Liefde is een Hart

Voor ronde 7 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘Liefde is een Hart.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 650 woorden over een fortune cookie.’  Dit verhaal eindigde op de vijfde plaats en hiermee ga ik door naar / met ronde 8!

Liefde is een Hart

‘Ik was gewoon de draad kwijt,’ denkt hij. ‘Kan gebeuren, maar kwijt is niet verloren. De draad blijft gewoon liggen waar hij is gevallen, wachtend op de hand die hem weer oppakt. Dan gaat de draad weer door, op precies hetzelfde moment als waar zij werd losgelaten.’ En vandaag had hij eindelijk weer de draad ontdekt, getriggerd door een gedachte in het eerste gelukskoekje dat hij daarnet bij de afhaalchinees had opengemaakt: ‘Het volmaakte geluk is zo groot dat het pijn doet.’ Zou het niet heerlijk zijn dat nog eens te voelen?

Hier, precies hier op de derde witte streep van dit zebrapad was het ooit gebeurd. Hier had hij door het rode licht gelopen, hier had zij hard voor hem geremd. Hier had hij midden op de weg gestaan terwijl zij verwonderd naar hem keek. Hier had hij, balancerend op de rand van het witte thermoplast, in een peilloos diepe afgrond van donker asfalt gekeken. Hier had zij op haar schoolfiets geleund, een bruine leren schooltas achterop de drager.
‘Hallo’ had hij onhandig, bijna wanhopig gestameld. De lenteavond was daarna om hen heen gevallen als de stilte op de vierde mei en zelfs de vogels luisterden naar hun zwijgen mee. De tram stond knipogend bij de halte, klaar om linksaf te slaan. Toen was het licht weer op groen gesprongen. Terwijl zij onhandig steppend op de veel te grote damesfiets weer op gang kwam, was ze hem gepasseerd. Ze had nog een paar keer over haar schouder naar hem omgekeken en daarna haar eigen pad door tijd en ruimte vervolgd. Hij had naar haar wiebelende kont op het zadel gestaard tot zij met fiets en al voorgoed verdwenen was tussen de coulissen van de stad.

Nu staat hij weer op het kruispunt en denkt aan zijn kinderen die hem niet meer bellen en de buren die hem kort te woord staan, hun ongeduldige sleutels al in het voordeurslot gestoken. Hij maakt het tweede koekje open: ‘Een pad ontstaat door erop te lopen.’ Met een grote stap zet hij zijn voet op de eerste witte streep. Hij voelt het. Hij weet het. Het zebrapad naar de vluchtheuvel is een horizontale trap naar de volmaaktheid, elke stap een sprong vooruit. Hij kijkt naar links. Zijn hart klopt jong, zijn geest ademt vrij. Daar in de verte komt ze aanfietsen, alleen veel harder dan hij zich herinnert. Ze trapt gehaast door alsof ze het groene licht nog wil halen. Groen, oranje, rood. Ze zet haar lange spierwitte been op de grond. Dat been is niet oneindig, maar lijkt eindeloos. Het verdwijnt in de hete schemer die zij onder het omhoog gekropen rokje tussen haar dijen voor hem heeft bewaard. Ze stapt af en zet haar grote fiets tegen de prullenbak bij het stoplicht. Haar steile haar heeft een intrigerende kleur, ergens tussen rood en blond, haar lichtblauwe ogen stralen met een eenmalige glans.
Ze pakt haar bruine schooltas van onder de snelbinders. Giechelend en gniffelend hollen ze samen de trap naar een portiekwoning op. De zware tas ruikt naar leer en valt op de grond als haar arm om zijn nek glijdt en zij zich door hem op de mond laat kussen. Hij drukt zijn lippen zachtjes op haar hals, duwt zijn kruis verlangend tegen haar aan. Maar dan klikt ze de sloten van haar schooltas open en haalt er twee koekjes uit. ‘Ik heb deze speciaal voor ons bewaard,’ zegt ze. ‘Ik heb: ‘Liefde is een hart in twee lichamen.’ En jij?’ ‘De wijze kijkt niet om, maar loopt achteruit om vooruit te komen.’

Samen lopen ze naar de zebra, ze geeft hem een wonderlijk koele hand en trekt hem met zich mee. Achteruitlopend steken ze over, elke stap verschijnt als een donkere afdruk op de witte strepen van de oversteekplaats. De weg is de bestemming. Waar ze naar toe gaan zien ze niet. Dat blijft nog even een verrassing.

 (c) luckymanbooks 2017

Verslag Boekpresentatie De Kalahari Roos

Op een winderige en enigszins zwoele avond, in het pand van de Social Impact Factory midden in de stad Utrecht, vond op 29 juni de lancering van uitgeverij EroScripta en de presentatie van mijn verhalenbundel ‘De Kalahari Roos’ plaats.

Het publiek was divers en onder de aanwezigen telden we één van Nederlands eerste pornografen en auteur van ‘De Condoom Vertellingen’ Willem van Batenburg (tevens regisseur van de eerste avondvullende Nederlandse erotische film Pruimenbloesem). Ook Hans Jacobs, oud-journalist en zelf auteur van prachtige boekjes (Walhalla) en Odile Schmidt (auteur, dichter en schrijfcoach bij Schrijven Online) maakten hun opwachting, evenals de eroticist die onder het pseudoniem ‘Mahotsukai’ zelf prachtige verhalen maakt en de inleiding tot de Kalahari Roos schreef. Verder Priscilla Van, eigenaresse van  een ‘classy’ erotische winkel in Zwolle en verschillende dichters en schrijvers die zijn aangesloten bij EWA (erotic writers and artists).
Ik werd gepresenteerd als de controversiële auteur Emanuel Claessens, die met deze eerste publicatie in het genre erotisch surrealisme de toon zet voor de richting die uitgeefster Liza Daen met EroScripta op wil.
Odile Schmidt schreef het voorwoord voor mijn boek en las dit als introductie persoonlijk voor. ‘Er gebeurt meer dan erotiek alleen,’ zei ze. ‘De Kalahari Roos’ is volgens haar: ‘Een frisse duik in het onderbewuste en een heldhaftig wegjagen van taboes.’
Toen was ik aan de beurt om een verhaal uit mijn bundel voor te lezen. Het was moeilijk een keuze te maken en uiteindelijk werd het ‘Ruitenboer.’  Elk verhaal heeft zo zijn eigen uitdaging; in ‘Ruitenboer’ staat bijvoorbeeld een Poolse zin die uiteraard foutloos uitgesproken moest worden…. Je zag de aanwezigen denken: ‘Bestaat die mysterieuze Poolse dame nu echt of leeft zij alleen in de fantasie van de man die haar aanbidt?’ Een man die alles voor haar over heeft, zelfs het zoeken naar een oorbel in de afvalcontainers onderin een enigszins verlopen flatgebouw? ‘Zoek in het afval Leon. Alleen daar kun je iets van waarde vinden. Het gaat om de moeite die je voor mij wilt doen. Alleen daarom.’
Na het voorlezen – vanaf een e-reader – had het publiek gelegenheid tot vragen stellen aan de uitgever en mijzelf. De vragenronde leidde tot een boeiende discussie over het huidige lees- en publicatie klimaat in Nederland. De aanwezigen constateren dat er nog te weinig aandacht is voor Nederlandstalige erotica-auteurs. Onbekend maakt onbemind. Uitgevers nemen weinig risico en houden het vaak bij de grote vertaalde kaskrakers zoals 50 tinten. Literotica op haar beurt wordt al snel geassocieerd met pornografische lectuur en daarmee afgekeurd. Zonde, constateren wij, want er zijn zeer goede auteurs van erotica te vinden die absoluut de moeite lonen ze te lezen.
EroScripta verwacht binnen enkele weken Liza Daen’s derde bundel ‘Lustkronieken 3’ te lanceren en in het najaar twee werken van nog niet nader geïdentificeerde auteurs.
Met deze lancering is de kop eraf. Een geslaagde start van Eroscripta en een prima avond, die zeker vraagt om een vervolg.

Lees het verslag van Odile Schmidt hier!

De Kalahari Roos – Boekpresentatie

Op 29 juni is het zover: dan is de presentatie van mijn verhalenbundel De Kalahari Roos in Utrecht. Maar niet alleen dat: het is ook de lancering van de nieuwe Nederlandse uitgeverij Eroscripta, die zich richt op literotica.

Liza Daen, initiatiefneemster, vertelt over het ontstaan van EroScripta en de plannen voor het komende jaar. Zelf lees ik een passage voor uit een van mijn verhalen uit de bundel. Verder geven verschillende erotische auteurs acte de présence en kun je uitgebreid napraten met een van de erotica auteurs en bevlogen lezers.

Reserveer voor de boekpresentatie via het contactformulier op de site van Eroscripta.

De Estafette Paradox

Voor ronde 6 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Estafette Paradox.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 450 woorden waarin een dilemma centraal staat.’  Dit verhaal behaalde een gedeelde vijfde plaats in de jurywaardering en werd zestiende in het publieksklassement. 

De Estafette Paradox

De kleedkamer ruikt naar zoete talk en zweet van bange meisjes.

‘Ik was op tijd coach, maar Gabi niet. Die stond te dromen in de transfer zone.’

De blauwe ogen van het meisje worden groot en haar talentvolle pupillen stellen hem de vraag.

‘Je bedoelt dat je betere afspraken wilt, Ulrike? Gabi is onze vierde loopster, dat weet je toch? Je moet het stokje aan háár doorgeven en dat kan alleen als jullie samenwerken als een team. Luister: De laatste loopster moet als eerste over de finish komen en jullie willen allemaal de laatste zijn. Dat noemen we de estafette paradox. Het is het grootste dilemma uit de socialistische sportbeoefening. Maar genoeg theorie voor vandaag. We gaan nu verder aan je techniek werken.’

Ulrike zucht begrijpend en ritst haar donkerblauwe trainingsjack open. Daarna buigt ze zich voorover en knielt voor haar coach op de grond. Ze spreidt haar lange vingers op de startstreep en richt haar gespierde kont omhoog in de richting van de rode vaandels op de staantribune aan de Oostkant. Haar blonde krullen hangen voor haar gezicht. Over haar linkerschouder kijkt ze achterom. Haar billen zijn rond en haar onderrug welft uitnodigend als de schans van het decadente Garmisch Partenkirchen. De coach glijdt met zijn handen langs die witbesneeuwde helling omlaag. Dan grijpt hij haar bij de heupen en trekt haar gladde broekje naar beneden. Wow, denkt hij. Deze kringtraining gaat nauw luisteren. Hij kucht in haar nek.

‘Voel je die tinteling onderin je rug, elke keer als ik je daar wat stretch en oprek? Dat zijn jouw vleugeltjes van lust Ulrike, daarmee zul je naar de finish vliegen. Je hebt de langste benen van de DDR, de donkerrode sintels in de laatste bocht zullen gloeien onder de hitte van je spikes. Voel je het vuur al in je branden?

‘Het vuur coach?’

‘Ja, denk maar aan de Olympische vlam terwijl je zo dadelijk op je onderlip bijt. Morgen ga ik Gabi trainen en daarna Marita en Haike, tot ik jullie alle vier heb geprepareerd voor de Spelen. Vertrouw me maar Ulrike.’

De coach denkt aan het ontluikende blonde snorretje op Ulrikes bovenlip en perst zijn paarse paddo door haar kringspier. Die sluit zich schielijk achter de rand als een sterke mond met zuigeffect. Haar gesmoorde gejammer vertelt de coach dat de training het beoogde effect begint te krijgen. Het loopt gesmeerd. Hij voelt geen weerstand meer. Het prikkeldraad in haar droge endeldarm is weggesmolten, haar dichtgebrande eierstokken kijken vruchteloos aan de zijlijn toe. Hij bijt haar in de gespierde schouderbladen terwijl hij zeven afgepaste porties oefenstof bij haar inbrengt. Het dilemma is opgelost.
De laatste loopster zal het eerste komen en Ulrike zal die laatste zijn.

(c) luckymanbooks 2017

Les Filles Fragiles

France, Département Haut Rhin, 1967

De camping aan het Meer van Kruth-Wildenstein was vol en mijn ouders hadden er net de tent opgezet. Ik zat op het randje van de stuwdam en keek uit over het meer in het licht van de ondergaande zon. Ik had honger en dat was niet zo vreemd. Een jongen van mijn leeftijd had altijd wel honger of trek. Maar verder had ik nergens zin in en zeker niet in het opzetten van een bungalowtent. Het gegniffel van de andere campinggasten om het gedoe van mijn moeder en het gestuntel van mijn vader was gewoon veel te pijnlijk. Aan de andere kant wilde ik zoveel dingen tegelijk dat ik nergens aan toe kwam. Het staren over het stille meer kwam nog het dichtste in de buurt van mijn allerdiepste wens: om alles wat het leven bood nu alvast in één allesomvattend moment te beleven. Zolang ik maar niets deed, hield ik alle mogelijkheden daartoe nog even open. Dat een daarvan zich al snel aan mij zou openbaren, kon ik toen nog niet vermoeden.

Na de avondmaaltijd, die bestond uit een onwennig samengaan van Nederlandse en Franse ingrediënten, wilde ik gaan douchen. Ik slofte in mijn donkerblauwe trainingspak naar het bloc sanitaire dat tegen het hek van de camping was aangebouwd. Er stonden drie Franse meisjes te kletsen voor de ingang, ze hadden allemaal een witte handdoek om het haar gewikkeld en een borstel in de hand. Toen ik met bonkend hart langsliep, zwegen ze en keken me met onpeilbaar stille blikken na. Met een plastic zeepdoosje in de ene hand en een wat dun geworden handdoekje in de andere stapte ik het trappetje naar de herendouches op. De vloer was glad, slijmerig en vies. Half lopend, half glijdend schuifelde ik naar een van de douchecabines. Ik ritste mijn jack open, stroopte mijn trainingsbroek naar beneden en stapte uit mijn onderbroek. Naakt en ademloos luisterde ik naar de stemmen van de meisjes met de haarborstels. Toen ik de kraan opendraaide stapte ik even opzij, want je wist maar nooit hoe warm of koud het water zou zijn. Ik stak mijn hand in de straal en trok hem direct geschrokken terug. Het water was ijskoud. Het leek uit de diepste diepten van het meer van Wildenstein op te wellen, diep uit de ijzige ondergrondse wateren waar ik aan het eind van de middag nog over uit had gekeken. Ergens had ik nog de hoop dat het na een tijdje, misschien na een paar minuten, wat minder koud zou worden maar nee, er veranderde niets. Ik droogde mijn koude hand en kleedde me weer aan.

“IJskoud,’ informeerde ik mijn ouders verwijtend en ging op een vouwstoel voor de tent zitten met een transistorradiootje in mijn hand. Ik zocht naar een zender met Engelse beatgroepen, maar vond er geen. Er waren maar drie radiostations. Op twee daarvan werd in moeilijk Frans gesproken over zaken die ik niet kon volgen en op de derde was Franse meisjesmuziek te horen. Maar ook daar begreep ik weinig van. Als de Franse meisjes net zo ingewikkeld waren als de titels en teksten van hun liedjes, zou ik op deze camping weinig kans maken op een eerste romance. Ik luisterde naar Poupedecipoupeedeson en Saperlipopette, een van de liedjes leek zelfs Ah-Hem-Ha-Uh-Err te heten, de werkelijke titels waren ongetwijfeld anders. Maar hoe mysterieus die titels en ongrijpbaar de teksten ook waren, de stemmen van de meisjes zelf klonken helemaal niet moeilijk. Ze klonken ongekunsteld en spontaan, eigenlijk zongen ze onbekommerd vals, alsof ze naakt onder de douche stonden met hun haarborstel als microfoon. Dat ik juist daarom elke avond van die meisjes droomde, was een geheim dat ik steeds zo dicht mogelijk bij me droeg. ´s Nachts hoorde ik mijn vader brommen en mijn moeder zenuwachtig zuchten in het piepend ritme van hun campingbed; dan gleed mijn hand wat aarzelend op en neer in mijn onderbroek onder de dekens in de voortent terwijl ik aan de stemmen van de meisjes dacht. De volgende ochtend durfde ik mijn moeder niet aan te kijken en hield de radio aan mijn rode oor.

‘Waar luister jij nou naar? vroeg mijn moeder. ‘Ik dacht dat je alleen van beatmuziek hield.’

‘Dat is er hier niet,’ zei ik haastig. ‘We zijn in Frankrijk.’ Ik probeerde het verwijtend te laten klinken.

‘Heb je gedoucht?’ vroeg ze bij de koffie.

‘IJskoud Ma,’ zei ik.

‘Oh.’

‘En jij?’ zei ik. Het piepende campingbed had zich onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift.

Mijn moeder zweeg. Het zou mij niet verbazen als zij speciaal hiervoor een lauw washandje van huis had meegenomen.

Die ochtend kwam het water van het meer niet langer alleen maar ijzig uit de douche. Het begon nu ook koud op de camping neer te regenen. De camping was verlaten maar in de kantine was het druk en vochtig. De drie Franse meisjes, die op de stemmen van de liedjes leken, zaten aan een tafeltje in de hoek. Half verscholen achter het biljart staarde ik naar ze, maar ze keken niet op of om. Preciezer gezegd hadden ze mij wel gezien maar vonden het blijkbaar niet de moeite naar mij te kijken. Ik leerde zo dat er een heel belangrijk verschil bestond tussen kijken en gezien worden. En omdat de meisjes deden of ze mij niet zagen deed ik ook maar net of ik niet aanwezig was.
In de campingkantine hing een affiche. Daar stond op:

Concours JeunesTalents Yé-Yé
(pour des Mademoiselles d’Âge Tendre)
Lundi, Juillet 24, 20.30 heures

Hangerig verlummelde ik de rest van de middag in de kantine. De meisjes zagen er alle drie verschillend uit maar klonken hetzelfde. Hun stemmen klonken gedempt, alsof ze met zijn drieën onder een dekentje lagen. Vanonder dat dekentje van geheimzinnigheid klonken af en toe kirrende en proestende lachjes. Een enkele keer lachten ze alle drie hardop, hun heldere stemmen klaterden dan als de beekjes die die zich sprankelend en bruisend in het Meer van Wildenstein stortten. Zo zat ik te kijken, te luisteren en te dromen, net zolang totdat het avond werd en een van de meisjes eindelijk naar me gekeken had.

‘Ga je vanavond niet naar de zangwedstrijd in de kantine?’ vroeg mijn moeder na het eten, met rode oren tegen mijn vader aanhangend.

‘Nou, ik weet het niet Ma. Het is best wel koud.’

‘Misschien kom je daar nog wel een leuk iemand tegen,’ zei mijn vader en stopte me wat francs in mijn handen. ‘Dan kun je ook nog wat drinken en biljarten. Haast je maar niet hoor. Je moeder en ik … het is toch overal koud…’

‘Dat zei ik toch ook net, Pa.’

Toen ik de volle kantine binnenkwam zag ik eerst de meisjes niet. Er was wel een podium ingericht waar een drumstel, een elektrische piano en wat luidsprekers op stonden. De muzikanten zagen er verveeld en vermoeid uit terwijl ze aan de bar hun glazen bier leegden. Toen de meisjes binnenkwamen keken ze zoekend rond tot ze mij hadden gezien. Daarna wezen ze naar me en lachten me uit. Inmiddels was de hele kantine volgelopen met Franse gezinnen.

Het eerste meisje dat optrad zong Rouge Rouge, een stevig liedje met een rockbeat; ze had donker, steil haar en droeg een pastelgeel jurkje. Schuin achter me begon een ander meisje heel hard de tekst mee te zingen:

Moi quand je sens qu’on me regarde
Ça y est je ne peux plus bouger
Et si l’on attend que je parle
D’un seul coup ma gorge est serréééééééééééééééééééééée

Die laatste uithaal was zo vals dat ik nieuwsgierig omkeek.
Het was het meisje dat aan het einde van de middag met een dromerige blik naar me had gekeken. Ze stond vlakbij, haar stem was warm, ik rook het pastelkleurig talkpoeder op haar huid.

‘Ben je Nederlands?’ vroeg ze.
 Ja ik ben. Ik ben Nederlands,’ zei ik.
‘Ik ben Stéphanie,’ zei ze, haar naam declamerend als absolute, onverzettelijke waarheid.
‘Dan ben ik Gijs,’ zei ik.
‘Comment?’
‘Gijs…Gijs.’
‘Eh…alors…’

We zwegen een tijdje en genoten van de stilte van elkaars nabijheid. Ik snoof haar op. Ze rook naar zeep en frisse bloemen. Zou ze mij ook ruiken? Ik had alleen mijn koude hand gedoucht. Hoe zou ze vinden dat ik rook?
‘Ben je nerveus?’ vroeg ik zenuwachtig.
‘Mais non, je ne suis pas nerveux, jamais!’ Ze streek een haarlok achter haar oor en lachte.

Nu stond ze op en liep naar het podium. Ze zong Où va le vent. Haar stem was net zo ongeschoold als die van de meisjes op de radio. Ze klonk alsof ze slaapdronken over een muzikale snelweg slingerde, gevaarlijk dicht bij de vangrail, hier te snel, daar weer te langzaam. Bij het eerste couplet zakte haar stem een half octaaf door de bodem van het lied. In het couplet daarna struikelde ze over de melodie, klampte zich met een angstig gilletje vast aan een noot en viel achterover het refrein in. Maar toch gebeurde er een wonder. Wat ik niet kon horen met mijn oren voelde ik in mijn jongenshart: de noten waren vals maar haar stem was puur en zuiver. Welke woorden zij zong kon ik niet verstaan, en welke melodie het precies had moeten zijn, was alleen maar een vermoeden. Toch stond een ding als een paal boven het water van het meer van Wildenstein: zij zong alleen voor mij en alles in het liedje was een bevestiging van die pure onweerlegbare waarheid, de volle drie minuten en drie seconden lang. Toen het liedje was afgelopen, legde ze de microfoon op de piano, keek als in een roes wat ongericht in mijn richting met harde, blauwe ogen. Hierna ging ze weer bij haar vriendinnen zitten.
Terwijl ik met wat jongens aan het biljarten was voelde ik dat ze naar mij keek. Ik hoorde haar stem af en toe op de achtergrond maar ik ving alleen maar woorden op. Ik kon de betekenis en samenhang niet doorgronden.

Qu’est-ce que vous dites, Christine ?
Enfin je disais que, enfin je croyais que… qu’y avait plus d’amour

Ik zag dat de meisjes alle drie opstonden en naar buiten liepen. Ze keken naar mij en ik staarde terug terwijl ik het topje van mijn keu aan het krijten was. Ik legde de keu op het biljart en liep de meisjes achterna. Stéphanie stond mij aan de zijkant van de kantine op te wachten, terwijl haar vriendinnen een stukje verderop een sigaret aan het roken waren. 

Stephanies hand gleed in de mijne en zwijgend liepen we over de stille camping naar het sanitaire blok. Toen ze aan de linkerkant het trappetje naar de meisjes wc op wilde lopen, bleef ik verward staan maar ze trok me resoluut met zich mee.
‘Ga je mee douchen?’ zei ze.
Ik huiverde. ‘Nu nog? Het water is toch hartstikke koud!’
‘Koud? Mais non! De meisjesdouche is heerlijk warm, elke zalige ochtend weer,’ zei ze zacht.
We slopen het gebouwtje binnen en schoten een douchehokje in. Zodra ze het deurtje op de knip had gedaan omhelsde ze me en kuste me zachtjes op mijn mond. Haar lippen smaakten naar kersenlimonade. Voorzichtig liet ik mijn hand op een van haar borsten rusten. Ze drukte zich tegen me aan, klemde mijn dij met kracht tussen haar benen. Piepend en hijgend schurkte ze zich tegen me aan, haar hete adem brandde op mijn huid. Buiten hoorde ik het gesmoorde gefluister en gegiechel van haar twee vriendinnen.

‘Snel,’ zei ze. Ze begon haar kleren uit te trekken: haar bloesje, haar rokje en haar schoenen. De kleren hing ze over het deurtje van de cabine. Even later had ik ook mijn broek en shirt over de deur van het douchehokje gehangen. Resoluut draaide ze de doucheknop open en een heerlijke straal warm water viel op ons. In de ijskoude lucht vulde het hokje zich al snel met een dichte damp. Ik hoorde haar vriendinnen nog steeds, stikkend van de onderdrukte slappe lach, rondscharrelen bij de toiletten. De geur van hun sigaretten waaide ons douchehokje in.

Stéphanie maakte haar haren nat en toen zong zij Où va le vent terwijl ik haar in mijn armen hield.  Zachtjes gleed haar roze tong naar binnen in mijn tintelende linkeroor. Even later keek ik omlaag, terwijl ze mij baadde in de warmte van haar mond. Mijn tenen groeven zich genietend in de granieten vloer en daarna keken we samen naar het water waarin zij het had uitgespuugd. Ze speelde er even mee met blote voeten, sleepte een paar witte sliertjes met haar grote teen naar het roostertje van de afvoer. ‘Bon voyage,’ riep ze ze achterna, terwijl ze naar het putje zwaaide. We moesten er allebei om lachen. 
Hand in hand keken we daarna uit over het donkere meer. Kleine golfjes schitterden in het water met dezelfde zilveren tinteling als die van het maanlicht in haar ogen.
‘Nu wil ik een wens doen,’ zei ze. ‘Niet drie. Dat zijn er twee te veel. Zelfs niet twee. Dat is er een te weinig. Eentje is genoeg: Ik wil alles, ja alles. Ik ga alles wensen. ‘Ze sloot haar ogen, kneep ze zo stevig mogelijk dicht, balde haar vuisten en zei: ‘Ik wil alles eerst!’ Ze deed haar ogen open en vroeg: ‘en jij?’
Ik zweeg en kuste haar. Ik wist dat ik deel van ‘alles’ was en daarom niets te wensen over had.
‘Morgen ben ik hier niet meer,’ zei ze. ‘Ik neem je mee in mijn hart. Dat is de mooiste plek die ik voor jou heb kunnen vinden.  Maar ik heb iets voor je. C´est Cresoxipropanédiol en capsule. Klinkt vrolijk nietwaar? Neem er eentje als je aan me wilt denken. Ik word er altijd gelukkig van als ik me alleen voel.’ Ze haalde een paar witte capsules uit haar handtasje en legde ze in haar geopende handpalm. Ik keek naar de grauwwitte pillen op haar gladde, gave hand. Ze pakte er een en stopte die in mijn mond. Toen ik de ander pakte, sloot ze haar ogen, schudde haar haren naar achteren en stak haar roze tong een beetje uit. Aandachtig legde ik de capsule op haar gekrulde tong. Met een slokje water slikten we de capsules allebei tegelijk door. In haar ogen weerspiegelde mijn eigen gezicht en toen ik ze sloot bleef ik mezelf zien, bezig om de betekenis van alles te ontdekken op de stuwdam van het Meer van Wildenstein.

Het begon te onweren boven het meer en het weer sloeg om. Ik wist dat het tijdperk van de Yé-Yé meisjes voorbij was. Hun liedjes werden nummers, de muziek klonk rood met paarse flitsen. De zachte pasteltinten uit de modebladen vervloeiden en vormden cirkels en geometrische figuren in rood, oranje, paars en geel. De wind van de tijd sloeg de bladzijden van het magazine om, zij stond op de cover met witte laarzen tot vlak boven de knie. Ze kwam los van het papier en liep van de linker naar de rechter pagina. Daar ging ze in een advertentiehoekje zitten lezen en sloeg haar lange benen over elkaar.
Dagen en nachten wisselden elkaar af in een flikkering van stroboscopisch licht. Ik was alleen, mijn ouders waren verdwenen en het modetijdschrift werd niet meer gedrukt. Ook zij was er niet meer maar toch bleef ze me elke dag een druppel liefde geven. Toen ik merkte dat mijn hart zo vol met liefde was gestroomd dat er niets meer bij kon, zag ik dat ik weer op de rand van de stuwdam zat. Ik keek uit over het meer met de laatste grauwwitte capsule in mijn hand. Ik dacht aan wat zij had gewenst en was blij dat ik had gewacht.

‘Ik zie je gauw. Maar neem hem pas in als je alles gedaan hebt wat je wilde,’ had ze gezegd.

-/\-

Tekst: (c) luckymanbooks 2017
Foto: France Gall (1967) op de cover van: C´est Chic! French Girl Singers of the 1960´s – ACE Records (c) 2013)
Soundtrack: Elsa Leroy: Où va le Vent  en Christie Laume: Rouge Rouge

Ik schreef ‘Les Filles Fragiles’ voor de Thewa uitdaging # 23 van EWA Nederland. De uitdaging was: ‘schrijf een erotisch verhaal, geinspireerd door een bekend pop nummer.’ In overleg met EWA heb ik het verhaal ook gelinkt voor de bijeenkomst van 20 mei 2017, die een iets ander, maar ook muzikaal thema had.

 

 

As time goes by

Voor ronde 5 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘As Time Goes By.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 400 woorden vanuit het perspectief van een toevallige voorbijganger en maak hierbij gebruik van de ‘Show Don’t Tell techniek.’  Met dit verhaal behaalde ik de tweede plaats in deze ronde.

 

 

As Time Goes By

De sigaret bungelt in de mondhoek van de voorbijganger. Het wit van zijn oog is geel, de pupil verwijd, het rood doorlopen. Hij wandelt over de stenen brug, wetend dat zijn leven  inwisselbaar is met dat van de voorbijgangers die hem hier voorgingen. Een koude rilling trekt over zijn rug wanneer hij de streling van hun schaduw voelt.

Een straatlantaarn brandt gele gaten in de mist en twee gestalten doemen op aan de reling van de brug. De voorbijganger vertraagt zijn tred. Vanonder zijn donkere hoed tuurt hij naar een meisje dat een infanterist pijpt. Zij is jong, een leerling-verpleegster misschien. Een enorme soldatenlul hangt uit de gulp van zijn donkerblauwe uniform, het lid richt zich onweerstaanbaar op. Het rekt zich lui uit, vult zich rustig met zijn bloed in het lome ritme van haar zuigende mond. De groene ogen van het meisje schitteren als ze de voorbijganger aankijkt: glijdend met haar mond, draaiend met haar tong, zijn ballen zachtjes wrijvend met haar hand. Haar halflange zakkrabbelende nagels betoveren de soldaat, met haar zorgzame geilheid heeft zij de reus getemd.

Voelt dit meisje het hart van de soldaat al kloppen in haar mond? Datgene wat de voorbijganger niet ziet kleurt hij later met vermoedens in: De samengetrokken ballen, de witte klodders op haar kin, het zaad dat vast bleef plakken aan haar ring. De zoete geur van regen in haar haar, de stank van sigaretten in zijn ruwe, onbeholpen vuist. Het parfum dat zij vanavond draagt en dat hij zal blijven ruiken zolang hij leeft.

 De voorbijganger passeert hen met gespeelde onverschilligheid, stamelt een verontschuldigende groet in het voorbijgaan. Dan kijkt hij nog eenmaal om naar de man en het meisje. Elke avond vereeuwigd en verstrengeld in opeenvolgende verschijningen onder lantaarns op oude bruggen. Een straatmuzikant speelt ‘As time goes by’ op een gedeukte saxofoon; met elke aarzelende noot stelt hij een vraag aan de luisterende voorbijganger. Het antwoord is allang gegeven en ligt ergens tussen de achteloos geworpen munten onderin zijn zwarte open kist.

 Wanneer de voorbijganger thuiskomt verhangt hij zich op de zolder van zijn hospita aan een balk. Zijn levenloze lid staat er ferm van overeind in de plooien van zijn broek. De voorbijganger is een metafoor, alleen staat hij nergens meer voor. Hij doet niet meer mee, blijft nergens meer staan. Zijn lot was enkel om voorbij te gaan.

-/\-

(c) luckymanbooks 2017

Soundtrack: Dexter Gordon: As Time Goes By

De Kalahari Roos verschenen!

Vandaag is mijn verhalenbundel ‘De Kalahari Roos’ verschenen bij Uitgeverij Eroscripta. Sterke vrouwen spelen de hoofdrol in dit boek, dat vooral liefhebbers van surrealistische verhalen en donkere erotica zal aanspreken.
Met voorwoord van Odile Schmidt en inleiding van erotica-auteur Mahotuskai. Het e-book is hier te bestellen via de webshop van Eroscripta. De hardcover editie volgt spoedig!

De Kalahari Roos – Inleiding

Begin mei 2017 is de verhalenbundel ‘De Kalahari Roos’ onder mijn naam Emanuel Claessens verschenen bij Uitgeverij Eroscripta. Collega verhalenschrijver Mahotsukai schreef een prachtige inleiding tot het boek, die ik hier graag deel. 

Inleiding: door Mahotsukai

Aan het begin van de twintigste eeuw schreef de Oostenrijkse toneelschrijver Hugo Hofmannsthal een bewerking van de klassieke tragedie Elektra. Het stuk veroorzaakte een schandaal. De belangrijkste oorzaak daarvan lag in Elektra’s beweegredenen voor haar Atridische wraak. Niet langer werden die, zoals traditioneel het geval was, geregisseerd door de goden, maar ze kwamen voort uit haarzelf. (…) de woede en de lust: de vrouw als zelfbewust handelende in plaats van lijdzaam ten onder gaande figuur, een vrouw van sterke, ontembare passie.

Hofmannsthal schreef het stuk in een periode waarin de man in een identiteitscrisis verkeerde. De industrialisatie en de opkomst van machines had een mantel van overbodigheid over de mannelijke spierkracht gedrapeerd. Die leemte dompelde de man niet alleen in een poel van vertwijfeling en radeloosheid, maar bood vrouwen ook een podium om zich met een nieuw zelfbewustzijn aan de wereld te presenteren. Dat was precies wat Elektra deed.

Lilith with a snake – John Collier 1866

De personages die Emanuel Claessens in dit boek ten tonele voert lijken uit die periode afkomstig. De vrouwen zijn in de meeste gevallen jong en zelfbewust, niet zelden met rood haar om hun passie en energie te onderstrepen. Hun agenda is soms dubbel en obscuur, en het heeft er alle schijn van dat ze geen man nodig hebben om die te bepalen. Claessens’ mannen daarentegen zijn op het eerste gezicht zoekende. Ze hebben zich neergelegd bij hun afhankelijkheid van zelfbewuste en soms dominante vrouwen, maar dreigen ten prooi te vallen aan hun eigen radeloosheid. Het lijken getormenteerde zielen, die voortdurend worstelen met de vraag hoeveel opoffering van lijf en geest er nodig is om hun zelfvertrouwen te herwinnen. Ze zoeken naar de zin van het bestaan in de soms destructieve interactie met een sterke vrouw.

Maar in de verhalen is weinig zoals het op het eerste gezicht lijkt. Het zou te eenvoudig zijn te stellen dat afhankelijkheid hier eenzijdig is, of dat twijfel gelijk staat aan zwakte. Welbeschouwd is er in Claessens’ erotische verhalen sprake van een delicaat evenwicht van wederkerigheid; in al hun jeugdige energie en prominente aanwezigheid hebben ook zijn vrouwen een toegewijde man nodig voor hun zelfverwerkelijking. Als die man, zoals de auteur het zelf zegt, ‘laat zien hoe graag hij haar ten koste van alles wil hebben’ en dat zelfbewust in praktijk brengt, is de weegschaal in balans.

Het karakter van Claessens’ vertellingen is uniek, ook in de erotische literatuur, en daarmee nauwelijks te categoriseren. Zijn verhalen hebben wortels in het surrealisme en het magisch-realisme, en Claessens speelt voortdurend met de scheidslijn tussen het fantastische en het alledaagse, tussen droom en werkelijkheid, tussen schoonheid en verval. Hij verzint geen nieuwe wereld maar onthult verborgen deuren in een vervreemdende omgeving. De dialogen dragen bij aan die vervreemding; ze zijn vaak aangenaam bizar en doen aan Tarantino denken. Niet zelden blijkt uit die dialogen een sterk onbegrip, en toch slagen de hoofdpersonen erin een intense interactie met elkaar aan te gaan. Claessens houdt ons een bewegende spiegel voor en wij, de lezers, moeten meebewegen om onze reflectie te kunnen blijven zien. Soms is het spiegelbeeld verontrustend, soms lachwekkend verwrongen, soms onscherp. Maar altijd zien we onszelf.

Een andere overeenkomst met het magisch-realisme is Claessens’ maatschappijkritische ondertoon. Alhoewel geen thema’s op zichzelf, zijn zaken als de teloorgang van het kapitalisme, de westerse decadentie in de Derde Wereld, de dubbele moraal van de kerk en de voortdurende aanwezigheid van ‘het systeem’ het decor waartegen de verhalen worden opgevoerd. Dat geeft een extra dimensie aan het leesgenot, net als de variatie in locaties. Ook hier schuwt Claessens het contrast niet. Hij voert de lezer met hetzelfde overtuigende gemak naar een winkeltje op de Rozenlaan als naar een graftombe in Saqqara, om hem vervolgens via de Afrikaanse savanne neer te laten strijken in de Oud Gereformeerde Kerk van Krabbendam. Claessens is er een meester in om die wisselende omgevingen, met veel oog voor detail, op een overtuigende manier te laten versmelten met de vervreemdende sfeer van zijn plots.

Ik zal eerlijk zijn. De eerste keer dat me een verhaal van Claessens onder ogen kwam was ik in de war. Net als bij Hofmannsthal’s publiek was mijn eerste reactie er een van verzet. Inmiddels weet ik dat dat kwam omdat ik uit balans werd gebracht. Dat onbehagen is nooit weggegaan, maar heeft een heel aangenaam karakter gekregen. En is dat niet het kenmerk van een goed schrijver, als die het de lezer op een plezierige manier ongemakkelijk maakt en laat nadenken over hoe dat komt?

De Kalahari Roos is een avontuur om te lezen. Het is geen avontuur voor de faint-hearted. De erotische verleiding in de verhalen is weliswaar een katalysator voor schikking of herschikking van intermenselijke relaties, maar dat maakt haar niet minder expliciet. Met dit werk verwerft Claessens zich wat mij betreft een bijzondere plek in de canon van de Nederlandse erotische literatuur.

-/\-

Mahotsukai schrijft erotica met een vleugje nostalgie en een snufje weemoed. Zijn verhalen zijn te lezen op mahotsukaistories.wordpress.com

Denkend aan de Dijk

Voor ronde 4 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘Denkend aan de Dijk.’ De opdracht was: ‘Kies een metafoor van een andere schrijver uit opdracht 1 en verwerk deze in een erotisch verhaal van maximaal 250 woorden.’
Ik koos de metafoor van Peter Hartveld: Op de dijk waait mijn gedachte aan jou op, als een zomerjurk. Je kijkt. Wenkt me, terwijl je jouw jurk bedwingt. Met dit verhaal behaalde ik de eerste plaats in deze ronde.

Denkend aan de Dijk

In mijn dorp was alles helder: We vreesden het water en beefden voor God. De angst was sterker dan de liefde en alleen de dijk was groter dan de kerk. Maar op een dag, toen de wolken zo laag over de kerkspits joegen dat ik ze bijna aan kon raken, begon ik te twijfelen. Ik was niet meer bang voor de zee en het water. Ik wilde weten waar de wind vandaan kwam en wat het water van mij wilde. Ik moest weten of ik kon zwemmen of dat ik zou verdrinken. Ik zal het nooit vergeten want het was de dag waarop ik jou ontmoette.

Je droeg schoenen met harde hakken en je stappen klonken dapper op de klinkers van de dijk. De golven glinsterden in je ogen terwijl de huizen verder sliepen met de luiken dicht. Je vingers gleden in mijn hand en we rolden samen door het versgemaaide gras. Ik rook de bloemen in je haar en proefde van de allerliefste plekjes in je warme schoot. Zo likten we elkaars onschuld kronkeltongend open, je nam mij daarna heupenschokkend in je op. Nat van elkaars liefdeszweet waren we daarna de dijk opgeklommen en hadden het dorp achter ons gelaten.

Die dag van zestig jaar geleden is voorbij. Op de dijk waait mijn gedachte aan jou op, als een zomerjurk. Je kijkt. Wenkt me, terwijl je jouw jurk bedwingt. Je glinsterende ogen zeggen: ‘Ga je mee? Wil je met me komen spelen in de eindeloze golven van de zee?’

(c) luckymanbooks 2017