heures

Hangerig verlummelde ik de rest van de middag in de kantine. De meisjes zagen er alle drie verschillend uit maar klonken hetzelfde. Hun stemmen klonken gedempt, alsof ze met zijn drieën onder een dekentje lagen. Vanonder dat dekentje van geheimzinnigheid klonken af en toe kirrende en proestende lachjes. Een enkele keer lachten ze alle drie hardop, hun heldere stemmen klaterden dan als de beekjes die die zich sprankelend en bruisend in het Meer van Wildenstein stortten. Zo zat ik te kijken, te luisteren en te dromen, net zolang totdat het avond werd en een van de meisjes eindelijk naar me gekeken had.

‘Ga je vanavond niet naar de zangwedstrijd in de kantine?’ vroeg mijn moeder na het eten, met rode oren tegen mijn vader aanhangend.

‘Nou, ik weet het niet Ma. Het is best wel koud.’

‘Misschien kom je daar nog wel een leuk iemand tegen,’ zei mijn vader en stopte me wat francs in mijn handen. ‘Dan kun je ook nog wat drinken en biljarten. Haast je maar niet hoor. Je moeder en ik … het is toch overal koud…’

‘Dat zei ik toch ook net, Pa.’

Toen ik de volle kantine binnenkwam zag ik eerst de meisjes niet. Er was wel een podium ingericht waar een drumstel, een elektrische piano en wat luidsprekers op stonden. De muzikanten zagen er verveeld en vermoeid uit terwijl ze aan de bar hun glazen bier leegden. Toen de meisjes binnenkwamen keken ze zoekend rond tot ze mij hadden gezien. Daarna wezen ze naar me en lachten me uit. Inmiddels was de hele kantine volgelopen met Franse gezinnen.

Het eerste meisje dat optrad zong Rouge Rouge, een stevig liedje met een rockbeat; ze had donker, steil haar en droeg een pastelgeel jurkje. Schuin achter me begon een ander meisje heel hard de tekst mee te zingen:

Moi quand je sens qu’on me regarde
Ça y est je ne peux plus bouger
Et si l’on attend que je parle
D’un seul coup ma gorge est serréééééééééééééééééééééée

Die laatste uithaal was zo vals dat ik nieuwsgierig omkeek.
Het was het meisje dat aan het einde van de middag met een dromerige blik naar me had gekeken. Ze stond vlakbij, haar stem was warm, ik rook het pastelkleurig talkpoeder op haar huid.

‘Ben je Nederlands?’ vroeg ze.
 Ja ik ben. Ik ben Nederlands,’ zei ik.
‘Ik ben Stéphanie,’ zei ze, haar naam declamerend als absolute, onverzettelijke waarheid.
‘Dan ben ik Gijs,’ zei ik.
‘Comment?’
‘Gijs…Gijs.’
‘Eh…alors…’

We zwegen een tijdje en genoten van de stilte van elkaars nabijheid. Ik snoof haar op. Ze rook naar zeep en frisse bloemen. Zou ze mij ook ruiken? Ik had alleen mijn koude hand gedoucht. Hoe zou ze vinden dat ik rook?
‘Ben je nerveus?’ vroeg ik zenuwachtig.
‘Mais non, je ne suis pas nerveux, jamais!’ Ze streek een haarlok achter haar oor en lachte.

Nu stond ze op en liep naar het podium. Ze zong Où va le vent. Haar stem was net zo ongeschoold als die van de meisjes op de radio. Ze klonk alsof ze slaapdronken over een muzikale snelweg slingerde, gevaarlijk dicht bij de vangrail, hier te snel, daar weer te langzaam. Bij het eerste couplet zakte haar stem een half octaaf door de bodem van het lied. In het couplet daarna struikelde ze over de melodie, klampte zich met een angstig gilletje vast aan een noot en viel achterover het refrein in. Maar toch gebeurde er een wonder. Wat ik niet kon horen met mijn oren voelde ik in mijn jongenshart: de noten waren vals maar haar stem was puur en zuiver. Welke woorden zij zong kon ik niet verstaan, en welke melodie het precies had moeten zijn, was alleen maar een vermoeden. Toch stond een ding als een paal boven het water van het meer van Wildenstein: zij zong alleen voor mij en alles in het liedje was een bevestiging van die pure onweerlegbare waarheid, de volle drie minuten en drie seconden lang. Toen het liedje was afgelopen, legde ze de microfoon op de piano, keek als in een roes wat ongericht in mijn richting met harde, blauwe ogen. Hierna ging ze weer bij haar vriendinnen zitten.
Terwijl ik met wat jongens aan het biljarten was voelde ik dat ze naar mij keek. Ik hoorde haar stem af en toe op de achtergrond maar ik ving alleen maar woorden op. Ik kon de betekenis en samenhang niet doorgronden.

Qu’est-ce que vous dites, Christine ?
Enfin je disais que, enfin je croyais que… qu’y avait plus d’amour

Ik zag dat de meisjes alle drie opstonden en naar buiten liepen. Ze keken naar mij en ik staarde terug terwijl ik het topje van mijn keu aan het krijten was. Ik legde de keu op het biljart en liep de meisjes achterna. Stéphanie stond mij aan de zijkant van de kantine op te wachten, terwijl haar vriendinnen een stukje verderop een sigaret aan het roken waren. 

Stephanies hand gleed in de mijne en zwijgend liepen we over de stille camping naar het sanitaire blok. Toen ze aan de linkerkant het trappetje naar de meisjes wc op wilde lopen, bleef ik verward staan maar ze trok me resoluut met zich mee.
‘Ga je mee douchen?’ zei ze.
Ik huiverde. ‘Nu nog? Het water is toch hartstikke koud!’
‘Koud? Mais non! De meisjesdouche is heerlijk warm, elke zalige ochtend weer,’ zei ze zacht.
We slopen het gebouwtje binnen en schoten een douchehokje in. Zodra ze het deurtje op de knip had gedaan omhelsde ze me en kuste me zachtjes op mijn mond. Haar lippen smaakten naar kersenlimonade. Voorzichtig liet ik mijn hand op een van haar borsten rusten. Ze drukte zich tegen me aan, klemde mijn dij met kracht tussen haar benen. Piepend en hijgend schurkte ze zich tegen me aan, haar hete adem brandde op mijn huid. Buiten hoorde ik het gesmoorde gefluister en gegiechel van haar twee vriendinnen.

‘Snel,’ zei ze. Ze begon haar kleren uit te trekken: haar bloesje, haar rokje en haar schoenen. De kleren hing ze over het deurtje van de cabine. Even later had ik ook mijn broek en shirt over de deur van het douchehokje gehangen. Resoluut draaide ze de doucheknop open en een heerlijke straal warm water viel op ons. In de ijskoude lucht vulde het hokje zich al snel met een dichte damp. Ik hoorde haar vriendinnen nog steeds, stikkend van de onderdrukte slappe lach, rondscharrelen bij de toiletten. De geur van hun sigaretten waaide ons douchehokje in.

Stéphanie maakte haar haren nat en toen zong zij Où va le vent terwijl ik haar in mijn armen hield.  Zachtjes gleed haar roze tong naar binnen in mijn tintelende linkeroor. Even later keek ik omlaag, terwijl ze mij baadde in de warmte van haar mond. Mijn tenen groeven zich genietend in de granieten vloer en daarna keken we samen naar de wervel van het water waarin zij het had uitgespuugd. Ze speelde er even mee met blote voeten, sleepte een paar witte sliertjes met haar grote teen naar het roostertje van de afvoer. ‘Bon voyage,’ riep ze ze achterna, terwijl ze naar het putje zwaaide. We moesten er allebei om lachen. 
Hand in hand keken we daarna uit over het donkere meer. Kleine golfjes schitterden in het water met dezelfde zilveren tinteling als die van het maanlicht in haar ogen.
‘Nu wil ik een wens doen,’ zei ze. ‘Niet drie. Dat zijn er twee te veel. Zelfs niet twee. Dat is er een te weinig. Eentje is genoeg: Ik wil alles, ja alles. Ik ga alles wensen. ‘Ze sloot haar ogen, kneep ze zo stevig mogelijk dicht, balde haar vuisten en zei: ‘Ik wil alles eerst!’ Ze deed haar ogen open en vroeg: ‘en jij?’
Ik zweeg en kuste haar. Ik wist dat ik deel van ‘alles’ was en daarom niets te wensen over had.
‘Morgen ben ik hier niet meer,’ zei ze. ‘Ik neem je mee in mijn hart. Dat is de mooiste plek die ik voor jou heb kunnen vinden.  Maar ik heb iets voor je. C´est Cresoxipropanédiol en capsule. Klinkt vrolijk nietwaar? Neem er eentje als je aan me wilt denken. Ik word er altijd gelukkig van als ik me alleen voel.’ Ze haalde een paar witte capsules uit haar handtasje en legde ze in haar geopende handpalm. Ik keek naar de grauwwitte pillen op haar gladde, gave hand. Ze pakte er een en stopte die in mijn mond. Toen ik de ander pakte, sloot ze haar ogen, schudde haar haren naar achteren en stak haar roze tong een beetje uit. Aandachtig legde ik de capsule op haar gekrulde tong. Met een slokje water slikten we de capsules allebei tegelijk door. In haar ogen weerspiegelde mijn eigen gezicht en toen ik ze sloot bleef ik mezelf zien, bezig om de betekenis van alles te ontdekken op de stuwdam van het Meer van Wildenstein.

Het begon te onweren boven het meer en het weer sloeg om. Ik wist dat het tijdperk van de Yé-Yé meisjes voorbij was. Hun liedjes werden nummers, de muziek klonk rood met paarse flitsen. De zachte pasteltinten uit de modebladen vervloeiden en vormden cirkels en geometrische figuren in rood, oranje, paars en geel. De wind van de tijd sloeg de bladzijden van het magazine om, zij stond op de cover met witte laarzen tot vlak boven de knie. Ze kwam los van het papier en liep van de linker naar de rechter pagina. Daar ging ze in een advertentiehoekje zitten lezen en sloeg haar lange benen over elkaar.
Dagen en nachten wisselden elkaar af in een flikkering van stroboscopisch licht. Ik was alleen, mijn ouders waren verdwenen en het modetijdschrift werd niet meer gedrukt. Ook zij was er niet meer maar toch bleef ze me elke dag een druppel liefde geven. Toen ik merkte dat mijn hart zo vol met liefde was gestroomd dat er niets meer bij kon, zag ik dat ik weer op de rand van de stuwdam zat. Ik keek uit over het meer met de laatste grauwwitte capsule in mijn hand. Ik dacht aan wat zij had gewenst en was blij dat ik had gewacht.

‘Ik zie je gauw. Maar neem hem pas in als je alles gedaan hebt wat je wilde,’ had ze gezegd.

-/\-

Tekst: (c) luckymanbooks 2017
Foto: France Gall (1967) op de cover van: C´est Chic! French Girl Singers of the 1960´s – ACE Records (c) 2013)
Soundtrack: Elsa Leroy: Où va le Vent  en Christie Laume: Rouge Rouge

Ik schreef ‘Les Filles Fragiles’ voor de Thewa uitdaging # 23 van EWA Nederland. De uitdaging was: ‘schrijf een erotisch verhaal, geinspireerd door een bekend pop nummer.’ In overleg met EWA heb ik het verhaal ook gelinkt voor de bijeenkomst van 20 mei 2017, die een iets ander, maar ook muzikaal thema had.

 

 

As time goes by

Voor ronde 5 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘As Time Goes By.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 400 woorden vanuit het perspectief van een toevallige voorbijganger en maak hierbij gebruik van de ‘Show Don’t Tell techniek.’  Met dit verhaal behaalde ik de tweede plaats in deze ronde.

 

 

As Time Goes By

De sigaret bungelt in de mondhoek van de voorbijganger. Het wit van zijn oog is geel, de pupil verwijd, het rood doorlopen. Hij wandelt over de stenen brug, wetend dat zijn leven  inwisselbaar is met dat van de voorbijgangers die hem hier voorgingen. Een koude rilling trekt over zijn rug wanneer hij de streling van hun schaduw voelt.

Een straatlantaarn brandt gele gaten in de mist en twee gestalten doemen op aan de reling van de brug. De voorbijganger vertraagt zijn tred. Vanonder zijn donkere hoed tuurt hij naar een meisje dat een infanterist pijpt. Zij is jong, een leerling-verpleegster misschien. Een enorme soldatenlul hangt uit de gulp van zijn donkerblauwe uniform, het lid richt zich onweerstaanbaar op. Het rekt zich lui uit, vult zich rustig met zijn bloed in het lome ritme van haar zuigende mond. De groene ogen van het meisje schitteren als ze de voorbijganger aankijkt: glijdend met haar mond, draaiend met haar tong, zijn ballen zachtjes wrijvend met haar hand. Haar halflange zakkrabbelende nagels betoveren de soldaat, met haar zorgzame geilheid heeft zij de reus getemd.

Voelt dit meisje het hart van de soldaat al kloppen in haar mond? Datgene wat de voorbijganger niet ziet kleurt hij later met vermoedens in: De samengetrokken ballen, de witte klodders op haar kin, het zaad dat vast bleef plakken aan haar ring. De zoete geur van regen in haar haar, de stank van sigaretten in zijn ruwe, onbeholpen vuist. Het parfum dat zij vanavond draagt en dat hij zal blijven ruiken zolang hij leeft.

 De voorbijganger passeert hen met gespeelde onverschilligheid, stamelt een verontschuldigende groet in het voorbijgaan. Dan kijkt hij nog eenmaal om naar de man en het meisje. Elke avond vereeuwigd en verstrengeld in opeenvolgende verschijningen onder lantaarns op oude bruggen. Een straatmuzikant speelt ‘As time goes by’ op een gedeukte saxofoon; met elke aarzelende noot stelt hij een vraag aan de luisterende voorbijganger. Het antwoord is allang gegeven en ligt ergens tussen de achteloos geworpen munten onderin zijn zwarte open kist.

 Wanneer de voorbijganger thuiskomt verhangt hij zich op de zolder van zijn hospita aan een balk. Zijn levenloze lid staat er ferm van overeind in de plooien van zijn broek. De voorbijganger is een metafoor, alleen staat hij nergens meer voor. Hij doet niet meer mee, blijft nergens meer staan. Zijn lot was enkel om voorbij te gaan.

-/\-

(c) luckymanbooks 2017

Soundtrack: Dexter Gordon: As Time Goes By

De Kalahari Roos verschenen!

Vandaag is mijn verhalenbundel ‘De Kalahari Roos’ verschenen bij Uitgeverij Eroscripta. Sterke vrouwen spelen de hoofdrol in dit boek, dat vooral liefhebbers van surrealistische verhalen en donkere erotica zal aanspreken.
Met voorwoord van Odile Schmidt en inleiding van erotica-auteur Mahotuskai. Het e-book is hier te bestellen via de webshop van Eroscripta. De hardcover editie volgt spoedig!

De Kalahari Roos – Inleiding

Begin mei 2017 is de verhalenbundel ‘De Kalahari Roos’ onder mijn naam Emanuel Claessens verschenen bij Uitgeverij Eroscripta. Collega verhalenschrijver Mahotsukai schreef een prachtige inleiding tot het boek, die ik hier graag deel. 

Inleiding: door Mahotsukai

Aan het begin van de twintigste eeuw schreef de Oostenrijkse toneelschrijver Hugo Hofmannsthal een bewerking van de klassieke tragedie Elektra. Het stuk veroorzaakte een schandaal. De belangrijkste oorzaak daarvan lag in Elektra’s beweegredenen voor haar Atridische wraak. Niet langer werden die, zoals traditioneel het geval was, geregisseerd door de goden, maar ze kwamen voort uit haarzelf. (…) de woede en de lust: de vrouw als zelfbewust handelende in plaats van lijdzaam ten onder gaande figuur, een vrouw van sterke, ontembare passie.

Hofmannsthal schreef het stuk in een periode waarin de man in een identiteitscrisis verkeerde. De industrialisatie en de opkomst van machines had een mantel van overbodigheid over de mannelijke spierkracht gedrapeerd. Die leemte dompelde de man niet alleen in een poel van vertwijfeling en radeloosheid, maar bood vrouwen ook een podium om zich met een nieuw zelfbewustzijn aan de wereld te presenteren. Dat was precies wat Elektra deed.

Lilith with a snake – John Collier 1866

De personages die Emanuel Claessens in dit boek ten tonele voert lijken uit die periode afkomstig. De vrouwen zijn in de meeste gevallen jong en zelfbewust, niet zelden met rood haar om hun passie en energie te onderstrepen. Hun agenda is soms dubbel en obscuur, en het heeft er alle schijn van dat ze geen man nodig hebben om die te bepalen. Claessens’ mannen daarentegen zijn op het eerste gezicht zoekende. Ze hebben zich neergelegd bij hun afhankelijkheid van zelfbewuste en soms dominante vrouwen, maar dreigen ten prooi te vallen aan hun eigen radeloosheid. Het lijken getormenteerde zielen, die voortdurend worstelen met de vraag hoeveel opoffering van lijf en geest er nodig is om hun zelfvertrouwen te herwinnen. Ze zoeken naar de zin van het bestaan in de soms destructieve interactie met een sterke vrouw.

Maar in de verhalen is weinig zoals het op het eerste gezicht lijkt. Het zou te eenvoudig zijn te stellen dat afhankelijkheid hier eenzijdig is, of dat twijfel gelijk staat aan zwakte. Welbeschouwd is er in Claessens’ erotische verhalen sprake van een delicaat evenwicht van wederkerigheid; in al hun jeugdige energie en prominente aanwezigheid hebben ook zijn vrouwen een toegewijde man nodig voor hun zelfverwerkelijking. Als die man, zoals de auteur het zelf zegt, ‘laat zien hoe graag hij haar ten koste van alles wil hebben’ en dat zelfbewust in praktijk brengt, is de weegschaal in balans.

Het karakter van Claessens’ vertellingen is uniek, ook in de erotische literatuur, en daarmee nauwelijks te categoriseren. Zijn verhalen hebben wortels in het surrealisme en het magisch-realisme, en Claessens speelt voortdurend met de scheidslijn tussen het fantastische en het alledaagse, tussen droom en werkelijkheid, tussen schoonheid en verval. Hij verzint geen nieuwe wereld maar onthult verborgen deuren in een vervreemdende omgeving. De dialogen dragen bij aan die vervreemding; ze zijn vaak aangenaam bizar en doen aan Tarantino denken. Niet zelden blijkt uit die dialogen een sterk onbegrip, en toch slagen de hoofdpersonen erin een intense interactie met elkaar aan te gaan. Claessens houdt ons een bewegende spiegel voor en wij, de lezers, moeten meebewegen om onze reflectie te kunnen blijven zien. Soms is het spiegelbeeld verontrustend, soms lachwekkend verwrongen, soms onscherp. Maar altijd zien we onszelf.

Een andere overeenkomst met het magisch-realisme is Claessens’ maatschappijkritische ondertoon. Alhoewel geen thema’s op zichzelf, zijn zaken als de teloorgang van het kapitalisme, de westerse decadentie in de Derde Wereld, de dubbele moraal van de kerk en de voortdurende aanwezigheid van ‘het systeem’ het decor waartegen de verhalen worden opgevoerd. Dat geeft een extra dimensie aan het leesgenot, net als de variatie in locaties. Ook hier schuwt Claessens het contrast niet. Hij voert de lezer met hetzelfde overtuigende gemak naar een winkeltje op de Rozenlaan als naar een graftombe in Saqqara, om hem vervolgens via de Afrikaanse savanne neer te laten strijken in de Oud Gereformeerde Kerk van Krabbendam. Claessens is er een meester in om die wisselende omgevingen, met veel oog voor detail, op een overtuigende manier te laten versmelten met de vervreemdende sfeer van zijn plots.

Ik zal eerlijk zijn. De eerste keer dat me een verhaal van Claessens onder ogen kwam was ik in de war. Net als bij Hofmannsthal’s publiek was mijn eerste reactie er een van verzet. Inmiddels weet ik dat dat kwam omdat ik uit balans werd gebracht. Dat onbehagen is nooit weggegaan, maar heeft een heel aangenaam karakter gekregen. En is dat niet het kenmerk van een goed schrijver, als die het de lezer op een plezierige manier ongemakkelijk maakt en laat nadenken over hoe dat komt?

De Kalahari Roos is een avontuur om te lezen. Het is geen avontuur voor de faint-hearted. De erotische verleiding in de verhalen is weliswaar een katalysator voor schikking of herschikking van intermenselijke relaties, maar dat maakt haar niet minder expliciet. Met dit werk verwerft Claessens zich wat mij betreft een bijzondere plek in de canon van de Nederlandse erotische literatuur.

-/\-

Mahotsukai schrijft erotica met een vleugje nostalgie en een snufje weemoed. Zijn verhalen zijn te lezen op mahotsukaistories.wordpress.com

Denkend aan de Dijk

Voor ronde 4 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘Denkend aan de Dijk.’ De opdracht was: ‘Kies een metafoor van een andere schrijver uit opdracht 1 en verwerk deze in een erotisch verhaal van maximaal 250 woorden.’
Ik koos de metafoor van Peter Hartveld: Op de dijk waait mijn gedachte aan jou op, als een zomerjurk. Je kijkt. Wenkt me, terwijl je jouw jurk bedwingt. Met dit verhaal behaalde ik de eerste plaats in deze ronde.

Denkend aan de Dijk

In mijn dorp was alles helder: We vreesden het water en beefden voor God. De angst was sterker dan de liefde en alleen de dijk was groter dan de kerk. Maar op een dag, toen de wolken zo laag over de kerkspits joegen dat ik ze bijna aan kon raken, begon ik te twijfelen. Ik was niet meer bang voor de zee en het water. Ik wilde weten waar de wind vandaan kwam en wat het water van mij wilde. Ik moest weten of ik kon zwemmen of dat ik zou verdrinken. Ik zal het nooit vergeten want het was de dag waarop ik jou ontmoette.

Je droeg schoenen met harde hakken en je stappen klonken dapper op de klinkers van de dijk. De golven glinsterden in je ogen terwijl de huizen verder sliepen met de luiken dicht. Je vingers gleden in mijn hand en we rolden samen door het versgemaaide gras. Ik rook de bloemen in je haar en proefde van de allerliefste plekjes in je warme schoot. Zo likten we elkaars onschuld kronkeltongend open, je nam mij daarna heupenschokkend in je op. Nat van elkaars liefdeszweet waren we daarna de dijk opgeklommen en hadden het dorp achter ons gelaten.

Die dag van zestig jaar geleden is voorbij. Op de dijk waait mijn gedachte aan jou op, als een zomerjurk. Je kijkt. Wenkt me, terwijl je jouw jurk bedwingt. Je glinsterende ogen zeggen: ‘Ga je mee? Wil je met me komen spelen in de eindeloze golven van de zee?’

(c) luckymanbooks 2017

De Laatste Kus

Ik schreef het verhaal ‘De Laatste Kus’ voor ronde 3 van de EWA schrijfmarathon 2017. De opdracht was: schrijf een erotisch verhaal van maximaal 250 woorden dat begint met de zin: Zij probeert zich te herinneren wie haar de sleutel heeft gegeven. Dit verhaal behaalde de eerste plaats in deze ronde. Veel leesplezier!

-/\-

De Laatste Kus

Zij probeert zich te herinneren wie haar de sleutel heeft gegeven. Een groep gemaskerde mannen is net in haar cel geweest met een bijbel en een laatste maaltijd voor haar executie van morgen. Toen ze weggingen heeft een van hen haar beetgepakt en in het gezicht gespuugd. Op dat moment drukte hij haar die sleutel in handen.

‘Herberg,’ had hij alleen maar gezegd.

Mathieu Degrotte: d’une vaste prison imite les barreaux

Ze steekt haar hand door de tralies en maakt het slot open. Ze rent naakt de stad in, haar donkere krullen nat van de regen, koude druppels glinsteren in haar donkere schaamhaar. Op blote voeten glijdt ze over de natte keien, tot ze bij de herberg komt in een donkere steeg. De man zwaait de deur open.  ‘Kom,’ zegt hij.

Er staat een houten bed, een flakkerende kaars verlicht het schamele vertrek. In het gele licht ziet ze hem, zijn sterke lijf en zijn felle ogen. Hij grijpt haar beet en zij gaat, dronken van het leven, met hem mee in de roes van lust en geilheid. Hij vervult haar met harde stoten die het warm doen kloppen in haar schoot. Het is een eindeloos orgasme waarop ze wegdeint in opeenvolgende golven die openen en sluiten tot ze langzaam wegebben en ze wegsmelt in zijn laatste kus.

De zon is op en de kaars is uit. Verbijsterd ziet ze dat hij opstaat, zijn masker opdoet en zijn bijl pakt. Dan leidt hij haar met rinkelende ketenen naar buiten, waar de wraakzuchtige meute op haar wacht.

-/\-

tekst: (c) luckymanbooks 2017

foto: with kind permission of the artist:  (c) Mathieu Degrotte . His artwork is inspired by the poem Spleen by Charles Baudelaire. 

 

Pagina 49

In een oud boek las ik een herinnering aan iets dat ik zelf nog niet had meegemaakt. Er liep een traan van ontroering langs mijn wang toen ik de bladzijden van het laatste hoofdstuk omsloeg. Het verhaal was zo mooi dat ik het niet eens helemaal begreep. Ik las het daarom steeds weer, steeds opnieuw vanaf het begin en uiteindelijk kende ik alle woorden uit mijn hoofd.
In het boek kwam een oude woning voor met gordijnen voor de ramen en een vrouw die ze zachtjes open schoof. Helder licht viel de kamer binnen, ik zag het kippenvel op de bovenkant van haar billen en haar huid trok daar even trillend samen. Ze was groots in al haar stille pracht en de schrijver liet mij zelfs even schuilen in de schaduw van haar hand. Ik geef toe: ik had nog nooit een vrouw gezien. Toch gaf dat niet. Het boek bracht mij steeds weer naar de plek waar de herinnering aan haar werd bewaard.

25 maart 2517

Ik zat op de trappen van de marmeren fontein. Eeuwen geleden had er water uit de waterspuwers gestroomd, maar nu was alles dor en droog. Het rode stof verwaaide en wervelde omhoog, opgezogen door de donkere slurf van een windhoos. De zon was niet meer dan een licht vermoeden achter het donkere wolkendek. Ik rekte me uit – armen naar boven, hoofd in de nek, schouders naar achteren – en ademde de hitte van de stad zo diep in dat mijn longen ervan gloeiden. Zou er ooit nog iemand komen? Ik stond op, stak het plein over en stapte de overwoekerde stad binnen.

De stad waarin ik woonde strekte zich uit van de zomertuinen tot aan de winterzon en ergens daartussen was mijn huis. Elke dag daalde ik de trappen af om eten en drinken te zoeken. Er was ooit een oude man geweest die mij had grootgebracht en ook had leren lezen. Sinds zijn dood had ik niemand meer gezien. Ik had zijn lichaam op straat gelegd en vanuit het raam van mijn appartement toegekeken hoe een hyena het had opgevreten. Ik dacht ook aan het boek dat ik altijd bij me droeg. Het was weliswaar doormidden gescheurd en het verhaal stopte daarom op pagina achtenveertig, maar toch was het mijn venster op de wereld en de enige sleutel tot het geheim van mijn bestaan.
De stad was van mij en ik was van de stad. Op weg naar huis streek mijn hand langs de afgeronde hoeken van de gevels, glad geslepen door de handen van de miljoenen die mij in voorbije eeuwen waren voorgegaan. De zon brak even door de wolken, het licht weerkaatste in de gevels en stak in mijn ogen. Mijn naakte lichaam spiegelde helderwit in glazen wanden en ik slofte op gevonden schoenen door het gruis. Vlak voor de schemering stonk de stad altijd het sterkst. Vanonder het puin klonk het geritsel van de ratten en muizen en in de verte jankte de hyena. Verder was het heel stil, ik hoorde alleen het geluid van mijn adem, het bonzen van mijn hart en het slepen van mijn voeten over de droge, hobbelige grond.

Het begon te waaien. Een windvlaag deed een deur dichtslaan, een raam viel piepend open. De glazen gevels zongen in de wervel rond als schalen van kristal. Ik dook in elkaar en terwijl ik mijn hoofd met mijn armen beschermde hoorde ik opgewaaide steentjes op de grond roffelen en tegen de ramen tikken. Toen de slurf voorbij was getrokken werd alles weer helder. De wind leek nog zachtjes door te zingen maar vreemd genoeg voelde ik het niet. Ik keek omhoog en zag een straal zonlicht zigzaggen tussen de spiegelende wanden en door een raam naar binnen schieten. Vanuit dat raam klonk een prachtig, helder geluid, waarvan de echo even tussen de hoge gevels bleef hangen. Daarna gleed het een steile ladder van noten en tonen af tot het precies een octaaf lager tot rust kwam aan mijn voeten. Het zingen was nu gestopt en achter het raam bewoog een lichtgekleurde schim. Het zweet liep langs mijn naakte rug en verbijsterd dacht ik aan de zinnen uit het boek:

Pagina 47 uit ‘Clarices Hartstocht,’ – door Melanie Yates:
Clarice liep met wiegende heupen naar het raam en schoof de gordijnen op een kier. Ze liet haar nachtjapon vallen, schopte hem met haar blote voeten opzij.  Ze voelde dat Robert naar haar keek. Zijn blik leek haar te strelen en golfjes van onrust en opwinding trokken door haar onderlijf. Ze voelde haar huid trillend samentrekken en draaide zich naar Robert om. Hij sloeg zijn armen om haar middel, zijn hand gleed in haar nek, toen trok hij haar naar zich toe en kuste haar hartstochtelijk.
Clarice klampte zich aan zijn gespierde lichaam vast dat met elke ademhaling sterker leek te worden. Hij tilde haar op en legde haar liefdevol op de satijnen dekbedovertrek. Zij sloot haar ogen en voelde de vervoerende kracht van zijn mannelijkheid…

Het was de eerste keer dat ik iemand zag die leek op de vrouw waarover ik gelezen had. Door het kapotte glas zag ik dat ze zich omdraaide en naar binnen ging. Ik ging het vervallen gebouw in, liep een brede trap op en kwam in een grote donkere hal waar verschillende kleine kamers op uitkwamen. Omzichtig sloop ik naar een openstaande deur en bleef op de drempel staan. Door een spleet in de gordijnen viel helder licht naar binnen. Het was niet het stoffige omfloerste licht dat ik was gewend, maar de koperen gloed van een eeuwenoude zon. En voor dat raam, in die straal van licht stond zij. Ze was naakt en ik zag haar billen, rond en gul, haar borsten groot en prominent rond. Ze zag er heel anders uit dan mijn eigen spiegelbeeld, haar lichaam was werkelijk heel vreemd, maar ondanks mijn schroom en verbazing voelde ik me tot haar aangetrokken op een manier die ik niet kende.

We keken stil naar elkaar. Ze had lang lichtkleurig haar dat tot over haar schouders viel. Haar heupen waren heel breed, terwijl haar taille juist weer slank en dun was. Om haar nek droeg ze een goudkleurig metalen kettinkje en een snoer waar noten en botjes aan geregen waren. Tussen haar benen groeide een forse pluk donker haar en in haar hand hield ze het afgekloven karkas van een geroosterde rat.

‘Hier,’ zei ze. Wil je ook een hapje?’ Ze stak de hand met de rat naar me uit. ‘Ik houd jou al een hele tijd in de gaten. Heb je dat nooit gemerkt?’
Haar stem was laag en rijk aan samenklanken. De hoge tonen waren helder maar onder haar grote borsten resoneerde het diep. Haar woorden vloeiden als warme balsem over mijn luisterende huid.

‘Ik heb nog nooit een vrouw gezien,’ zei ik. ‘Ik… ik heb wel vaak erover gelezen.’

‘Kun jij lezen?’ vroeg ze geïnteresseerd.

‘Ja, ik lees Clarice´s Hartstocht,’ zei ik trots. ‘Zo heet het boek dat ik heb. Maar in het verhaal was je volgens mij langer.’

Ze zuchtte. ‘Ik ben Clarice niet en ik lees niet want eh… ik heb geen boeken. Ik zing liever dan ik lees. Dat boek van jou is vast een of andere herinnering van een of ander iemand aan een of ander… nou ja, aan iemand anders. Misschien was hij kleiner dan jij en leek ze daarom groter voor hem. Hoewel jij ook niet echt heel groot bent.’

Ze bleef me aankijken. Mijn piemel werd er dik en stevig van, net alsof ik in het boek aan het lezen was. Ze keek geïnteresseerd hoe het stukje vlees zich oprichtte en zwol.

Staat daar ook iets over in het boek? vroeg ze, kauwend op de rat. ‘Hoe je het moet doen?’

‘Wat doen?’

‘Jagen. Ik ben dol op sprinkhanen. Ik kan wel iemand gebruiken die ze voor me vangt.’’

‘Ik eet meestal de dode visjes die in het schuim van de baai drijven,” zei ik. ‘Maar sprinkhanen vangen kan ik ook. Ik heb er een val voor ontworpen, wil je hem zien?’’  

We gingen naar het plein aan de voet van de toren waar ik mijn insectenval had opgezet. Die val bestond uit een plastic vat waar een grote aluminium dakplaat in stond. Dat geheel moest ik nu onder een oplaadbare lamp zetten. Als het donker werd zouden de insecten, aangetrokken door het licht, tegen de dakplaat botsen en dan vanzelf in het vat terechtkomen. ‘Elk jaar minder sprinkhanen,’ zei ze. ‘En ik kan het blijkbaar alleen nog maar met jou doen, als je begrijpt wat ik bedoel. Je weet toch wel hoe het moet?’

‘Zijn er nog meer mensen zoals jij?’ vroeg ik ontwijkend.  

‘Nee alleen ik nog. Denk ik.’ Haar blik dwaalde weg. ‘Jij en ik zijn allebei alleen, wij zijn nog niet samen.’  

‘Ik begrijp je niet.’

‘Een vrouw, een man, een stad.’ Ze telde op haar hand. ‘Drie dingen, twee vingers over. Welke van de drie begrijp je niet?’

‘Ik wil je zo graag leren kennen, maar je bent anders dan ik. Je bent mooi maar je lichaam is vreemd. Je praat vreemd en je doet vreemd. Het lijkt nu al een herinnering. Terwijl het nog niet eens begonnen is.’

Nadat ik de lamp had aangestoken hoorden we een dor geritsel en toen begonnen de eerste insecten als droge druppels op de metalen dakplaat te vallen.
‘Wat heb je voor me over?’ schreeuwde ze boven het gezoem en gefladder van de insecten uit.

‘Alles,’ zei ik, ‘ik heb alles voor je over. En alles wat er dan nog over is. En daarna nog meer.’

‘Ook het boek?’ zei ze. ‘Ze trok het boek uit mijn handen en hield het boven het vuur dat ik had gemaakt om de hyena af te schrikken.

‘Nee niet het boek, geef hier!’

Ze sloeg dubbel van het lachen.

‘Alles, maar niet het boek? Pffft. Je weet niet eens wat alles is.’

Ze legde het boek op de grond en keek me in mijn ogen, van heel dichtbij. Zachtjes begon ze me in mijn ballen te voelen.

‘Ik zie je ogen veranderen als ik dit doe,’ zei ze. ‘Ze krijgen een mooie glans als ik je daar beneden streel. Door mij zul je de dingen anders gaan zien, dieper en donkerder, voel je wel? Ik zie alles wat je voelt en mijn hand voelt alles wat je denkt.’ Haar stem werd laag en hees. Traag en monotoon sprekend zei ze: ‘Kijk eens naar jezelf door mijn ogen.’

Ik zag de gele vlammen van het vuur in haar donkere iris flakkeren. Betoverd door haar ogen en verward door haar woorden liet ik haar haar gang gaan. Ze kuste me op mijn mond. Haar hand schoof langzaam heen en weer over de volle lengte van de dikke schacht die recht vooruit stond. Haar vingers trilden.

Ik wilde graag dat ze ermee doorging maar nee, ze draaide zich abrupt om en liep naar de val. Ze pakte er een sprinkhaan uit, trok het diertje de poten en de vleugels uit en rook er keurend aan.

‘Woestijnsprinkhaan’ zei ze zachtjes. ‘Leeft alleen. Net als wij. Totdat het regent. Heb je een kookpot?’
Ik zette mijn zware gietijzeren pot in de sintels en vulde die met emmers water uit de baai. Samen begonnen we de insekten te pellen en daarna gooiden we ze in het water. Ik viste de gekookte sprinkhanen er weer uit met een plat stuk hout. We aten zwijgend en aandachtig.

Ze peuzelde genietend van het insectenvlees, het kookvocht droop langs haar vingers. Toen ze genoeg gegeten had, liet ze een boer.

‘Je bent steeds maar zo bezig met dat boek,’ zei ze. ‘Waarom eigenlijk?’

‘Dat komt omdat ik niet weet hoe het afloopt. Het is afgescheurd op pagina 48. Net als ze het allemaal willen gaan uitleggen…

‘Waarom maak je het dan zelf niet af?’

De gedachte om zelf het boek af te maken was nog nooit bij me opgekomen. Was het misschien zo dat ik niet alleen mezelf maar ook het boek nu door haar ogen begon te zien? Trillend van opwinding bladerde ik het boek door, dit keer niet om te lezen wat er stond maar om te kijken waar nog ruimte was. Na pagina 48 was er nog een bladzijde leeg. Ik schatte dat er met mijn ongeoefende handschrift nog plek voor ongeveer honderd woorden moest zijn. Ik zuchtte. Ik kende er misschien wel tienduizend. Nu moest ik uit die duizelingwekkend grote hoeveelheid woorden de juiste honderd kiezen. Het leek een onmogelijke opgave. Ik keek naar haar. Ze speelde afwezig met de noten en botjes aan haar halssnoer. Daarna krabde ze zichzelf langdurig in het weelderige haar tussen haar benen, rook aan haar vingers en likte ze af. Toen drong de waarheid tot mij door.
Ik moest de juiste woorden kiezen. Maar welke dat waren, zou alleen zij mij kunnen leren.

Ze ging voor me op de grond liggen, trok haar benen op en draaide haar knieën naar buiten.

‘Kijk es naar me,’ zei ze.

Haar zwaarbehaarde opening glinsterde vochtig. Ik snuffelde tussen haar benen en snoof het overweldigende aroma op. Tussen het donkere haar opende mijn tong een weldadig rode kloof van wellust. Zou dat ‘haar vurigheid’ zijn van pagina 48? Het vocht omsloot mijn mond, ik likte, hapte, slikte, at, dronk, verdronk en kwam weer boven, nam een hap hete droge lucht en ging weer verder. Ik hoorde haar grommen en kreunen tot ze mijn hoofd van zich afduwde. Nadat ik van haar had geproefd zag ze er anders uit. Niet meer zo vreemd. Dichterbij. Ik likte haar nog wat na, proefde de druppeltjes van de zoute dauw op haar huid, een paar korrels zand slepen schurend aan mijn tanden, haar stugge haartjes plakten aan mijn tong.

Ze boog zich over mijn opgerichte pik en begon eraan te zuigen. Een onbekende verte opende zich in mijn lichaam, vanuit mijn onderlijf vloeide een diep warm gevoel naar boven, mijn hart sloeg dubbele slagen en er kwam geen woord meer over mijn lippen. Ik begroef mijn mond opnieuw smakkend in het geurige woud tussen haar benen en kon alleen maar zuchten: alles, ik heb alles voor je over.

Ze zoog zachtjes aan mijn eikel, richtte haar hoofd op en keek me aan, haar tong trok een draadje spuug mee, het hing uit haar mond en plakte aan mijn eikel vast.  

‘Je vindt dit fijn hè? zei ze. ‘Ik heb dit van mijn moeder geleerd. Op een dag kwam een man ons op het spoor. Ik werd wakker en zag hem met haar worstelen in het licht van de vlammen van het vuur. Daarna zag ik haar dit bij hem doen. Ze vertelde me later dat ze aan hem zoog om hem te kalmeren, zodat hij tevreden zou gaan slapen. De volgende dag zijn we bij het eerste ochtendlicht gevlucht zonder dat hij het merkte. En jij? Voel je je er ook al rustig door?’

‘Ik…ik denk het. Ik weet het niet.’   

‘Ik wil je proeven,’ zei ze. ‘Ik wil weten hoe je smaakt als je er rustig van wordt.’

Ik voelde hoe zijdezacht en warm haar tong en lippen waren. Met haar tong krulde ze eventjes achter de donkerpaarse rand. Ze likte me daar zorgzaam schoon. Ik voelde het in mijn voetzolen kriebelen en een lichte wervelende roes begon in mijn hoofd rond te draaien net zoals haar tong om mijn pik deed. Ze sloot haar ogen en ik zag haar klokkend slikken toen ik het witte vocht in haar warme keel perste.

‘En?’ Ze kuste me zwijgend en vlijde zich tegen me aan.
‘Voel jij al wat?’
‘Ik weet het niet. Het was wel fijn. Maar ik weet niet of dit het is.’

‘Ik ook niet,’ zei ik. ‘Het boek houdt op waar het wordt uitgelegd. Ze worden één met elkaar, staat er.’’

‘Ok. Dan zal dat toch wel zo beginnen?’

‘Ja, dat denk ik ook.’

‘Lees nog eens voor.’

‘Ok.’

Ik pakte het boek en las de laatste alinea uit ‘Clarices Hartstocht’ voor:

Pagina 48 uit ‘Clarices Hartstocht,’  – door Melanie Yates:
Clarice voelde hoe Robert haar in een ijzeren greep nam, een ijzeren greep waar zij jarenlang naar gesmacht had en waar zij nu maar al te graag in wegzonk, ze opende zo haar vurigheid voor hem. Als zij op dit moment zo aan hem vast geketend zou kunnen worden, niets zou zij liever willen, want zij was nu verbonden aan zijn hart. Op het moment dat hij in haar doordrong voelde zij dat hij één met haar werd en (onleesbaar……….)

Ik deed het boek dicht. Hand in hand wachtten we een tijdje op het moment dat we één met elkaar zouden worden, net zoals in het boek. We lagen op onze rug en keken omhoog naar de hemel.

‘Misschien moeten we er nog iets anders voor doen,’ zei ze na een tijdje en staarde dromerig naar de vlammen.

‘Eén met elkaar,’ fluisterde ze. ‘Zou dat niet geweldig zijn?’

-/\-

25 maart 2525

De hyena vrat gulzig aan de levenloze lappenpop die ik naar de duizendjarige fontein had gesleept en voorzichtig op de marmeren trappen gelegd. Ik had haar koude lippen gekust en de gouden ketting en het snoer van nootjes om mijn hals gehangen.

Ik dacht aan de eerste keer dat ik haar had gezien en hoe we in de acht jaar daarna, elke dag opnieuw, hadden geprobeerd om één met elkaar te worden. Misschien was dat zelfs gelukt. Maar als je eenmaal één met elkaar was, was dat dan voor altijd, zoals bijvoorbeeld nu? Of werd je dan weer van elkaar losgemaakt? En wie deed dat dan?

Ik pakte een potlood, vouwde het boek voorzichtig open en begon op de lege achterkant aan pagina 49 te schrijven.

…buiten zinnen van hartstocht klemde ze haar benen krachtig om hem heen en kruiste haar enkels achterop zijn rug. Ze schreeuwde van verrukking toen hij haar met zijn zaad diep in haar vurigheid vervulde, zodat zij samen één werden.
Hun samensmelting was zelfs zo volmaakt, dat vanaf pagina 49 ook de lezer één was geworden met iemand, namelijk met de schrijver. Zo konden beiden telkens terugkeren naar het boek, want dat was de plek waar de schrijver de herinnering aan haar voor de lezer had bewaard. En de grootste gave van de schrijver was misschien wel dat hij, als hij wilde, een man kon laten schuilen in de schaduw van een vrouwenhand…

-/\-

Foto: Red circles on a square island, (c) luckymanbooks 2017

Tekst: (c) luckymanbooks 2017

Ik heb dit verhaal geschreven voor de bijeenkomst van EWA Nederland op 25 maart 2017. De opdracht was: ‘schrijf een erotisch verhaal dat zich afspeelt in het jaar 2517.’

Dancing

Love was light and gentle as the airy breeze that cooled my skin. We danced the Kizomba and I followed her hips swaying before me in a rustling summer dress. It was the first night of my life with Love. We closed our eyes and slumbered in the infinite embrace of each other’s arms, the embers glowing defiantly in the dying flames. Then Love rose and dropped the dark blue cloak of night at her feet. She turned away from the fire and faded, like stars inevitably do in the moment of dawn.

That one time was enough. I still feel Love´s warm droplets of sweat running down the arch of her back, intoxicated by the sweet scent of her perfume, the world whirling around me in the enticing cadence of her hips. Love dances every evening until the day embraces the night and the morning gently kisses her lips. Love won’t let go of me and as long as I hold on to her, life will hold on to me. Isn’t she beautiful? As I sit on the edge of the bed I watch her in my room, a silent space as big as the world. My Love is sleeping there, her eyes are dancing in the rhythm of her dreams.

 

-/\-

I have linked this story to the Wicked Wednesday meme of Marie A. Rebelle´s blog: ‘Rebel´s Notes.’ It is an adaptation of a short entry I wrote in Dutch for the Valentines day writing contest of Editio.nl. The prompt was: ‘write an Ode to Love in no more than 250 words.’ The motto of the contest was: ‘If Love isn´t insane, it isn´t Love.’

 

Kizomba

De liefde was licht als de wind die de haartjes op mijn armen koelde. We dansten kizomba en ik volgde haar heupen die zacht zwaaiend voor me uit draaiden in een wuivende zomerjurk. Het was de eerste nacht waarop ik samen met de liefde leefde. Ik struikelde over stenen, stammen en stronken om haar passen bij te kunnen houden. Toen we voldaan waren sloten we onze ogen en sluimerden in de warme oneindigheid van elkaars armen. Ik merkte niet dat de zon al opkwam, het was nog warm en de laatste kooltjes gloeiden dapper in het dovend vuur.

Toen stond de liefde op en liet de zwartblauwe mantel van de nacht aan haar voeten vallen. Zo verdween ze met de sterren in het ochtendlicht en bleef ze altijd in mijn hart.

Die ene keer was genoeg; ik heb de bezwete huid van de liefde gevoeld en ga door de wereld in het wiegend ritme van haar heupen. De liefde laat niet los, zij houdt mij aan het leven vast. Zo danst de liefde elke avond, tot de dag de nacht omarmt en de ochtend zacht haar lippen kust.  Dan ben ik stil, de liefde slaapt, ik zie haar ogen dansen in het ritme van haar dromen. 

-/\-

‘Kizomba´ is een bewerking van mijn inzending voor de mini-schrijfwedstrijd van Editio.nl. De opdracht was: schrijf een Ode aan de Liefde in niet meer dan 250 woorden. Motto van de wedstrijd was: als liefde niet krankzinnig is, dan is het geen liefde.

Tekst: luckymanbooks (c) 2017

Bron afbeelding: internet