‘Onder Magnolia´s’ verschenen bij Godijn

‘De wereld van een grijze klever is klein: geen avontuur, geen nieuwe uitdagingen. Het grijs kleeft overal aan vast en voedt zich aan iedere vezel in je lijf, samengeperst in een keurslijf van absolute apathie. Vastgeroest en onwrikbaar. Of schuilen er diepe gronden achter de totale waanzin van deze grijze maskerade?’

Dit was de opdracht voor de schrijfwedstrijd over het thema ‘Grijze Klever´ van Godijn Publishing. Ik had een verhaal vol erotische symboliek ingezonden, met als titel ‘Onder Magnolia´s.´ Op het BOEK10 evenement van Godijn Publishing werd vandaag in Schouwburg Het Park in Hoorn de uitslag van de wedstrijd bekendgemaakt. Ik was trots en blij daar te horen dat mijn verhaal door de jury bij de beste 25 is gekozen en je kunt het nu lezen in de bundel: Grijze Klever.  Het boek is verkrijgbaar in de webshop van Godijn.

Bundel ‘Stamina´ verschenen

Van 2014 tot 2017 organiseerde EWA Nederland jaarlijks een schrijfmarathon voor erotische verhalen. Met tien opdrachtrondes per jaar letterlijk een zware tocht! Deze marathons leverden uiteraard enorm veel verhalen op, waarvan de beste nu gebundeld zijn in een boek met de titel: Stamina.

De verhalen zijn geselecteerd door vier redacteurs: Lydia van der Weide (journaliste), Marti Jansen (dichter) , Liza Daen (schrijver en uitgever) en ikzelf.  Het resultaat is een bundel met achtentwintig verhalen door zestien verschillende auteurs.

Zelf werd ik in 2017 derde bij de Schrijfmarathon. Ik ben trots en blij dat mijn bizarre verhaal ‘De Penalty Killer´ nu ook tot de gepubliceerde verhalen in deze bundel behoort.

Het boek is te bestellen in de webshop van Eroscripta.

Dear Mr. Fantasy

Een week bestaat maar uit twee dagen: een maandag en een vrijdag. Dat zijn vier momenten: het einde van de week, het begin van het weekend en het begin van de werkweek dat bij het einde van het weekend hoort. Wat er tussenin gebeurt is urenvulling en minder van belang. Zolang de maandag niet weet wat de vrijdag deed wil de vrijdag namelijk ook niet weten dat het maandag wordt.
Toch heb ik het op maandagochtend altijd erg moeilijk. Dat ligt niet aan mij of aan de maandag. Nee,  het komt allemaal door Koolhoven.

Koolhoven staat op maandag zo plomp voor het koffieapparaat dat iedereen die koffie pakt ‘goedemorgen Koolhoven, sorry mag ik er even bij’ tegen hem moet zeggen. Ik kijk naar de stijve haartjes die uit Koolhovens neus en oren piepen. Hij begint daar van binnen behoorlijk grijs te worden. Ik huiver en denk aan het lot van de kapster die hem daar misschien eens zou moeten knippen.
Koolhoven neemt een gewichtige slok uit een kartonnen bekertje en slikt de koffie klokkend door. ‘Afgelopen zaterdag’ zegt hij. ‘Afgelopen zaterdag ben ik met Anja naar de sauna geweest.’
Yvette van de afdeling Externe Relaties staat schichtig terzijde. Ze heeft vandaag haar camelkleurige jurkje aan en glimlacht in gedekte tinten. We weten allebei dat Koolhoven zo gaat vragen hoe ons weekend was.
En jij ? vraagt hij aan mij. ‘Hoe was jouw weekend?’ Ik zoek de ogen van Yvette maar ze heeft heet water voor haar thee gepakt en is verdwenen achter een grote plant.
Koolhoven kijkt me vriendelijk aan met fletse blauwe ogen. ‘Nou?’ vraagt hij. ‘Nog wat leuks gedaan?’
‘Lekker rustig,’ zeg ik. Ik heb het terras in de tuin schoongespoten.’ Koolhoven knikt begrijpend. ‘Mooi´ zegt hij. ‘Lekker in je tuin bezig geweest. Zo spaar je heel wat geld uit. Jij bent tenminste niet zo zweverig als onze Yvette haha. Waar is ze trouwens gebleven? Zeker nog even met paarden en bomen gaan praten. Is het alweer vijf over negen? Gauw aan het werk dan maar, anders hebben we een probleem.’
‘Ja,’ zeg ik. ‘We zijn ongeveer precies op tijd. Je kunt maar beter op je plek zitten voor het geval er iemand onaangekondigd belt.’

Op vrijdagmiddag zit ik bij de kapper en ben ik eventjes van Koolhoven verlost. Een kille wind waait langs mijn gezicht als het kappersmeisje langs mijn spiegel loopt. Haar schaduw doet het glas beslaan.
Hè wat een kou. Doe jij dat of is het de tocht? vraag ik.
Ze doet een dreigend pasje in de richting van de spiegel.
‘Ik bén die kilte,’ zegt ze met een lage stem. Mijn ziel is donker, mijn geest is duister, mijn hart is zwart en koud,’ ratelt ze in een sinistere mantra.
Ze kijkt me aan met een gezicht vol nauwelijks bedwongen pret en barst dan in lachen uit. Haar blauwe ogen stralen, haar haar hangt in donkerbruine slierten voor haar gezicht.
‘Ben jij een heks of zo,’ vraag ik aan haar stralende spiegelbeeld.
‘Ik ben geen heks maar leerling-kapster’ zegt ze. Hoewel ze geen heks zegt te zijn pakt ze toch een bezem en begint het haar van mijn voorganger onder mijn stoel weg te vegen.
‘Zijn Kim en Savannah er vandaag niet?’ vraag ik ongerust, maar ze geeft geen antwoord en zet de getande kop van een tondeuse op mijn hoofd. Het staal van de ijzeren kam schraapt hard en koud over mijn hoofdhuid. Ze scheert me onhandig en ruw, alsof ze een boerin is en ik haar schaap.
‘Ik heb gisteren een horrorfilm over heksen gezien,’ zegt ze. Houd je ook van horror?’
Ik zeg dat ik niet zo vaak naar films kijk. Maar dat ik het wel leuk vind klinken wanneer zij zegt dat het horror is. Ik zie dat haar lippen grappig tuiten, telkens als ze ´horror´ zegt.
Zij is heel anders dan Yvette die nooit eens zegt dat ze van horror houdt. Die valt alleen op omdat ze vaak langdurig thee drinkt met jonge mannen in de koffiehoek.
Ik denk: Ik zou het helemaal niet erg vinden als je een heks was.

Ken je Dear Mr. Fantasy? vraag ik daarom aan het meisje, terwijl ik het scherpe blad van haar kappersmes in mijn nek voel. Het is een liedje uit de hippietijd dat zij onmogelijk kan kennen. Als ze echt leerling-kapster is zal ze denken dat het de titel van een of andere Netflix-serie is. Maar als ze werkelijk een heks is zal ze het liedje kennen omdat ze eigenlijk heel erg oud is. Ik wacht gespannen af. ‘Steve Winwood hè,’ zegt ze. ‘Ja die ken ik goed. Mijn opa hield daar vroeger van. Hij speelde ook hammondorgel.’
Houd hij er nu niet meer van?
‘Hij speelt al jaren geen orgel meer’ zegt ze kort.
Ik zie dat ze bloost en voel dat ze het mes op mijn huid drukt. Ze gooit mijn afgeschoren haren in de prullenbak.
‘Wow dat je dat liedje kent! Je bent blijkbaar toch veel ouder dan je er uit ziet’ zeg ik.
Ze moet er van lachen. ‘Ik ben altijd jong geweest,’ zegt ze. ‘Ik houd van oude dingen doen. Ik ben een soort van tijdreiziger die in een eindeloze lus door het multiversum gaat.’ Haar ogen poppen bijna uit de kassen van vrolijkheid.
‘Als je echt een heks bent, mag ik dan mijn ziel aan je verkopen? vraag ik.
‘Verkopen?’ vraagt ze verbaasd. ‘Hoezo? Is die ziel van jou wat waard dan?’
Ze laat haar hand over mijn schedel glijden. Ik krijg een stijve van die streling. Nu pas zie ik dat ze me helemaal heeft kaalgeschoren. Zelfs mijn wenkbrauwen zijn met het mes verwijderd zonder dat ik er erg in had. Nu is er geen twijfel meer mogelijk: dit meisje is een heks.

Om onze prille relatie te vieren gaan we samen fastfood eten.
Ik laat het autoraampje zakken bij de luidspreker van de KFC drive-in.
‘Wat wilt u bestellen?’
‘Doe maar een ja wat wil jij eigenlijk?’
Ze kijkt afwezig, speelt met een oud en vuil ringetje dat om haar middenvinger knelt. Het goedkope ijzer drukt strak in het vlees. Ik wil haar vragen of het knelt of pijn doet. Ik wil ook weten of haar vinger tintelt als die vochtig wordt. Ik bestel wat nuggets en twee drankjes.
Het zweet parelt op mijn kaalgeschoren hoofd wanneer een slungelige jongen het uitgifteraampje van de drive-through openschuift. Hij kijkt bezorgd naar mijn wenkbrauwloze gezicht en de leerling-kapster naast me op de bijrijdersstoel. Zij staart voor zich uit, speelt met het vieze ringetje, frummelt aan wat dode haarpuntjes, kijkt bezorgd naar wat grijze plukjes.
De jongen richt zich nu glimlachend tot mij. ‘Zo wat gaat het vanavond worden meneer?’ Zijn blik blijft even hangen op de puntige borsten van het meisje. ‘Een pittig kippetje als vroege maaltijd of als late snack? Weet u wat? Ik doe er wat Creamy Buffalo saus bij voor de dame. Veel plezier ermee.’
Hij geeft me de bruine zak met gefrituurde kipresten. We rijden naar een parkeerplek. Daar wil ik een gepaneerde nugget pakken.

‘Nee niet doen,’ zegt ze.
Ze pakt het doosje van me af. Dan zakt ze wat onderuit en legt het doosje nuggets tussen haar benen. Langzaam doet ze het dekseltje open. Er komt een smerige, weeïge geur vanaf.
‘Eet de nuggets uit dit doosje,’ zegt ze. Een voor een. Niet je handen gebruiken.’
Voorzichtig buig ik voorover naar haar kruis, met mijn handen steun ik op haar dijen. Ik pak de eerste nugget voorzichtig tussen mijn tong en bovenlip vast.
‘Lekker,’ zeg ik. Een beetje vreemd om zo te eten. Maar wel lekker. Ik vind het leuk.’
‘Heb je al een stijve?’ vraagt ze.
‘Eh… zal ik het je laten zien?’
‘Nee ik wil het niet zien. Ik wil alleen weten of je een stijve krijgt wanneer je vette plofkip uit mijn doosje eet.’
‘Nee, ik heb geen stijve,’ zeg ik gedempt, met mijn mond tegen het vettige karton gedrukt.
‘Goed zo,’ zegt ze. Ze zwaait het portier open, stapt uit en loopt de berm in.
‘Wat doe je nou?’ zeg ik. ‘Moet je plassen?’
‘Nee,’ zegt ze. Ze zucht en kijkt ongerust naar haar dode puntjes. ‘Ik voel me alleen een beetje oud en slap. Ik heb wat maanlicht nodig. ‘Kijk,’ zegt ze en wijst op de bloemen in de berm. ‘Sint Janskruid. Heel veel, zie je? Je wilde toch weten of ik een heks was?’
Tegen de achtergrond van de neonlichten van de KFC, in een berm vol Sint Janskruid,  begint ze haar kleren uit te trekken. Haar witte huid schittert in het bleke maanlicht, het suizen van de banden van de auto´s op de snelweg in de verte lijkt verstomd. Ze is klein en ongeschoren, haar borsten glanzen in een manestraal, het koude licht schittert in haar ogen, haar haar valt voor haar gezicht wanneer ze naakt de bloemen plukt. De lucht wordt lauw en mistig en de berm ruikt naar drassig licht.
Even later zitten we samen in de berm, zij plukt de blaadjes van de bloemen en stopt ze in mijn mond.
‘Wat doe je met me,’ vraag ik. ‘Die bloemen, wat gaan ze doen?’
‘Niets,’ zegt ze. ‘Die bloemen doen niets voor je. Je moet alles zelf doen. Wil je me nu je stijve laten zien?’
Ik trek mijn broek naar beneden en laat mijn stijve hoopvol aan de kapster zien. Ze vertrekt echter geen spier en blijft me aandachtig bloemetjes voeren. Haar dode puntjes zijn verdwenen en haar bruine haren glanzen stijlvol in het maanlicht.
Ik wil haar zoenen maar ze wendt haar gezicht af.
‘Je hebt je stijve aan je kapster laten zien en je hebt gefrituurde kip uit haar doosje gelikt. Je hebt zelfs de bloemetjes gegeten die een naakte heks je heeft gevoerd.’
‘Ja,’ zeg ik. Je wilde best wel veel op onze eerste date als je het zo bekijkt.’
‘Zie je wel?’ zegt ze. ‘Vanaf nu moet je je eigen fantasie gaan gebruiken. Deze bloemetjes helpen je daarbij. Je hebt er nu wel genoeg van gegeten om de week mee door te komen, denk je ook niet?’
Wanneer ze wegrijdt kijk ik haar rondkontige rode scooter na. Een wolk schuift voor de maan en het rode neonlicht van de KFC dooft, nog voor ze om de hoek verdwenen is.

Op maandagochtend word ik dus gewoon weer wakker in mijn eigen bed. Als ik me in de badkamer wil gaan scheren en het mesje op mijn kin zet zie ik het meisje in de spiegel. Ik voel haar vingers over mijn hoofdhuid gaan. Er liggen bloemetjes op de wastafel en er staat een bezem in de gang. Ik slik een handvol bloemblaadjes door, stap naar buiten, loop over bemoste tegels mijn tuinpad af en trek het hekje dicht. Onderweg naar mijn werk zet ik het gezicht op van iemand die in het weekend het terras heeft schoongespoten en daarbij een beetje is uitgeschoten.

‘Jezus, wat loop jij voor lul,’ zegt Koolhoven bij de maandagochtendkoffie. ‘Naar wat voor kapper ben jij in godsnaam geweest? Je ziet er uit als een zieke kanarie. Oh wacht eens. Is het alweer zes over negen? We mogen wel opschieten. Dadelijk belt er nog iemand voordat we op onze plek zitten en dan hebben we een probleem haha.’
Yvette fluistert tegen me dat ik tegen Koolhoven had moeten zeggen dat kaal een keuze is. Daarna trekt ze zich snel terug achter de plantenbak in de koffiehoek. Ik heb gezien dat er sinds het weekend een nieuw ringetje glimt aan haar middelvinger. Een uurtje later staat ze met blosjes op de wangen in heftig debat met een nieuwe medewerker. 
Ik kijk naar Yvette terwijl ze met hem praat. Ik stel me voor dat zij haar bekken een beetje naar achteren kantelt, haar camelkleurige jurkje omhoog stroopt en daarna over haar schouder naar hem kijkt. ‘Kom maar,’ zegt ze met haar ogen.
‘Kom maar,’ fluisteren mijn lippen in respectvolle extase, maar ik schrik op uit mijn overpeinzingen als ik de dorre stem van Koolhoven hoor kraken. ‘En?’ zegt hij. Hoe was je weekend, Yvette?’

‘Zo dat was de maandag weer,’ hoor ik Koolhoven aan het eind van de dag zeggen nadat hij zich in het wc hokje naast mij met veel misbaar ontlast heeft. Wanneer hij doortrekt begint de genialiteit van Koolhovens visie op de week eindelijk tot me door te dringen. Het kantoor waar ik werk is eigenlijk helemaal niet zo saai. Je kunt er vrijuit fantaseren dat je collega´s met elkaar neuken terwijl je zelf doet of je werkt.  Maar als je geen fantasie hebt zul je uiteindelijk merken dat je op je werk tegen je eigen ontlasting begint te praten, zoals Koolhoven inmiddels doet.
Ik kijk op de heren wc in de spiegel en zie de glimlach van mijn kapster. Ze staat achter me en drukt de tondeuse zo hard op mijn hoofd dat het bloedt. Ik begrijp haar boodschap. Ik ga eens flink de bezem door mijn leven halen.
Ik kan nu al niet meer wachten tot het maandag wordt.

-/\-

 

De Geaardheid van de Pompoen

Ik voel mij soms als een pompoen
Het vruchtvlees vol met pitten
Ik word verward met de meloen
Ik kan er niet mee zitten

Ze noemen mij een maniak
met aandrang die doet blozen
Ik ga vaak naar de compostbak
om mijn kiemkrachtig zaad te lozen

Maar wat tomaat en uien ook beweren
het maakt mij echt niet uit
Laat ze maar heftig discussiëren:
Is-ie nou groente of is-tie fruit?

Vonken Malen

Het Poolsterplein op zondagochtend biedt weinig meer dan een geluidloze worsteling van de wind met de regen. De wind probeert de wolken bij de keel te grijpen, ik kijk omhoog en zie ze vluchten. Op het plein is alleen het geschuifel van mijn voeten te horen, het dichttrekken van de rits van mijn jack, het snuiven van mijn ademhaling. Verder is het stil. Niemand spreekt of schreeuwt, je hoort geen woord, geen vloek, geen kreet van pijn.

In pop-up store Don Quixote staan naakte etalagepoppen, hun lijven glimmen, de ogen in hun kale schedels staren glazig voor zich uit. De winkeleigenaar is al druk bezig. Hij hangt rode SALE-kaartjes aan de polsen van de poppen en plakt nieuwe stickers op de ramen.
Als om twaalf uur de rolluiken van de winkels omhoog gaan, stappen ook bij Don Quixote de eerste klanten naar binnen. Een van de eersten is een jonge vrouw met een gewatteerd lichtkleurig jack, een spijkerbroek en een strakke rode paardenstaart. Ze hangt bij een display met hangertjes rond, streelt er voorzichtig eentje met haar vingertoppen en kijkt schichtig om zich heen.
Dan rukt ze ruw het hangertje los en rent met een verbeten gezicht de winkel uit. Op zilverkleurige gympen roffelt ze lichtvoetig over de natte tegels in de richting van de straat. Ze trapt in een plas, het water spat op en daarna schiet ze rakelings voor me langs bij de natte bankjes voor de Primark. Ik kijk haar na tot ze met wapperende paardenstaart achter de loempiakraam verdwenen is. Onderweg heeft ze iets laten vallen op de trappen naar de straat.

Hoewel ze al verdwenen is, kan ik haar parfum nog ruiken. Ik snuif een rokerige oude lucht op, als van patchouli. Het is een stoere, elegante geur. In het voorbijgaan heeft ze me aangekeken, haar gezicht zo dichtbij dat ik zelfs de piercings in haar oor kon zien. Nu blijkt dat het meisje achterna gezeten wordt door een trage, zwaarlijvige man.
‘Waarheen?’ hijgt hij tegen me.
Ik luister maar half, nog bezig de zilveren ringetjes te tellen die ik in de oorschelp van het meisje heb gezien
‘Die troela heeft iets gejat,’ hijgt hij. ‘Waar is ze naartoe?’
Ik stuur de man de verkeerde kant op, in de richting van het metrostation. Onder het rennen kijkt hij op zijn telefoon en struikelt daardoor over een krat pompoenen van de toko. Met een rood aangelopen hoofd verontschuldigt hij zich bij de winkelier, druk gebarend in de richting van het metrostation. Nadat hij in zichzelf foeterend is teruggekeerd gaat hij de pop-up store weer binnen en kijkt verwijtend naar me om.

Voorzichtig loop ik in de richting van de loempiakar waarachter het meisje zich heeft verstopt. Nu zie ik ook het voorwerp dat ze op de trap heeft laten vallen. Het is een nepzilveren kettinkje met een molentje van glas eraan. Ik raap het op en stop het zo diep mogelijk weg in mijn zakken. Het molentje brandt in mijn jaszak. In een enkel ogenblik ben ik van toeschouwer medeplichtige geworden. Ik tril van het aantrekkelijke vooruitzicht de dader van dit misdrijf te gaan ontmoeten. Maar als ik aan de achterkant van de loempiakraam kijk, is ze al verdwenen.

Zo ging het ongeveer op die zondag, een jaar geleden. Eerlijk gezegd waren mijn dagen daarna niet meer hetzelfde. Ze leken korter geworden, minder belangrijk ook. De nachten daarentegen werden steeds langer, de straten telkens leger. Ik kon niet slapen en bracht uren achter de computer door, op zoek naar informatie over roodharige meisjes met paardenstaarten die waardeloze voorwerpen jatten uit tijdelijke winkels. Het zoeken werd lezen, het lezen werd studeren, net zo lang tot mijn verlangen een obsessie werd.
Ik begon mijn dagen door te brengen in de Centrale Bibliotheek. Bij het schaakbord in de hal ontmoette ik een zwerver met een baard en een rand van pluizig haar om zijn kale schedel. Hij vertrouwde me toe dat meisjes met een strakke rode paardenstaart afstammen van een mysterieus volk dat in de oertijd in het laagveen leefde. Daarna fluisterde hij dat er een manuscript bestond uit het begin van de vijftiende eeuw. Het verhaalde van een roodharige molenaarsvrouw die aan de geur tussen haar benen kon ruiken of het zou gaan regenen of niet. Die vrouw kreeg de schuld van de Elisabethsvloed van 1421 en werd vervolgd wegens hekserij. Vastgebonden aan een molenwiek werd ze uiteindelijk door het woedende volk met molen en al in brand gestoken.
Hierna vroeg hij me om een Euro en slofte weg, naar eigen zeggen in de richting van Delfshaven.

De lente kwam, de zomer ging en alleen de rokerige geur van patchouli bleef prikkelend in mijn neus hangen, elke keer als ik de trappen naar het Alexandrium opliep. Ik droeg het molentje steeds bij me, in de borstzak van mijn overhemd dichtbij mijn hart – voor het geval het meisje terug zou komen.

Pas in de herfst zag ik haar weer toen ik in Prinsenland over het Vierkante Eiland In De Plas fietste. Ze zat in de allerlaatste stralen van de zon op de rand van de grote betonnen schotel van het kunstwerk. Ze speelde met haar paardenstaart, haar benen bungelden losjes over de rand. Ik zette mijn fiets tegen een van de betonnen wanden en klom naar boven.
Ze strekte zwijgend haar arm naar me uit en opende haar handpalm.
Ik legde het hangertje in haar hand. Ze hield het op ooghoogte tussen haar vingers, het glazen molentje draaide langzaam rond. Het kettinkje schitterde in de zon, ik zag het glinsteren in haar ogen.
‘Waarom heb je het eigenlijk gestolen?’ vroeg ik.
‘Nou gewoon, zei ze.’ Omdat ik er altijd wel een beetje geil van word als die gast van de pop-up me achterna zit.’ Ze beet op haar onderlip. ‘Ik denk namelijk dat hij er ook wel een beetje geil van is als hij probeert me te pakken.’
Ik voelde een scheut in mijn maag. Ze rook niet meer naar het hippiekruid patchouli maar naar vermoeide bloemen op een graf. Ze had een legerjack aan in camouflagekleuren, droeg glimmend zwarte boots.
Don Quixote is weg,’ zei ik. ‘Die pop-up store heet nu: Blow!’
‘Weet ik,’ zei ze. ‘En de zon gaat zo onder over mijn eiland.’
‘Wat doe je hier eigenlijk?’ vroeg ik.
‘Wat doe jij hier eigenlijk op mijn eiland?’ zei ze plagerig. Ze ging verzitten, trok haar knieën op en sloeg haar armen om haar benen heen. Ik zag gele lichtjes vonken in haar ogen.
‘Ik kwam hier alleen maar even langs fietsen,’ zei ik. ‘Woon je hier of zo?’
Ze staarde in de richting van de eeuwenoude begraafplaats aan de overkant van de plas. Een windhoos trok over ondiep water, waaide om ons heen en verdween met een zuigend geluid in het gat onderin de betonnen schotel.
‘Dit is het laagste punt van Rotterdam,’ zei ze. ‘Het is het gevaarlijkste plekje van de stad als het water van de vloed weer komt. Ik kom hier altijd chillen. Sinds de stad bestaat tenminste,’ voegde ze er wat raadselachtig aan toe. Ze schudde haar paardenstaart naar achteren. ‘Wist je trouwens dat je hier helemaal niet mag fietsen?’
We liepen samen over de brug in de richting van de Parktoren, ik met mijn fiets aan de hand.
‘Welke kant ga je op?’ vroeg ze.
Ik kuchte. ‘We zouden bij mij thuis aan het Oostplein een kopje thee kunnen drinken.’
Ze zei niets maar sprong bij me achterop en sloeg haar arm om mijn middel, met haar vingers greep ze een huidplooi vast.

We waren daarna samen op mijn kamer en dronken thee van rode vruchten.
‘Het gaat morgen regenen,’ zei ze na afloop, terwijl ze aan haar vingers snuffelde.
‘Hoe weet je dat?’ vroeg ik.
‘Ik heb het daarnet aan de vloed tussen mijn benen geroken. Mijn moeder was een roodharige molenaarsvrouw, zij heeft me dit geleerd. Ik weet altijd wat voor weer het wordt als het geurt en tintelt in mijn wiekenkruis.’
‘Gaat het ook nog waaien?’ vroeg ik. ‘Misschien moet ik daar beneden nog eens beter ruiken aan het weer.’Ik wilde met mijn tong de weersverwachting uit haar gaan oplepelen, maar ze draaide weg en staarde ernstig in de richting van het Oostplein.
‘Zie je de molen daar?’ zei ze. ‘Hij wenkt me met zijn wieken.’
Ze wees naar de rotonde maar ik zag alleen twee verregende fietsers door rood rijden.
‘Die molen is toch bij het bombardement verbrand?’
‘Nee. Deze molen had een moedig hart. Hij vocht tegen de vlammen door met zijn wieken te draaien en het vuur tot vonken te vermalen, zei mijn overgrootmoeder. Maar na de stormvloed van 1953 waren de mensen dat vergeten. De molen is het jaar daarop alsnog in brand gestoken. Mijn oma is daarna nooit meer gezien…net als na de Elisabethsvloed, mompelde ze er achteraan.
Anyway, ik moet morgen naar Blow! zei ze.
‘Ik ga mee,’ zei ik gretig. ‘Ik wil je voortaan helpen shoppen.’
‘Dat is lief van je. Alleen…kun je me niet echt helpen.’
‘Waarom niet?’ vroeg ik.
‘Omdat die pop-up store niet echt een winkel is.’
‘Geen winkel? Maar wat is het dan wel?’
Ze schudde haar hoofd. Ze zweeg en staarde in de richting van de verdwenen molen op het plein.

Toen ik de volgende ochtend wakker werd, voelde ik dat haar plek in bed koud en onbeslapen was. Ze zat op een houten stoel voor het raam en keek uit over het Oostplein. Ze leek mij niet op te merken en prevelde half neuriënd een oud versje.

Molen bindt me aan je wieken
draai me tot ik sterren zie
molen ga de vonken malen
want dan brandt de molen niet

‘Die pop-up gast laat zijn klanten op me jagen,’ zei ze. Hij organiseert het als een heksenjacht omdat hij elke maand weer bang is voor de vloed. Steeds weer, steeds opnieuw. Ik moet er wel aan mee doen, of ik wil of niet. Hij lokt me telkens met die molenhangertjes. Die staan te glimmen vlakbij de uitgang. Het is gewoon te verleidelijk.

Als hij ‘houd de dief’ roept, weten de mannen op het plein dat ze je overal mogen beetpakken. Ze draaien je arm op je rug, dwingen je hoofd omlaag en grijpen je dan hard tussen je wieken.’ Ze legde haar hand tussen haar dijen alsof ze daar pijn had. ‘Mannen hebben ruwe handen,’ zei ze zacht. ‘En in de nachten droom ik dat ik brand.’
‘Ben je er wel eens voor naar de dokter of de politie gegaan,’ zei ik onnozel.
 ‘Ja, elke keer moet ik die winkel een boete van 181 Euro betalen.’ Ze moest hard lachen. ‘Hou toch op man. Ik ben als dief meer voor ze waard dan al het spul dat ze verkopen bij elkaar.’

We liepen hand in hand van de metro naar het Poolsterplein. Haar hand begon steeds zwaarder te wegen in de mijne en uiteindelijk voelde die als een ding dat niet meer vastgehouden wilde worden. Ik liet haar los. Ze draaide zich naar me toe en kuste me met rokerige lippen op mijn mond. Toen hing ze het kettinkje met de molen om mijn nek.
‘Ga hier weg,’ zei ze. ‘Voordat het water van de vloed weer komt.’

Ze liep met rechte schouders naar de pop-up store, een trotse schim uit vervlogen tijden, verdwaald in de verhalen van de stad. Ik zag haar een hangertje weggrissen en nog eenmaal voor haar leven rennen, lichtvoetig en wapperend met haar paardenstaart als een wolk die op de vlucht is voor de wind. Ver kwam ze niet. Ze botste tegen een man op, viel op de grond en werd door een groep joelende kerels aan haar haren de winkel in getrokken. Haar laarzen schraapten over de tegels. Langzaam ging het witte rolluik voor mijn ogen dicht.

Nog diezelfde nacht is de winkel helemaal uitgebrand. De kranten schreven dat ooggetuigen een merkwaardig, regelmatig suizend geluid in de vlammen hadden gehoord, als van de voorbijvliegende wieken van een molen die strijdt tegen het vuur.

Dit verhaal schreef ik voor de wedstrijd Rotterdam Schrijft op het Sweek platform. Het haalde de finale niet.

De Eerste Druppel

Voor de wedstrijd Het Rode Oor, georganiseerd door DeBuren, stuurde ik het verhaal ‘De Eerste Druppel’ in. Helaas haalde het de finale van Het Rode Oor niet, maar je kunt hier genieten van: De Eerste Druppel:

De Eerste Druppel

Oh sorry. Deed ik je pijn? Ik hoop dat je niet geschrokken bent. Word alsjeblieft niet boos. Ik zag je even niet. Of beter gezegd: ik weet niet precies waar jij begint. Dat is niet zo moeilijk. Want jij ziet ook niet waar ik ophoud. Het is hier namelijk nogal donker. Dat moet zo zijn natuurlijk, dat begrijp ik. Sommige dingen liggen zo voor de hand dat ze altijd makkelijk zullen blijven, ook zonder licht. Je bent dichtbij. Ik heb mijn ogen dicht. Dat is er een. We zijn samen. Dat is een ander. Ik hoef mijn hand maar uit te steken om je aan te raken, om je te pakken. Moeiteloos. Jij bent toch overal. Misschien wel daarom doe ik het niet. Ik weet niet eens of ik het al kan. Wacht even, dan ga ik anders liggen. Ja, beter zo, veel beter.

Deze duisternis is zo veilig, weet je. Niemand kan mij vinden, niemand ziet of weet dat ik hier samen met je ben. Ik ben steeds dieper en dieper in je doorgedrongen. Ik ben nu al zo ver in je gekomen dat ik door je hart ben opgezogen, verder kan ik niet. Ik voel jouw ritme kloppen in mijn bloed en zo stroom ik steeds weer door je heen, van onder naar boven, van links naar rechts in een eindeloze lus. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ik in je ben opgelost. Zo ben jij mij en ben ik deel van jou geworden.

Schuif je nog een stukje op? Mag ik nog wat dichter bij je komen? Ik heb niet veel ruimte van je nodig. Ik ben maar een letter in jouw woorden, ik ben een zuchtje in de adem van je stem. Ik voel dat je mij omsluit als de warme bol waarin ik ben. Ik golf met elke adem door je heen. Soms ga ik kopje onder in je zee. Ik ben omdat ik zwem.

Weet je het nog? Ik niet. Ik weet helemaal niets meer van vroeger, van voor ik was. Maar je zegt me zacht dat het geweldig was. Dat ik met je samenvloeide in een warme kloof die lokkend tussen je dijen gloeide. Nadat je klaarkwam ben ik zomaar in je aangespoeld. Ik ben een ster die viel en nooit van plan was om te blijven. Je liet me toe. Ik mag hier in je drijven.

Ik weet niets meer van al je wellustige welvingen en geraffineerde rondingen. Ze zijn helemaal niet nodig voor mij. Niemand kent je zo goed van binnenuit als ik dat kan. Ik ruik de geur van je hart, proef het zuur van je angst en het bitter van je woede. Als je lacht, dan dansen de getijden in de zee, het is een blije vloed die telkens sneller stroomt, ik voel de warme wanden van de oevers, die rekken zachtjes met me mee.

Ik weet niets van de dagen en de nachten. Ik ken je teddybeer pyjama’s niet. Jij ziet het licht en ik moet daarop wachten. Ik drijf langzaam groeiend in jouw rivier van bloed, de kliffen aan de hoge oevers grijpen mij. Je knelt me tussen kloppende en sidderende wanden, mijn doortocht in de nauwe doorgang doet je pijn.

Ik hoop dat je bent uitgerust. Want als het dag is wil ik slapen en in de nachten droom ik van je marmerwitte borsten, die wachten op de eerste druppel die ik kus.

Wat ik geleerd heb in het donker blijf jij onthouden in het licht. Ik ben dichtbij je en heb nog steeds mijn ogen dicht.

Celestio´s Bibliotheek

Pater Celestio staarde vanuit het raam van de kloosterbibliotheek naar de donkere heuvels aan de horizon. Daar stak het silhouet van een brandende stad grimmig af tegen de avondlucht, de vlammen sloegen uit de ramen van de huizen en gele vonken schoten de zwarte hemel in. De bewoners waren de stad voor de duivel ontvlucht en hadden hun toevlucht gezocht in de landerijen rondom het klooster. Voor de poort van de abdij was een kleine markt ontstaan waar werd gezongen, gedronken en gedanst. De geur van bier en verse broden steeg uit de kramen op, vermengd met de scherpe geur van het brandhout in de ovens.
Het waren turbulente tijden maar in het klooster had pater Celestio zich voorgenomen om alles stevig onder controle te houden. Zo had hij bijvoorbeeld enkele timmerlieden opdracht gegeven om vlak onder het raam van zijn bibliotheek een galg op te richten. Met voldoening en welbehagen keek hij een tijdje naar de voortgang van dit werk. Daarna sloot hij zorgvuldig de drie luiken van de bibliotheek en schoof glimlachend de zware grendels dicht.

Nu draaide hij zich om en keek begerig naar de jonge vrouw die hij in een grote kooi midden in de kloosterbibliotheek gevangen hield. Het was Annecke, een jonge dienstmaagd die door enkele kooplieden was beschuldigd van diefstal van een kruik wijn. Na een kort proces, waarin de ongelukkige zich niet tegen deze beschuldiging had kunnen verweren omdat haar leugenachtige tong in een ijzeren masker zat geklemd, was ze veroordeeld tot dwangopvoeding in het particuliere tuchthuis van de pater. Dit betekende in de praktijk dat zowel de duur als de omstandigheden van haar opsluiting af zouden hangen van haar gedrag. De beoordeling hiervan werd volledig aan pater Celestio toevertrouwd, een grote verantwoordelijkheid die hij namens de Kerk echter graag op zich nam.
De kooplieden hadden vandaag een bediende naar het klooster gestuurd, die Celestio als blijk van hun waardering een kruik wijn en een stuk gezouten geitenvlees kwam brengen. Dit was een sympathiek gebaar dat hij opvatte als een aanmoediging om de gevangene zo zwaar en zo langdurig mogelijk te tuchtigen. Op zijn beurt gaf Celestio de bediende knipogend een stapeltje aflaten mee voor de kooplieden en burgers in de stad.  Lees verder Celestio´s Bibliotheek