Nachtheksen

Het verhaal ‘Nachtheksen’ schreef ik samen met Mahotsukai voor de EWA bijeenkomst van 30 september 2017. Het thema van die bijeenkomst is: Crime Passionel. Je kunt dit verhaal trouwens ook lezen op de site van Mahotsukai. Lengte: 5930 woorden. 

Nachtheksen

Andrea
Het is een avond in mei en het regent zachtjes op de Gerdesiaweg. Onder de kap van het metrostation straalt licht vanuit de tunnelbuis. De granieten gedenksteen van het bombardement glimt dreigend in de duisternis en rode spots in de stoeptegels markeren de brandgrens van 1940. De roltrap van het station zet zich om kwart over elf schokkerig in beweging. Een jonge vrouw komt naar boven. Ze heet Andrea en haar blonde krullen vallen als borduurwerk op de rug van haar groene bomberjack. Een bruine pitbull vergezelt haar en zodra ze boven is bukt ze zich naar de hond en maakt zijn halsband los. Het dier gaat er meteen bevrijd vandoor in de richting van de vijver aan de overkant van de weg. Een verregende fietser komt in de bocht aanzetten, trapt zachtjes in zichzelf vloekend hard op de pedalen. Een jogger wijkt voor de hond uit naar het fietspad maar heeft de fietser niet gezien. De hond hapt naar de fietser, het meisje schreeuwt ‘Floyd!’ en de jogger springt voor het wiel van de fietser weg.
‘Lekker bijdehand!’
‘Is die hond van jou?’
‘Mafkees!’
‘Floyd!’
De hond loopt los en licht zijn poot. Hij pist tegen het gedenkteken van het bombardement. Er staat: de oorlog is zoet, tot je hem proeft – Erasmus. Andrea trekt haar capuchon omhoog en tuurt op haar telefoon. ‘Floyd, kom nou,’ roept ze naar de hond. ‘Floyd kom nou. Jezus!.’

Hoog boven de straat zit Raymond al de hele avond met zijn rug naar het raam in de woning boven de poort over de Gerdesiaweg. Een paar weken geleden heeft hij op de webwinkel Heaven’s Gate een vliegtuigje uit de Unreality serie besteld en vanavond laat is het pakje eindelijk bezorgd. Hij voelt de opwinding van een kind dat op zijn verjaardag cadeautjes uitpakt. Voorzichtig maakt hij het pakketje open. Het plaatje op de doos glimt hem tegemoet. Hij leest: Messerschmitt 262 op schaal 1/72. Het hele weekend ligt nu geordend voor hem in die doos, netjes gerangschikt in nummers, stappen en kleurenschema’s. Als de bouw volgens plan verloopt moet hij zondagmiddag twee belangrijke keuzes maken: zal hij het model uitvoeren als nachtjager of verkenner? En zal hij na het aanbrengen van de stickers de niet meegeleverde swastika met een klein penseeltje op de staartvin zetten of toch maar niet?  Het zakje van bubbeltjesplastic gaat knisperend open en voorzichtig maakt hij de onderdeeltjes los: de wieltjes, het staartroer, het fragiele landingsgestel en de vier halve buisjes die samen de twee Jumo 109-004 turbojets moeten vormen. Hij drukt de piloot uit het plastic frame en spreekt zijn naam uit.

‘Hallo Günther.’

Als hij alle onderdelen gecontroleerd en gerangschikt heeft, haalt hij het tubetje lijm uit het bouwpakket en gooit het met een minachtend handgebaar in de prullenmand. Hij schuift de lade van zijn bureau open en pakt er eerbiedig een donkere tube uit. Zijn hart klopt in zijn keel wanneer hij de top met een speld openprikt en een sterke geur in zijn neusgaten rondwervelt. Hij kijkt nog eens naar de tube. IG Farben – Frankfurt am Main. Raymond lijmt de twee helften van het airframe aan elkaar en ruikt voor de zekerheid nogmaals aan de tube. Hij ademt heel diep in en langzaam uit, voelt al zijn twijfels verdampen in een roes van vluchtige gedachten. Koortsachtig plakt en lijmt hij de hele avond door, zonder enige afleiding, zonder te eten of te drinken. Om elf uur is hij klaar met monteren. Nu hij even niets te doen heeft omdat de lijm moet drogen kijkt hij naar buiten, naar de verregende straat, de donkere granieten steen, de rode spots en het licht dat uit de tunnel straalt. Hij is moe maar durft niet naar bed. Niet omdat hij bang is in het donker;  nee, Raymond is bang voor het licht dat in zijn dromen uit een diepe afgrond schijnt. Hij probeert zich elke avond te ontspannen met de bouwpakketten van Heaven´s Gate maar het helpt niet meer. Doodmoe sluit hij even zijn ogen, de scherpe dampen van de lijm doen hem duizelen. Hij vliegt angstig over de verduisterde stad waarin hij woont, een wereld zo donker dat zelfs het licht van de grote brand er in gele flitsen en vlekken in dooft. Vanuit de diepte straalt een fel zoeklicht dat hem vangt en naar beneden trekt, de afgrond in. Hij schrikt wakker van zijn val, knippert nerveus met de ogen en tast in paniek naar zijn bril. Zijn telefoon gaat al een hele tijd, en buiten hoort hij een vrouwenstem roepen. Hij kijkt door het raam en ziet een meisje in een groen bomberjack bij de gedenksteen staan. Ergens komt ze hem bekend voor, maar dat is nu niet belangrijk. Wat telt is dat ze in veiligheid wordt gebracht.

‘Floyd! Floyd!’
Andrea´s korte laarsjes tikken onrustig op het pad in het plantsoen want Floyd is verdwenen.
‘Floyd!!’
Ze kijkt weer op haar telefoon. Geen antwoord. Ze had het kunnen weten, haar onderbuikgevoel laat haar nooit in de steek. Daarom heeft ze Floyd meegenomen, voor de veiligheid. Ze zucht. Het zou leuk zijn als ze eens een keer een echte date had, niet alweer zo´n geile faker
‘‘Floyd, waar zit je nou?’

Aan de overkant van de straat trekt Raymond de voordeur achter zich dicht. Het is tien voor half twaalf. Buiten is het een zanderige, modderige troep met hekken, zand en graafmachines. De gemeente zegt dat er een extra nooduitgang in het metrostation wordt gebouwd omdat de brandweer dat voorschrijft. Raymond haalt zijn schouders op en kijkt bezorgd naar de bewolkte nachthemel. Hij snuift de koele avondlucht diep in. Betonplaten en een zandlaag erover. Nooduitgang? Raymond weet wel beter. Ziet niemand dan dat dit een schuilkelder is? Hoort dan niemand het gebrom van de bommenwerpers en het gehuil van de Stuka´s die zich op de bruggen storten? Met scherpe knallen schieten de klinknagels uit de eens zo trotse pijlers en doorboren het hart van de stad, op slechts een paar honderd meter afstand. Kijk nou, daar staat zij met haar blonde krullen, zich van geen gevaar bewust, als een mot die op het punt staat in het vuur te vliegen.  Maar het is nog niet te laat. Ze moet samen met mij de schuilkelder in, denkt hij –  goedschiks of kwaadschiks.

Met een droge tik valt een mobiele telefoon op de stoeptegels aan de Gerdesiaweg. Water spat op uit de regenplassen onder Andrea’s stampende voeten. Ze grijpt naar haar nek om zich te bevrijden uit de meedogenloze omhelzing. Haar lippen schreeuwen nog om Floyd, maar haar stem is er niet meer. Ze wil haar hoofd draaien terwijl alles smoort in het zwart van de binnenzijde van haar capuchon.
Een moment is haar lichaam zwaar als lood als haar longen de laatste zuurstof voor haar snakkend hart opbranden. Haar geest doet een laatste poging alle open vragen te beantwoorden en alle openstaande schuld af te lossen, maar blijft hangen in de herinnering aan de tintelingen van haar laatste orgasme op het toilet van grand café Engels die ochtend.

Ze kende hem niet, hij was een langsgewaaide Duitse handelsreiziger in lijmen en harsen. Hij had tegenover haar plaatsgenomen en haar een droge sherry aangeboden. Ze had gebloosd, gegiecheld en na het tweede glas de hik gekregen. Daarna had hij haar bij de bovenarm gepakt, zo stevig dat het bijna pijn had gedaan en was zij gedwee met hem meegelopen naar het toilet. De oude kelner had zonder hen aan te kijken discreet een stapje opzij gedaan. Ze had zich zonder schaamte aan haar eigen hitsigheid overgegeven. Weer voelt ze de gehaaste extase van haar stiekem vervulde geilheid, de gretigheid van zijn forse dooraderde lid, zijn sterke armen, de klamme handen die haar even bij de keel hadden geknepen, zijn felle, intense blik. Zij had in het vuur in zijn ogen gekeken terwijl hij haar met harde stoten vulde, steeds ruwer en meedogenlozer. In de kleine ruimte van de wc had Andrea op de rand van haar climax gebalanceerd totdat ze door haar knieën was gezakt en voor zijn kus en haar orgasme was gezwicht.
Het is het laatste dat ze zich herinnert, nu dooft het licht. Met elke samentrekking in haar lijf voelt ze zich lichter, vrijer worden, alsof onzichtbare vleugels haar naar de hemel optillen. Ze draagt een schitterend mantelpak en een vurige ketting van smaragd om haar hals. Het laatste wat Andrea voelt is het vallen van lauwe druppels op haar gezicht in een walm van lijm. Mannen die droge sherry drinken zijn sexy. Waarom denk ik dit nu ik doodga? De dood is bitter, tot je hem proeft. Bleke handelsreiziger, ik heb je aangekeken toen je in me kwam…

Een hond snuffelt aan het levenloze vrouwenlichaam aan de oever van de vijver. Floyd ruikt onbekende geuren. Want wat weet een hond van lijm, wat weet een hond van zaad? Floyd gaat naast haar liggen in het natte gras en gaapt. Als ze opstaat zal hij zijn eten krijgen. Ook van de dood weet een hond niets.

Als Raymond wakker wordt tintelen zijn vingers en zijn hoofd is leeg. Er is niets, helemaal niets. De mist in zijn hoofd is opgetrokken. Eventjes tuurt hij naar de vochtplekken op het plafond. Hij wacht geduldig op het moment dat hij zo goed kent, als de koude last van de alledaagsheid de plaats van zijn warme dekbed zal innemen, maar vandaag komt het niet. Zelfs het noodzakelijke telefoontje naar Vestia om de lekkage te melden komt hem voor als een futiliteit. Zijn de hindernissen opeens lager geworden, of is hij gegroeid? De geur van lijm in zijn kamer herinnert hem aan de taak van vandaag. Hij stapt uit bed, loopt energiek naar de keuken en zet de koffiemachine aan. Met de klik van de schakelaar en een blik op de Messerschmitt neemt Raymond, geheel tegen zijn gewoonte in, moeiteloos een beslissing: de verkenning is voorbij. Een nachtjager zal het worden. Hij begint de breekbare VHF antennes op de neus te monteren. Met het openen van de lijmtube is echter plots zijn onrust terug. Zijn vingers trillen. De stilte van de nacht hindert hem. Het stille, ongeziene zwijgen van waaruit elk moment een enorm gekrijs kan klinken, is bijna net zo beangstigend als de lichten die ´s nachts uit de donkere diepten in zijn dromen stralen. Nerveus gaat hij naar de website van Heaven´s Gate en klikt doelloos op wat modellen. Ervaar de oorlog, staat er onder de afbeeldingen. Het maakt Raymond nog onrustiger. Het is alsof de stilte roept, het is alsof het licht hem zoekt. De drukte van politieauto’s en ambulances bij de vijver vlakbij zijn huis gaat volledig aan hem voorbij. Hij hoort alleen het ruisen van de leegte in zijn hoofd.

Hannah
In café restaurant Engels loopt de kelner naar het tafeltje met uitzicht op het station. Zijn gang is stram, zijn rug kaarsrecht. Wanneer hij hier is komen werken weet niemand meer; voor zijn collega’s is hij er altijd geweest. Hij heeft een dunne huid, doorzichtig bijna, en een klein litteken in de vorm van een halve maan ontsiert zijn wang. Op zijn gezicht is geen enkele lachrimpel ooit blijven hangen. Hij zet een vaasje met bloemen op het tafeltje en schuift de lunchkaart in de roestvrijstalen houder. Met uiterste precisie zet hij de twee stoelen recht. Het is maandagochtend, 11 uur. Hij werpt een blik op de glazen uitgang van het station. De trein uit Keulen is net onder de overkapping het station binnengegleden. Punctueel als altijd, stelt de kelner tevreden vast. Hij glimlacht vermoeid.

Een struise brunette van middelbare leeftijd zwaait door de draaideur binnen, kijkt zoekend rond en vindt de ogen van de kelner. Deze maakt een lichte buiging en tikt onwillekeurig zijn afgesleten hakken tegen elkaar. Zelfverzekerd leidt hij haar naar het tafeltje dat hij al in gereedheid heeft gebracht. Terwijl hij de stoel voor haar aanschuift snuift hij haar geur op. Hij heeft de juiste keuze gemaakt.
De donkerharige vrouw heet Hannah, en haar leven is net begonnen. Dat zei ze althans zelf, toen ze tien minuten geleden het kantoor van Nauta Dutilh aan de overkant van het Weena verliet met de getekende scheidingspapieren veilig in haar Louis Vuitton-tas. Ze bestelt een café latte met hazelnootsiroop; het is op dit tijdstip het enige juiste om de langverwachte bevrijding luister bij te zetten.

‘Vanzelfsprekend,’ mompelt de kelner en beent stram weg om haar bestelling te halen. Hannah denkt even aan haar ex: de tyfuslijer die haar met een belastingschuld en twee kinderen heeft opgescheept; koters die goddank haar uiterlijk en helaas zijn karakter blijken te hebben. Toch denkt Hannah vooral aan de weg die vóór haar ligt. De kelner zet zwijgend haar koffie op het tafeltje, terwijl zij naar het centraal station kijkt en dagdroomt over een trein die haar wegvoert, naar het Oosten, naar frisse lucht en een nieuwe horizon. Ze roert met het lepeltje door de opgeschuimde melk, brengt een slanke hand naar haar mond en likt het zoete schuim van de bolle lepelkant.

Een bleke man komt binnen, gekleed in een fletse regenjas en een lichte zomerpantalon. Hannah ziet hem kort met de kelner praten. Die geeft hem een kleine, donkere tube, die de man snel in zijn jaszak laat glijden. Daarna stapt hij op haar tafeltje af en gaat zonder vragen bij haar zitten. ‘Neemt u mij niet kwalijk, zegt hij met een Duits accent. ‘Ik ben handelsreiziger in lijmen en harsen.’ Hij kijkt Hannah recht in de ogen, zijn blik dwaalt dan af naar het lepeltje in haar rechterhand. Hij nipt aan de sherry die de kelner hem heeft gebracht en ziet dat Hannah aan haar krullen friemelt. ‘Ik verkoop geen lijm maar lijmervaring,’ vervolgt hij. ‘Ik weet alles van lijmen.’ Hij kijkt haar in de blauwe ogen en laat een korte pauze vallen. ‘En van ervaring. De ervaring die iedereen zoekt. Waar iedereen alles voor over heeft. Jij toch ook?’
Ja, Hannah ook.
Het toilet achterin het restaurant is klein, zijn pantalon goedgevuld. Terwijl dagjesmensen en zakenlui hun lunch bestellen, opent Hannah opgewonden de bandplooibroek van de handelsreiziger. Aan het tafeltje in het café restaurant bewonderde ze zijn tijdloze uitstraling, zijn rustige zelfverzekerde optreden, zijn stijl en charme. Hier in het krappe wc-hokje is hij anders dan in de gastenruimte. Een eeuwenoud instinct drijft hem en sleurt haar zijn vurige wereld in om haar daar voor altijd te bezitten. Met trillende vingers streelt zij de gezwollen aders en de harde kop op zijn pik, terwijl ze zijn greep steviger en dwingender voelt worden. Haar verzet is kort, niet meer dan een machteloos gespartel, net zo opwindend als de overgave. Een schokgolf doet het kloppen tussen haar benen, haar rok wordt omlaag getrokken en spant strak om haar knieën. Nu haar huwelijk ontbonden is, zal ze haar bevrijding vieren. Geen verzet, geen gedachten meer. Hannah grijpt de beugel in het invalidentoilet zo stevig vast dat het bloed onder haar nagels wegtrekt. Ze steekt haar ronde kont achteruit en maakt haar rug hol voor de handelsreiziger. Ze voelt hem ongeduldig tegen haar achterwerk dringen, hij zoekt en vindt haar in een ogenblik. Zelfverzekerd stoot hij in de nauwe holte tussen haar billen waarna hij haar met lange, regelmatige halen neukt. Zijn hand glijdt om haar keel en smoort haar gekerm.. Zijn bewegingen worden steeds ruwer en woester tot ze verstijven in een stille houdgreep. Hannahs adem stokt in de knellende greep om haar hals terwijl hij een langdurige ontlading in haar loost. De rillingen lopen over Hannahs rug als zij voelt hoe het zaad van de handelsreiziger haar verwarmt. Hij trekt zich snel uit haar terug; een plotselinge haast lijkt hem te overvallen. Terwijl ze nagloeiend van de opwinding een lok fatsoeneert en haar rok gladstrijkt maakt hij aanstalten te vertrekken.
‘Kom vanavond om elf uur naar de Gerdesiaweg, naar de gedenksteen bij het station,’ hijgt hij in haar slanke nek. Als je daar bent zal ik het nog veel intenser voor je maken.’
Door de kier van de deur van de toiletten kijkt ze hem na en ziet hoe hij naar de kelner knikt en de Rotterdamse middag in stapt. ‘Hoe heet je?’ wil ze hem naroepen, maar hij is al door de draaideur naar buiten gelopen. Alleen zijn spiegelbeeld weerkaatst nog in de glazen puien van de stad.

Aan het eind van de dag heeft Raymond de nachtjager beschilderd. Hij bekijkt het model van alle kanten en gaat dan zitten. ‘Welterusten Günther’, zegt hij zacht tegen de piloot.
Hij opent de website van Heaven’s Gate en daar valt zijn oog op een prachtige bommenwerper. Het is een B-24 Liberator. ‘Uitverkocht’ staat er naast de afbeelding. Raymond is teleurgesteld. Wat vreemd dat nou net dat ene model niet meer leverbaar is. Angst om in slaap te vallen overvalt hem. Hij zoekt naar de lijm maar kan die niet vinden en paniek maakt zich van hem meester. Hij zoekt in alle hoeken en gaten, maar zonder resultaat. Radeloos schenkt hij een glas sherry in en drinkt dat in één teug leeg.  Op internet vindt hij een bestand met motorgeluiden van een B-24 Liberator en dat stelt hem wat gerust. Uit de prullenbak redt hij het bubbeltjesplastic waarin de doos van de Messerschmitt was verpakt. Hij neemt plaats achter zijn computer en opent zijn pantalon. Het plastic wikkelt hij, met de bubbeltjes naar binnen, uiterst strak rond zijn slappe lid. Dan start hij het .WAV-bestand met het geluid van de Pratt&Whitney motoren, sluit zijn ogen en leunt achterover, terwijl hij zijn rechtervuist snel op en neer beweegt. Raymond kijkt naar een sterrenloze hemel en ziet hoe de B-24 de donkere nacht doorklieft, met haar stoere glazen neus en haar grote ovale staartstabilisatoren. Ze stijgt hoger en hoger naar de veilige hemel, ze glanst, ze danst door zachte wolken, haar zilveren huid ademt stratosfeer, haar wiegende vleugelvlakken lachen hem uitdagend toe.  Hij ziet hoe Flak en zoeklicht op haar jagen, hoe ze keer op keer ontsnapt en ongehavend haar dodelijke bommenlading naar het Ruhrgebied brengt. Ter hoogte van de Duitse grens merkt Raymond dat zijn opkomende erectie tegen het strakke keurslijf van het bubbeltjesplastic vecht. Erbij blijven nu. Concentratie. Het doel is vlakbij, we zullen ze leren, die moffen. De machine trilt, de geur van kerosine en zweet vult de cabine. De boordschutter hangt brakend in de glazen koepel in haar nauwe staart. Daar gaan de luiken open en ja! Bombs away! Raymond knijpt in het plastic dat om zijn stijve lid gespannen staat en dan voelt hij de bubbeltjes stukknallen, als een bombardement van het dooraderde landschap van zijn pik..

Raymond is te moe om zich te bekommeren om het weggeschoten zaad dat uit de plastic schede op zijn pantalon druipt. Hij doezelt verder in de roes van de dreunende cadans van de vliegtuigmotoren in zijn kamer. Hij vliegt heel laag boven een brandende stad, weer opgejaagd door luchtafweer. Het dreunende geluid wordt sterker, sneller, urgenter. De kopjes en pannen beginnen te trillen en te rammelen in de keukenkast en in de verte verschijnt een fel wit licht vanachter de flarden van een regenwolk. Raymond rent naar het raam en ziet een enorm, donker vliegtuig op zich afkomen. Het scheert met razende motoren vlak over hem heen en verdwijnt achter de daken van de Gerdesiaweg. Als het vliegtuig is verdwenen, ziet Raymond een vrouw in een rood mantelpak op straat. Ze zit op de zwarte gedenksteen en lijkt op iemand te wachten; het gevaar merkt ze niet. Raymond schreeuwt naar haar en verbaast zich dat ze hem niet hoort. In paniek rent hij de trap af, de straat op. Aan de rand van zijn bewustzijn fluistert een lang vergeten stem een waarschuwing: blijf binnen, Raymond! Even aarzelt hij. Dan ziet hij opnieuw de argeloze brunette en neemt een besluit. Ze moet daar weg!

Bij de vijver aan de Gerdesiaweg scharrelt een pitbull rond, op zoek naar eten. Floyd is op zijn hoede. Sinds hij alleen is zijn mensen een stuk onvriendelijker. Vier vlooien vechten om een ader op zijn poot. De drie lindes aan de vijver bieden wat beschutting tegen de koude wind en de regen. Soms waagt hij zich naar het winkelcentrum verderop, waar hij kans maakt op wat voedselresten van het Indonesisch eethuis. Hij nestelt zich tegen een boom en legt zijn kop in het gras. Floyd heeft zijn ogen nog maar net gesloten of zijn instinct drukt op een alarmknop. Hij ruikt een geur die een herinnering naar boven brengt. Hij draait zijn kop naar de overkant van de straat. Bij zijn eigen pismonument worstelt een bebrilde man met een vrouw in een rood mantelpak. Hij heeft zijn handen rond haar nek en tilt haar van de grond. Floyd snelt de Gerdesiaweg over. In zijn opwinding ziet hij niet hoe de man tot inkeer lijkt te komen. Hij zet de vrouw weer op de stoeptegels, kijkt haar een moment verschrikt aan en probeert haar dan te zoenen. Maar zodra haar voeten vaste grond voelen ontworstelt ze zich krijsend aan zijn greep en zet het op een lopen naar het metrostation. De man volgt haar niet. Hij zinkt door zijn knieën, buigt zijn hoofd en bedekt met een hand zijn ogen. De laatste meters overbrugt Floyd kwispelend en met zijn kop licht naar beneden. Hij nadert de geknielde man. Hij ruikt het nu overduidelijk. De geur is in zijn kop gegrift toen zijn bazin verdween. Het is de geur van eenzaamheid. Hij draait even om de man heen, legt zich onderdanig aan zijn voeten en verwelkomt zijn aaiende hand met een hondenzucht.

Lily
Raymond’s nacht is donker en lang, een eindeloze missie zonder overlevingskans. Vreemde geluiden overstemmen de gedachten in zijn hoofd. Raymond probeert ze te negeren en naar de stilte te luisteren. Eerst is er alleen maar stilte en duisternis; dan hoort hij een zacht geruis en denkt een klein vlammetje te zien. Langzaam begint de zwarte schaduw van de vorige nachten over de muur van zijn dromen te klimmen. Hij had Hannah herkend, maar dat was niet alles. Haar ogen waren voor een moment het zoeklicht geweest waarin hij eindelijk zichzelf had gezien. Hield hij van haar? Zijn hart klopt, net als zijn geweten. Wat had Erasmus nog meer gezegd? Kan iemand die zichzelf haat, wel van een ander houden? Wanhopig zoekt hij naar houvast in herinneringen. Hij opent zijn portemonnee en vindt een paar opgevouwen rekeningen. Sherry dry Sandeman 3 x. Café latte m siroop 2 x. Totaal inc BTW 16,50. Bedankt voor uw bezoek aan Café Engels. Er daagt iets bij Raymond, een vermoeden dat er iets niet klopt, dat hij schuldig is aan iets dat ze hem proberen te laten vergeten. En als het inderdaad niet klopt dan mag het nooit meer op dezelfde manier ochtend worden.

Geslapen heeft hij nauwelijks en toch voelt Raymond zich wakker als hij de volgende ochtend de luttele meters tussen het Centraal Station en café Engels overbrugt. Forensen zijn op weg naar hun werk, twee toeristen staan gebogen over een stadskaart en een gewone fietser heeft ruzie met twee buitengewone opsporingsambtenaren. Raymond slaat er nauwelijks acht op want hij weet dat zijn eigen missie belangrijker is. Hij kijkt omhoog naar het Groothandelsgebouw en loopt dan naar de ingang van het café, dat in een hoekje onderin de immense kolos is geplaatst, als een splinter in de voetzool van een reus. Als hij het koude koperen beslag van de deur vastpakt houdt hij een moment halt en ademt diep in. Dan stapt hij naar binnen.

De kelner recht zijn rug en knikt kort naar de handelsreiziger in lijmen en harsen. Hij draait dan zijn hoofd naar een tafeltje verderop. De handelsreiziger volgt zijn blik. Aan het tafeltje zit een roodharige vrouw, een meisje nog. Ze is frivool gekleed in een blauw zomerjurkje dat veel van haar blanke huid onbedekt laat. Haar lange slanke benen heeft ze kuis tegen elkaar en enigszins schuin onder de tafel gebogen. Er staat een laptop voor haar neus, ze kijkt langs het scherm naar buiten, en de handelsreiziger ziet hoe het fletse ochtendlicht haar sproeten accentueert. Ze draagt een glinsterend knopje in haar gepiercete neusvleugel.
Nose art,’  mompelt hij, en denkt aan de minuscule transparante afbeeldingen van uitdagende vrouwen die hij altijd met zoveel moeite op de neus van zijn bommenwerpermodellen aanbrengt, met namen als Memphis Belle of Bouncin’ Bette.
De handelsreiziger kijkt een moment naar het zwarte object dat de kelner hem voorhoudt. Hij neemt het tubetje echter niet aan. In plaats daarvan loopt hij zelfverzekerd naar het meisje en gaat aan haar tafeltje zitten.

‘Lily. Ik ben Lily,’ zegt het meisje nadat ze heeft besloten dat haar ongevraagde tafelgenoot  een charmant heerschap is wiens compliment over haar uiterlijk geen kwade bedoelingen verraadt. Integendeel, hij streelt haar hart.
‘Ik wil schrijver worden,’ zegt ze peinzend. Ik kom uit Drenthe en daar gebeurt niet zoveel. Ik kom hier voor inspiratie, voor nieuwe ideeën. Je leeft maar één keer, yolo, je weet wel. Ik wil de stad ervaren. Ervaren, dat is waar het om gaat. Ken je dat?’
De handelsreiziger knikt.
‘Ik weet precies wat je bedoelt.’
Even gaat zijn blik naar de achterkant van het café, waar de toiletten zijn. Dan naar de bar, waar de kelner glimlachend met een droge doek de wijnglazen poetst en ze ter controle in het licht omhoog houdt. Dan pakt de handelsreiziger de slanke vingers van Lily’s hand en buigt zich voorover. Ze ruikt naar jeugd.
‘Luister Lily. De ervaring die je zoekt zul je hier niet vinden. Misschien, voor even, vang je er een glimp van op maar de prijs die je daarvoor moet betalen is te groot. De oorlog is zoet, tot je hem proeft.’
Lily schrikt van de ernst die de handelsreiziger plots in zijn woorden legt. ‘Waarom dan? Ik wil…ik dacht…misschien kun je me de stad laten ervaren?’
De handelsreiziger schudt zijn hoofd. ‘Niet hier. Er is niets, helemaal niets. Deze stad heeft geen hart meer Lily, je gaat nu weg, hoor je me? Nu, nu meteen. Ik wil niet dat je hier blijft rondhangen. Ga alsjeblieft weg en kom nooit meer terug in dit restaurant!’
Geschrokken pakt de jonge schrijfster haar spullen en beent naar de uitgang. Bij de deur kijkt ze nog even om. De handelsreiziger ziet de verwarring en de teleurstelling in haar knappe gezicht. Dan stapt ze de stad in.

‘Is alles in orde meneer?’ vraagt de kelner die plotseling zijn formele houding verruild heeft voor verwarring en nerveus gestuntel met zijn dienblad. ‘Heeft u misschien toch lijm nodig?’
‘Nee,’ antwoordt de handelsreiziger. ‘Er is geen lijm meer nodig. De modellen zijn klaar en de oorlog is bijna voorbij. Bijna, want alleen de laatste, de Liberator, ontbreekt nog. Ik weet waar zij is. Ik heb haar gisteren gezien. Kom vanavond om elf uur naar de Gerdesiaweg, naar de gedenksteen bij het metrostation – voor de laatste ronde.’

De handelsreiziger staat op, drukt de kelner een tientje in zijn hand en verlaat zonder om te kijken café Engels. Buiten snuift Raymond de lucht van de stad op en verdrijft daarmee ook de laatste lijmmoleculen uit zijn slijmvliezen.

Night Witches
De roltrap van het metrostation Gerdesiaweg zet zich in beweging en een stokoude man komt tevoorschijn. Hij klampt zich voorzichtig vast aan de rubberen band van de roltrap, maakt een struikelend pasje als hij boven komt. Hij loopt naar het gedenkteken en kijkt uit over de vijver. Op de stoeprand staat een groepje jongens dat rotjes naar een angstige pitbull gooit. Die rent met de staart tussen de benen over straat, kruipt paniekerig krassend met zijn poten onder het hek van de bouwwerkzaamheden door en verdwijnt onder een betonplaat.

Günther voelt in zijn jaszak en haalt er een klein tubetje uit. ‘Ruilen. Altijd iets om te ruilen in mijn hand gehad,’ glimlacht hij. Hij laat het terug in zijn jaszak glijden en stopt zijn hand er weer in.

Raymond doet de deur achter zich dicht. Hij heeft de hele dag geen lijm gesnoven en voelt zich steeds beroerder. De dromen van de laatste weken spoken door zijn hoofd, steeds concreter, bonter ook. Elke kleur is een herinnering aan iets waaraan hij schuldig is. Het groene bomberjack. Het rode mantelpak. Het blauwe jurkje.

Hij loopt naar Günther die stram bij het monument staat. Hier op straat lijkt hij veel ouder dan in het restaurant. Zijn huid is perkamentachtig wit, zijn handen trillen. Terwijl hij ongericht in de verte staart begint hij tegen Raymond te praten, dode woorden met een dorre stem.
‘Die dekselse Lily. Geen steek veranderd in al die jaren. Ik had net een stoel voor haar klaargezet.’
‘Ik heb haar weggestuurd, dat zag je toch,’ zegt Raymond. ‘Ik wilde haar beschermen, tegen jou.’
‘Beschermen, heel goed. Dat is moedig van je, Raymond. Moedig en dwaas tegelijk. Want wie wil iemand anders nu tegen zichzelf beschermen?’
‘Ik zag mezelf in Hannah´s ogen,’ zegt Raymond. ‘Toen wist ik het.’
De kelner hoest en spuugt een rochel op de grond.
´Die vervloekte partizanenhoer! Nee, Andrea was mijn eerste. Ik weet nog hoe haar blonde krullen stil voor haar gezicht hingen toen het allemaal voorbij was. Zij was de eerste die ik liefhad op de stoel.’ ‘Op de stoel? Heb jij haar in Engels…’
‘Nee, niet in Engels. Ik bedoel toen…destijds…. Ik deed niet zoveel hoor, iemand anders deed het werk. Ik zette alleen de stoelen klaar, net als nu in het restaurant. Elke keer als de auto kwam zette ik ze netjes op een rij. Ik deed het graag, vooral als ze de vrouwen brachten. Dan was het toch een beetje feest, hoe overstuur ze soms ook waren. Het was op een bepaalde manier ook mooi. En ik zag dat mijn superieuren het fijn vonden dat ik de stoelen zo had klaargezet. Daarom lieten ze toe dat ik het bij ze deed. Nog wat lijm, Raymond?’

‘Toelaten dat je wát bij ze deed? Wat is dit voor waanzin?’ schreeuwt Raymond.

‘Ik gaf die vrouwen troost en tederheid. Zodat ze liefdevol aan hun einde kwamen. Als de soldaat de stoel onder hen wegschopte, zakten ze een eindje aan het koord. Dat was een korte val en de meesten braken hun nek dan ook niet. Ze spartelden dan nog een tijdje machteloos met trappelende benen in de lucht, terwijl ze aan het touw ronddraaiden. Het luisterde daarom nauw wat ik deed. Als ik te vroeg was, waren ze nog te wild en als ik te laat was… Maar goed, als ze eenmaal hingen, zette ik de stoel weer netjes overeind. Dan klom ik erop en nam ze nog even in mijn armen, streelde hun haar en kuste ze op de mond. Ik weet zeker dat ze het fijn vonden om zo nog even wat liefde en warmte te voelen. Soms opende er een nog haar ogen. Dan drukte ik haar hangende lijf stevig tegen me aan om haar bij te staan in haar doodsstrijd. Er waren vaak knappe jonge meiden bij hoor, ze…

‘Schoft!’ schreeuwt Raymond, ‘Monster! Moordenaar!’

‘Moordenaar?’ zegt Günther. ‘Kijk naar jezelf. Ik heb niemand gedood. Ik heb over geen van die vrouwen geoordeeld. Ik heb nog nooit een touw geknoopt. Ik heb geen enkele stoel omver geschopt, ik zette ze juist overeind!  Alleen een dader kan schuldig zijn. Ik was toeschouwer, nauwelijks deelnemer en zeker geen dader. Ik heb alleen mijn longen met hun laatste adem gevuld en hun dode zielen in mijn hart bewaard, net zoals jij nu voor mij doet. Wil je nog wat lijm?’

Raymond grist de lijm uit de handen van Günther en smijt de tube weg. Op de achtergrond klinkt gerommel van luchtafweergeschut, dof en onregelmatig als ploppende bubbels in kokende pap. Lichtflitsen schieten omhoog. De metroingang is afgesloten maar in het hek naar de bouwplaats zit een gat. Raymond vlucht erheen met de lichtvoetige schim van Günther op zijn hielen. Hij duikt in de nauwe opening tussen betonnen platen en glijdt meters naar beneden over een helling met grind en steentjes, die nog een tijdje op zijn hoofd blijven naroffelen als hij zelf allang weer op zijn voeten staat.

Raymond en Günther staan in een enorm metrostation. Er zijn geen perrons, er ligt geen rails, het is nog in aanbouw en toch is het oud. De ruimte wordt verlicht door gele lampen in de betegelde muren, als in de Maastunnel.
‘Waarom zijn we hier? Wat is dit voor een plek?’ vraagt Günther.
‘Dit? Dit is geen metrostation. Dit is ook geen nooduitgang. Dit is een geheime schuilkelder. Ik had je toch de laatste bommenwerper beloofd?’

Met Günther in zijn kielzog loopt Raymond naar een half ingestort gedeelte aan het einde van de ruimte. Er liggen wrakstukken van de neus van een oud vliegtuig. Op de zijkant is een afbeelding van drie heksen op een bezem geschilderd. ‘Night Witches’, staat er in sierlijke letters onder geschreven.
Der letzte Bomber,´ prevelt Günther ontroerd. ‘Du träumst, willst nicht glauben?’
‘Zenuwachtig Günther?’ vraagt Raymond. ‘Drie vrouwen vlogen deze Liberator : Andrea, Hannah en Lily. Ze werden de Night Witches genoemd. Hun missies boven het Ruhrgebied eindigden in 1944, toen ze boven Rotterdam werden neergeschoten. Ze zijn uiteindelijk in april 1945 alledrie door de Gestapo opgehangen. Dat was op de valreep nog een buitenkansje voor je, hè Günther? De oorlog is zoet, tot je hem proeft. Wil je er nog eens een glaasje van proeven? Ober, kom die fles maar brengen! Floyd!’

Floyd slaapt al weken in de neuskoepel van de Liberator die in 1944 neerstortte op de Gerdesiaweg. Het leren stoeltje van de commandante is weliswaar wat vergaan, maar doet goed dienst als hondenmand. Uitgehongerd heeft hij daarnet nog op een nekwervel van de staartschutter gekloven. Het bommenruim is leeg, op een honderdponder na die is blijven steken en op de metalen rand van het bomluik balanceert.
Floyd wordt wakker als hij zijn naam hoort. Hij herkent de man die hem een paar dagen geleden nog geaaid heeft. Kwispelend springt hij op, rent door de nauwe doorgang tussen cockpit en geschutskoepel, zo snel dat hij het evenwicht van het wrak verstoort. De bom schiet los en rolt over de betonnen vloer naar Raymond en Günther. Nog even zijn de twee te zien, gevangen in het zoeklicht dat uit een diepe afgrond schijnt.

Ik heb veel geleerd van mijn leven, maar het meeste ontdek je na je dood. Zo heeft het bijvoorbeeld geen zin te wachten op de metro als je dood bent. Het metrostation is namelijk geen metafoor voor de hel, net zo min als de hel een metafoor voor oorlog is. De hel is ook geen plek ergens onderin de hemel of een vuur, begraven in de grond. Nee, de hel, dat zijn je eigen dromen als je dood bent. Al sinds ik dood ben wil ik wakker worden, maar hoe wanhopiger ik het probeer, des te dieper mijn slaap en des te doder mijn dood.
Ik wandel op een grauwe akker. Daar staat een omgevallen stoel uit het restaurant naast een armoedige, lage galg en een jonge vrouw hangt aan het koord. Ze draagt een witte blouse en een strakke grijze rok tot onder de knie, haar schoenen zijn tussen de koeienvlaaien in de modder gevallen. Ik strompel door het zware slib tot vlak onder haar boezem, zo dichtbij dat haar krullen mijn gezicht strelen. Met mijn vingertoppen strijk ik over haar wang en dan opent zij haar ogen. Ik vul mijn longen met mijn eigen laatste adem en wil haar mijn leven geven, maar ze wil het niet. Ze smeekt om lucht maar ik kan het haar niet geven want ze weigert mijn adem. Ik kijk naar haar machteloos gespartel aan het koord, de geknakte nek, de blonde krullen die voor het stille gezicht hangen. Ik word dan wakker in het restaurant en de kelner zet de stoelen klaar.

Raymond


Tekst: luckyman en Mahotsukai (c) 2017

 

De Appelboom

Voor ronde 8 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Appelboom.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 800 woorden waarin sprake is van een generatiekloof.’  Met dit verhaal ben ik geplaatst voor de halve finale. 

De Appelboom

Aan het eind van de middag sta ik in het huis van mijn vader voor het raam. Een man met een lange jas en grijze hoed loopt op straat. Hij kijkt angstig achterom, achtervolgd door de echo van zijn eigen stappen. Een vrouw in een witte jurk komt hem tegemoet. Verblind door de lage zon ziet hij haar niet aankomen en net op het moment dat hij over zijn schouder kijkt struikelt hij over haar lange schaduw. Ik zie het gebeuren maar begrijp het niet. Ik ben maar een kind dat speelt met schaduwkonijnen en lacht om de stemmen die opwaaien uit de echoput. ‘Wat voor kleur heeft God?’ vroeg ik ooit eens aan mijn vader. ‘Die kleur bestaat niet,’ zei hij. Daarna las hij verder in de krant.

‘Waar kom ik vandaan?’ vroeg ik mezelf vaak af. Die vraag was een stuk persoonlijker vanwege het antwoord. Een kind komt namelijk van de plaats waar nog geen schaduw is. Ik ken die plek heel goed – van horen zeggen. ‘In de ogen van je moeder’’ had mijn vader gezegd toen ik maar bleef zeuren waar die plek te vinden was. Ook had hij mij toevertrouwd dat het een donkere, wilde wereld was geweest, woest en ledig. Daarna had hij de rest van zijn leven gezwegen en door het beslagen raam naar de appelboom in de tuin gestaard, zijn hand zo krachtig om de leuning van zijn stoel geklemd dat zijn knokkels er wit van weggetrokken waren.

In het begin, toen mijn ouders hun jonge lijven nog elke dag in elkaar verstrengelden, hun leven een wilde cocktail van zaad en zweet en zoete tranen, was hij zo dicht bij mijn moeder geweest dat niets, zelfs de schaduw niet, tussen hen in was gekomen. Ook in het donker onder de dekens was geen spatje schaduw te zien geweest. Ik begreep later waarom de zaklamp altijd op hun nachtkastje lag, want je weet maar nooit zei mijn vader en een schaduw vlucht toch altijd als er licht op schijnt beaamde mijn moeder. Maar ondanks al hun voorzorgsmaatregelen is er uiteindelijk toch iets tussen mijn vader en de schaduw voorgevallen. En dat is niet verwonderlijk want een schaduw is altijd jong en verleidelijk: zij ontstaat pas als er licht op een ander lichaam valt. Het is daarom best wel logisch dat ik juist het meeste over de schaduw heb geleerd door te ontdekken wat mijn vader voor mij verborgen hield.

Vandaag kijk ik voor het eerst in het fotoalbum dat hij onderin de kast verstopt had. Ik glimlach om de snorren en de bakkebaarden- alleen de hond lijkt eigentijds. Ik sla een bladzijde om en laat het album daar openliggen.
Hannah was de zoveelste verkoopster in zijn damesmodezaak. Op de foto staat zij bij de appelboom in onze tuin terwijl de lage zon haar welgevormde schaduw aan mijn vaders voeten werpt. Hannah draagt een strak suede rokje en ik vermoed dat zij daaronder elke dag opnieuw een verse bos geurig schaamhaar liet groeien waar mijn vader zijn baard ‘s avonds in begroef, smakkend, likkend, opdringerig proevend, zijn oogwit geel van wilde nachten. Met het schuim van de schaduw tussen haar lippen zou zij hem daarna verslinden; soppend, kwijlend, duwend, trekkend – eerst zijn hongerige lid, dan de rest inclusief mijn moeder en de damesmodezaak.
Mijn hart klopt in mijn keel wanneer ik haar glanzende foto uit mijn vaders fotoalbum trek. Haar ogen schitteren triomfantelijk, het truitje trekt haar trotse tepels overeind. Ik kijk eerst naar de appelboom, dan naar de lange witte benen onder het donkere rokje. Ik knoop mijn broek los en trek me op haar foto af tot er heldergele sterretjes schitteren in mijn hoofd. Het voelt alsof mijn vader naar me kijkt als ik, voluit ejaculerend, mijn sperma over Hannah’s gezicht en borsten laat vloeien. Haar papieren glimlach verrimpelt onder de draderige vlek. Ik merk dat zaad niet hecht op de afdruk van een schaduw, het rolt vruchteloos van de glanzende foto op mijn tapijt.

Nadat ik mezelf heb bevredigd stap ik de tuin in. Klik klak klinkt het in de keuken, tik tok tikt het op de tegels in de tuin. Dat zijn mijn vaders stappen, een geluid dat zichzelf versterkt en vergroot tot een op de groei gekochte mantel van galm. Zijn bulderende echo rolt lomp in de richting van mijn tuin. Daar zit de schaduw stil en drinkt verfijnd haar thee, zij draagt een witte zonnehoed met lint.
Een onstuimige zomerstorm nadert in de verte. Ik zie hoe de bliksem het hart van de donder treft en zij hem eenmaal liefheeft met haar allesverterend vuur. Ik sta in de flikkering van de flits wanneer achter mij de schaduw dood uit de appelboom valt.
Ik draai me naar haar toe met het schijnsel van mijn vaders zaklamp in mijn hand.

(c) luckymanbooks 2017

 

Liefde is een Hart

Voor ronde 7 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘Liefde is een Hart.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 650 woorden over een fortune cookie.’  Dit verhaal eindigde op de vijfde plaats en hiermee ga ik door naar / met ronde 8!

Liefde is een Hart

‘Ik was gewoon de draad kwijt,’ denkt hij. ‘Kan gebeuren, maar kwijt is niet verloren. De draad blijft gewoon liggen waar hij is gevallen, wachtend op de hand die hem weer oppakt. Dan gaat de draad weer door, op precies hetzelfde moment als waar zij werd losgelaten.’ En vandaag had hij eindelijk weer de draad ontdekt, getriggerd door een gedachte in het eerste gelukskoekje dat hij daarnet bij de afhaalchinees had opengemaakt: ‘Het volmaakte geluk is zo groot dat het pijn doet.’ Zou het niet heerlijk zijn dat nog eens te voelen?

Hier, precies hier op de derde witte streep van dit zebrapad was het ooit gebeurd. Hier had hij door het rode licht gelopen, hier had zij hard voor hem geremd. Hier had hij midden op de weg gestaan terwijl zij verwonderd naar hem keek. Hier had hij, balancerend op de rand van het witte thermoplast, in een peilloos diepe afgrond van donker asfalt gekeken. Hier had zij op haar schoolfiets geleund, een bruine leren schooltas achterop de drager.
‘Hallo’ had hij onhandig, bijna wanhopig gestameld. De lenteavond was daarna om hen heen gevallen als de stilte op de vierde mei en zelfs de vogels luisterden naar hun zwijgen mee. De tram stond knipogend bij de halte, klaar om linksaf te slaan. Toen was het licht weer op groen gesprongen. Terwijl zij onhandig steppend op de veel te grote damesfiets weer op gang kwam, was ze hem gepasseerd. Ze had nog een paar keer over haar schouder naar hem omgekeken en daarna haar eigen pad door tijd en ruimte vervolgd. Hij had naar haar wiebelende kont op het zadel gestaard tot zij met fiets en al voorgoed verdwenen was tussen de coulissen van de stad.

Nu staat hij weer op het kruispunt en denkt aan zijn kinderen die hem niet meer bellen en de buren die hem kort te woord staan, hun ongeduldige sleutels al in het voordeurslot gestoken. Hij maakt het tweede koekje open: ‘Een pad ontstaat door erop te lopen.’ Met een grote stap zet hij zijn voet op de eerste witte streep. Hij voelt het. Hij weet het. Het zebrapad naar de vluchtheuvel is een horizontale trap naar de volmaaktheid, elke stap een sprong vooruit. Hij kijkt naar links. Zijn hart klopt jong, zijn geest ademt vrij. Daar in de verte komt ze aanfietsen, alleen veel harder dan hij zich herinnert. Ze trapt gehaast door alsof ze het groene licht nog wil halen. Groen, oranje, rood. Ze zet haar lange spierwitte been op de grond. Dat been is niet oneindig, maar lijkt eindeloos. Het verdwijnt in de hete schemer die zij onder het omhoog gekropen rokje tussen haar dijen voor hem heeft bewaard. Ze stapt af en zet haar grote fiets tegen de prullenbak bij het stoplicht. Haar steile haar heeft een intrigerende kleur, ergens tussen rood en blond, haar lichtblauwe ogen stralen met een eenmalige glans.
Ze pakt haar bruine schooltas van onder de snelbinders. Giechelend en gniffelend hollen ze samen de trap naar een portiekwoning op. De zware tas ruikt naar leer en valt op de grond als haar arm om zijn nek glijdt en zij zich door hem op de mond laat kussen. Hij drukt zijn lippen zachtjes op haar hals, duwt zijn kruis verlangend tegen haar aan. Maar dan klikt ze de sloten van haar schooltas open en haalt er twee koekjes uit. ‘Ik heb deze speciaal voor ons bewaard,’ zegt ze. ‘Ik heb: ‘Liefde is een hart in twee lichamen.’ En jij?’ ‘De wijze kijkt niet om, maar loopt achteruit om vooruit te komen.’

Samen lopen ze naar de zebra, ze geeft hem een wonderlijk koele hand en trekt hem met zich mee. Achteruitlopend steken ze over, elke stap verschijnt als een donkere afdruk op de witte strepen van de oversteekplaats. De weg is de bestemming. Waar ze naar toe gaan zien ze niet. Dat blijft nog even een verrassing.

 (c) luckymanbooks 2017

Verslag Boekpresentatie De Kalahari Roos

Op een winderige en enigszins zwoele avond, in het pand van de Social Impact Factory midden in de stad Utrecht, vond op 29 juni de lancering van uitgeverij EroScripta en de presentatie van mijn verhalenbundel ‘De Kalahari Roos’ plaats.

Het publiek was divers en onder de aanwezigen telden we één van Nederlands eerste pornografen en auteur van ‘De Condoom Vertellingen’ Willem van Batenburg (tevens regisseur van de eerste avondvullende Nederlandse erotische film Pruimenbloesem). Ook Hans Jacobs, oud-journalist en zelf auteur van prachtige boekjes (Walhalla) en Odile Schmidt (auteur, dichter en schrijfcoach bij Schrijven Online) maakten hun opwachting, evenals de eroticist die onder het pseudoniem ‘Mahotsukai’ zelf prachtige verhalen maakt en de inleiding tot de Kalahari Roos schreef. Verder Priscilla Van, eigenaresse van  een ‘classy’ erotische winkel in Zwolle en verschillende dichters en schrijvers die zijn aangesloten bij EWA (erotic writers and artists).
Ik werd gepresenteerd als de controversiële auteur Emanuel Claessens, die met deze eerste publicatie in het genre erotisch surrealisme de toon zet voor de richting die uitgeefster Liza Daen met EroScripta op wil.
Odile Schmidt schreef het voorwoord voor mijn boek en las dit als introductie persoonlijk voor. ‘Er gebeurt meer dan erotiek alleen,’ zei ze. ‘De Kalahari Roos’ is volgens haar: ‘Een frisse duik in het onderbewuste en een heldhaftig wegjagen van taboes.’
Toen was ik aan de beurt om een verhaal uit mijn bundel voor te lezen. Het was moeilijk een keuze te maken en uiteindelijk werd het ‘Ruitenboer.’  Elk verhaal heeft zo zijn eigen uitdaging; in ‘Ruitenboer’ staat bijvoorbeeld een Poolse zin die uiteraard foutloos uitgesproken moest worden…. Je zag de aanwezigen denken: ‘Bestaat die mysterieuze Poolse dame nu echt of leeft zij alleen in de fantasie van de man die haar aanbidt?’ Een man die alles voor haar over heeft, zelfs het zoeken naar een oorbel in de afvalcontainers onderin een enigszins verlopen flatgebouw? ‘Zoek in het afval Leon. Alleen daar kun je iets van waarde vinden. Het gaat om de moeite die je voor mij wilt doen. Alleen daarom.’
Na het voorlezen – vanaf een e-reader – had het publiek gelegenheid tot vragen stellen aan de uitgever en mijzelf. De vragenronde leidde tot een boeiende discussie over het huidige lees- en publicatie klimaat in Nederland. De aanwezigen constateren dat er nog te weinig aandacht is voor Nederlandstalige erotica-auteurs. Onbekend maakt onbemind. Uitgevers nemen weinig risico en houden het vaak bij de grote vertaalde kaskrakers zoals 50 tinten. Literotica op haar beurt wordt al snel geassocieerd met pornografische lectuur en daarmee afgekeurd. Zonde, constateren wij, want er zijn zeer goede auteurs van erotica te vinden die absoluut de moeite lonen ze te lezen.
EroScripta verwacht binnen enkele weken Liza Daen’s derde bundel ‘Lustkronieken 3’ te lanceren en in het najaar twee werken van nog niet nader geïdentificeerde auteurs.
Met deze lancering is de kop eraf. Een geslaagde start van Eroscripta en een prima avond, die zeker vraagt om een vervolg.

Lees het verslag van Odile Schmidt hier!

De Kalahari Roos – Boekpresentatie

Op 29 juni is het zover: dan is de presentatie van mijn verhalenbundel De Kalahari Roos in Utrecht. Maar niet alleen dat: het is ook de lancering van de nieuwe Nederlandse uitgeverij Eroscripta, die zich richt op literotica.

Liza Daen, initiatiefneemster, vertelt over het ontstaan van EroScripta en de plannen voor het komende jaar. Zelf lees ik een passage voor uit een van mijn verhalen uit de bundel. Verder geven verschillende erotische auteurs acte de présence en kun je uitgebreid napraten met een van de erotica auteurs en bevlogen lezers.

Reserveer voor de boekpresentatie via het contactformulier op de site van Eroscripta.

De Estafette Paradox

Voor ronde 6 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘De Estafette Paradox.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 450 woorden waarin een dilemma centraal staat.’  Dit verhaal behaalde een gedeelde vijfde plaats in de jurywaardering en werd zestiende in het publieksklassement. 

De Estafette Paradox

De kleedkamer ruikt naar zoete talk en zweet van bange meisjes.

‘Ik was op tijd coach, maar Gabi niet. Die stond te dromen in de transfer zone.’

De blauwe ogen van het meisje worden groot en haar talentvolle pupillen stellen hem de vraag.

‘Je bedoelt dat je betere afspraken wilt, Ulrike? Gabi is onze vierde loopster, dat weet je toch? Je moet het stokje aan háár doorgeven en dat kan alleen als jullie samenwerken als een team. Luister: De laatste loopster moet als eerste over de finish komen en jullie willen allemaal de laatste zijn. Dat noemen we de estafette paradox. Het is het grootste dilemma uit de socialistische sportbeoefening. Maar genoeg theorie voor vandaag. We gaan nu verder aan je techniek werken.’

Ulrike zucht begrijpend en ritst haar donkerblauwe trainingsjack open. Daarna buigt ze zich voorover en knielt voor haar coach op de grond. Ze spreidt haar lange vingers op de startstreep en richt haar gespierde kont omhoog in de richting van de rode vaandels op de staantribune aan de Oostkant. Haar blonde krullen hangen voor haar gezicht. Over haar linkerschouder kijkt ze achterom. Haar billen zijn rond en haar onderrug welft uitnodigend als de schans van het decadente Garmisch Partenkirchen. De coach glijdt met zijn handen langs die witbesneeuwde helling omlaag. Dan grijpt hij haar bij de heupen en trekt haar gladde broekje naar beneden. Wow, denkt hij. Deze kringtraining gaat nauw luisteren. Hij kucht in haar nek.

‘Voel je die tinteling onderin je rug, elke keer als ik je daar wat stretch en oprek? Dat zijn jouw vleugeltjes van lust Ulrike, daarmee zul je naar de finish vliegen. Je hebt de langste benen van de DDR, de donkerrode sintels in de laatste bocht zullen gloeien onder de hitte van je spikes. Voel je het vuur al in je branden?

‘Het vuur coach?’

‘Ja, denk maar aan de Olympische vlam terwijl je zo dadelijk op je onderlip bijt. Morgen ga ik Gabi trainen en daarna Marita en Haike, tot ik jullie alle vier heb geprepareerd voor de Spelen. Vertrouw me maar Ulrike.’

De coach denkt aan het ontluikende blonde snorretje op Ulrikes bovenlip en perst zijn paarse paddo door haar kringspier. Die sluit zich schielijk achter de rand als een sterke mond met zuigeffect. Haar gesmoorde gejammer vertelt de coach dat de training het beoogde effect begint te krijgen. Het loopt gesmeerd. Hij voelt geen weerstand meer. Het prikkeldraad in haar droge endeldarm is weggesmolten, haar dichtgebrande eierstokken kijken vruchteloos aan de zijlijn toe. Hij bijt haar in de gespierde schouderbladen terwijl hij zeven afgepaste porties oefenstof bij haar inbrengt. Het dilemma is opgelost.
De laatste loopster zal het eerste komen en Ulrike zal die laatste zijn.

(c) luckymanbooks 2017

Les Filles Fragiles

France, Département Haut Rhin, 1967

De camping aan het Meer van Kruth-Wildenstein was vol en mijn ouders hadden er net de tent opgezet. Ik zat op het randje van de stuwdam en keek uit over het meer in het licht van de ondergaande zon. Ik had honger en dat was niet zo vreemd. Een jongen van mijn leeftijd had altijd wel honger of trek. Maar verder had ik nergens zin in en zeker niet in het opzetten van een bungalowtent. Het gegniffel van de andere campinggasten om het gedoe van mijn moeder en het gestuntel van mijn vader was gewoon veel te pijnlijk. Aan de andere kant wilde ik zoveel dingen tegelijk dat ik nergens aan toe kwam. Het staren over het stille meer kwam nog het dichtste in de buurt van mijn allerdiepste wens: om alles wat het leven bood nu alvast in één allesomvattend moment te beleven. Zolang ik maar niets deed, hield ik alle mogelijkheden daartoe nog even open. Dat een daarvan zich al snel aan mij zou openbaren, kon ik toen nog niet vermoeden.

Na de avondmaaltijd, die bestond uit een onwennig samengaan van Nederlandse en Franse ingrediënten, wilde ik gaan douchen. Ik slofte in mijn donkerblauwe trainingspak naar het bloc sanitaire dat tegen het hek van de camping was aangebouwd. Er stonden drie Franse meisjes te kletsen voor de ingang, ze hadden allemaal een witte handdoek om het haar gewikkeld en een borstel in de hand. Toen ik met bonkend hart langsliep, zwegen ze en keken me met onpeilbaar stille blikken na. Met een plastic zeepdoosje in de ene hand en een wat dun geworden handdoekje in de andere stapte ik het trappetje naar de herendouches op. De vloer was glad, slijmerig en vies. Half lopend, half glijdend schuifelde ik naar een van de douchecabines. Ik ritste mijn jack open, stroopte mijn trainingsbroek naar beneden en stapte uit mijn onderbroek. Naakt en ademloos luisterde ik naar de stemmen van de meisjes met de haarborstels. Toen ik de kraan opendraaide stapte ik even opzij, want je wist maar nooit hoe warm of koud het water zou zijn. Ik stak mijn hand in de straal en trok hem direct geschrokken terug. Het water was ijskoud. Het leek uit de diepste diepten van het meer van Wildenstein op te wellen, diep uit de ijzige ondergrondse wateren waar ik aan het eind van de middag nog over uit had gekeken. Ergens had ik nog de hoop dat het na een tijdje, misschien na een paar minuten, wat minder koud zou worden maar nee, er veranderde niets. Ik droogde mijn koude hand en kleedde me weer aan.

“IJskoud,’ informeerde ik mijn ouders verwijtend en ging op een vouwstoel voor de tent zitten met een transistorradiootje in mijn hand. Ik zocht naar een zender met Engelse beatgroepen, maar vond er geen. Er waren maar drie radiostations. Op twee daarvan werd in moeilijk Frans gesproken over zaken die ik niet kon volgen en op de derde was Franse meisjesmuziek te horen. Maar ook daar begreep ik weinig van. Als de Franse meisjes net zo ingewikkeld waren als de titels en teksten van hun liedjes, zou ik op deze camping weinig kans maken op een eerste romance. Ik luisterde naar Poupedecipoupeedeson en Saperlipopette, een van de liedjes leek zelfs Ah-Hem-Ha-Uh-Err te heten, de werkelijke titels waren ongetwijfeld anders. Maar hoe mysterieus die titels en ongrijpbaar de teksten ook waren, de stemmen van de meisjes zelf klonken helemaal niet moeilijk. Ze klonken ongekunsteld en spontaan, eigenlijk zongen ze onbekommerd vals, alsof ze naakt onder de douche stonden met hun haarborstel als microfoon. Dat ik juist daarom elke avond van die meisjes droomde, was een geheim dat ik steeds zo dicht mogelijk bij me droeg. ´s Nachts hoorde ik mijn vader brommen en mijn moeder zenuwachtig zuchten in het piepend ritme van hun campingbed; dan gleed mijn hand wat aarzelend op en neer in mijn onderbroek onder de dekens in de voortent terwijl ik aan de stemmen van de meisjes dacht. De volgende ochtend durfde ik mijn moeder niet aan te kijken en hield de radio aan mijn rode oor.

‘Waar luister jij nou naar? vroeg mijn moeder. ‘Ik dacht dat je alleen van beatmuziek hield.’

‘Dat is er hier niet,’ zei ik haastig. ‘We zijn in Frankrijk.’ Ik probeerde het verwijtend te laten klinken.

‘Heb je gedoucht?’ vroeg ze bij de koffie.

‘IJskoud Ma,’ zei ik.

‘Oh.’

‘En jij?’ zei ik. Het piepende campingbed had zich onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift.

Mijn moeder zweeg. Het zou mij niet verbazen als zij speciaal hiervoor een lauw washandje van huis had meegenomen.

Die ochtend kwam het water van het meer niet langer alleen maar ijzig uit de douche. Het begon nu ook koud op de camping neer te regenen. De camping was verlaten maar in de kantine was het druk en vochtig. De drie Franse meisjes, die op de stemmen van de liedjes leken, zaten aan een tafeltje in de hoek. Half verscholen achter het biljart staarde ik naar ze, maar ze keken niet op of om. Preciezer gezegd hadden ze mij wel gezien maar vonden het blijkbaar niet de moeite naar mij te kijken. Ik leerde zo dat er een heel belangrijk verschil bestond tussen kijken en gezien worden. En omdat de meisjes deden of ze mij niet zagen deed ik ook maar net of ik niet aanwezig was.
In de campingkantine hing een affiche. Daar stond op:

Concours JeunesTalents Yé-Yé
(pour des Mademoiselles d’Âge Tendre)
Lundi, Juillet 24, 20.30 heures

Hangerig verlummelde ik de rest van de middag in de kantine. De meisjes zagen er alle drie verschillend uit maar klonken hetzelfde. Hun stemmen klonken gedempt, alsof ze met zijn drieën onder een dekentje lagen. Vanonder dat dekentje van geheimzinnigheid klonken af en toe kirrende en proestende lachjes. Een enkele keer lachten ze alle drie hardop, hun heldere stemmen klaterden dan als de beekjes die die zich sprankelend en bruisend in het Meer van Wildenstein stortten. Zo zat ik te kijken, te luisteren en te dromen, net zolang totdat het avond werd en een van de meisjes eindelijk naar me gekeken had.

‘Ga je vanavond niet naar de zangwedstrijd in de kantine?’ vroeg mijn moeder na het eten, met rode oren tegen mijn vader aanhangend.

‘Nou, ik weet het niet Ma. Het is best wel koud.’

‘Misschien kom je daar nog wel een leuk iemand tegen,’ zei mijn vader en stopte me wat francs in mijn handen. ‘Dan kun je ook nog wat drinken en biljarten. Haast je maar niet hoor. Je moeder en ik … het is toch overal koud…’

‘Dat zei ik toch ook net, Pa.’

Toen ik de volle kantine binnenkwam zag ik eerst de meisjes niet. Er was wel een podium ingericht waar een drumstel, een elektrische piano en wat luidsprekers op stonden. De muzikanten zagen er verveeld en vermoeid uit terwijl ze aan de bar hun glazen bier leegden. Toen de meisjes binnenkwamen keken ze zoekend rond tot ze mij hadden gezien. Daarna wezen ze naar me en lachten me uit. Inmiddels was de hele kantine volgelopen met Franse gezinnen.

Het eerste meisje dat optrad zong Rouge Rouge, een stevig liedje met een rockbeat; ze had donker, steil haar en droeg een pastelgeel jurkje. Schuin achter me begon een ander meisje heel hard de tekst mee te zingen:

Moi quand je sens qu’on me regarde
Ça y est je ne peux plus bouger
Et si l’on attend que je parle
D’un seul coup ma gorge est serréééééééééééééééééééééée

Die laatste uithaal was zo vals dat ik nieuwsgierig omkeek.
Het was het meisje dat aan het einde van de middag met een dromerige blik naar me had gekeken. Ze stond vlakbij, haar stem was warm, ik rook het pastelkleurig talkpoeder op haar huid.

‘Ben je Nederlands?’ vroeg ze.
 Ja ik ben. Ik ben Nederlands,’ zei ik.
‘Ik ben Stéphanie,’ zei ze, haar naam declamerend als absolute, onverzettelijke waarheid.
‘Dan ben ik Gijs,’ zei ik.
‘Comment?’
‘Gijs…Gijs.’
‘Eh…alors…’

We zwegen een tijdje en genoten van de stilte van elkaars nabijheid. Ik snoof haar op. Ze rook naar zeep en frisse bloemen. Zou ze mij ook ruiken? Ik had alleen mijn koude hand gedoucht. Hoe zou ze vinden dat ik rook?
‘Ben je nerveus?’ vroeg ik zenuwachtig.
‘Mais non, je ne suis pas nerveux, jamais!’ Ze streek een haarlok achter haar oor en lachte.

Nu stond ze op en liep naar het podium. Ze zong Où va le vent. Haar stem was net zo ongeschoold als die van de meisjes op de radio. Ze klonk alsof ze slaapdronken over een muzikale snelweg slingerde, gevaarlijk dicht bij de vangrail, hier te snel, daar weer te langzaam. Bij het eerste couplet zakte haar stem een half octaaf door de bodem van het lied. In het couplet daarna struikelde ze over de melodie, klampte zich met een angstig gilletje vast aan een noot en viel achterover het refrein in. Maar toch gebeurde er een wonder. Wat ik niet kon horen met mijn oren voelde ik in mijn jongenshart: de noten waren vals maar haar stem was puur en zuiver. Welke woorden zij zong kon ik niet verstaan, en welke melodie het precies had moeten zijn, was alleen maar een vermoeden. Toch stond een ding als een paal boven het water van het meer van Wildenstein: zij zong alleen voor mij en alles in het liedje was een bevestiging van die pure onweerlegbare waarheid, de volle drie minuten en drie seconden lang. Toen het liedje was afgelopen, legde ze de microfoon op de piano, keek als in een roes wat ongericht in mijn richting met harde, blauwe ogen. Hierna ging ze weer bij haar vriendinnen zitten.
Terwijl ik met wat jongens aan het biljarten was voelde ik dat ze naar mij keek. Ik hoorde haar stem af en toe op de achtergrond maar ik ving alleen maar woorden op. Ik kon de betekenis en samenhang niet doorgronden.

Qu’est-ce que vous dites, Christine ?
Enfin je disais que, enfin je croyais que… qu’y avait plus d’amour

Ik zag dat de meisjes alle drie opstonden en naar buiten liepen. Ze keken naar mij en ik staarde terug terwijl ik het topje van mijn keu aan het krijten was. Ik legde de keu op het biljart en liep de meisjes achterna. Stéphanie stond mij aan de zijkant van de kantine op te wachten, terwijl haar vriendinnen een stukje verderop een sigaret aan het roken waren. 

Stephanies hand gleed in de mijne en zwijgend liepen we over de stille camping naar het sanitaire blok. Toen ze aan de linkerkant het trappetje naar de meisjes wc op wilde lopen, bleef ik verward staan maar ze trok me resoluut met zich mee.
‘Ga je mee douchen?’ zei ze.
Ik huiverde. ‘Nu nog? Het water is toch hartstikke koud!’
‘Koud? Mais non! De meisjesdouche is heerlijk warm, elke zalige ochtend weer,’ zei ze zacht.
We slopen het gebouwtje binnen en schoten een douchehokje in. Zodra ze het deurtje op de knip had gedaan omhelsde ze me en kuste me zachtjes op mijn mond. Haar lippen smaakten naar kersenlimonade. Voorzichtig liet ik mijn hand op een van haar borsten rusten. Ze drukte zich tegen me aan, klemde mijn dij met kracht tussen haar benen. Piepend en hijgend schurkte ze zich tegen me aan, haar hete adem brandde op mijn huid. Buiten hoorde ik het gesmoorde gefluister en gegiechel van haar twee vriendinnen.

‘Snel,’ zei ze. Ze begon haar kleren uit te trekken: haar bloesje, haar rokje en haar schoenen. De kleren hing ze over het deurtje van de cabine. Even later had ik ook mijn broek en shirt over de deur van het douchehokje gehangen. Resoluut draaide ze de doucheknop open en een heerlijke straal warm water viel op ons. In de ijskoude lucht vulde het hokje zich al snel met een dichte damp. Ik hoorde haar vriendinnen nog steeds, stikkend van de onderdrukte slappe lach, rondscharrelen bij de toiletten. De geur van hun sigaretten waaide ons douchehokje in.

Stéphanie maakte haar haren nat en toen zong zij Où va le vent terwijl ik haar in mijn armen hield.  Zachtjes gleed haar roze tong naar binnen in mijn tintelende linkeroor. Even later keek ik omlaag, terwijl ze mij baadde in de warmte van haar mond. Mijn tenen groeven zich genietend in de granieten vloer en daarna keken we samen naar het water waarin zij het had uitgespuugd. Ze speelde er even mee met blote voeten, sleepte een paar witte sliertjes met haar grote teen naar het roostertje van de afvoer. ‘Bon voyage,’ riep ze ze achterna, terwijl ze naar het putje zwaaide. We moesten er allebei om lachen. 
Hand in hand keken we daarna uit over het donkere meer. Kleine golfjes schitterden in het water met dezelfde zilveren tinteling als die van het maanlicht in haar ogen.
‘Nu wil ik een wens doen,’ zei ze. ‘Niet drie. Dat zijn er twee te veel. Zelfs niet twee. Dat is er een te weinig. Eentje is genoeg: Ik wil alles, ja alles. Ik ga alles wensen. ‘Ze sloot haar ogen, kneep ze zo stevig mogelijk dicht, balde haar vuisten en zei: ‘Ik wil alles eerst!’ Ze deed haar ogen open en vroeg: ‘en jij?’
Ik zweeg en kuste haar. Ik wist dat ik deel van ‘alles’ was en daarom niets te wensen over had.
‘Morgen ben ik hier niet meer,’ zei ze. ‘Ik neem je mee in mijn hart. Dat is de mooiste plek die ik voor jou heb kunnen vinden.  Maar ik heb iets voor je. C´est Cresoxipropanédiol en capsule. Klinkt vrolijk nietwaar? Neem er eentje als je aan me wilt denken. Ik word er altijd gelukkig van als ik me alleen voel.’ Ze haalde een paar witte capsules uit haar handtasje en legde ze in haar geopende handpalm. Ik keek naar de grauwwitte pillen op haar gladde, gave hand. Ze pakte er een en stopte die in mijn mond. Toen ik de ander pakte, sloot ze haar ogen, schudde haar haren naar achteren en stak haar roze tong een beetje uit. Aandachtig legde ik de capsule op haar gekrulde tong. Met een slokje water slikten we de capsules allebei tegelijk door. In haar ogen weerspiegelde mijn eigen gezicht en toen ik ze sloot bleef ik mezelf zien, bezig om de betekenis van alles te ontdekken op de stuwdam van het Meer van Wildenstein.

Het begon te onweren boven het meer en het weer sloeg om. Ik wist dat het tijdperk van de Yé-Yé meisjes voorbij was. Hun liedjes werden nummers, de muziek klonk rood met paarse flitsen. De zachte pasteltinten uit de modebladen vervloeiden en vormden cirkels en geometrische figuren in rood, oranje, paars en geel. De wind van de tijd sloeg de bladzijden van het magazine om, zij stond op de cover met witte laarzen tot vlak boven de knie. Ze kwam los van het papier en liep van de linker naar de rechter pagina. Daar ging ze in een advertentiehoekje zitten lezen en sloeg haar lange benen over elkaar.
Dagen en nachten wisselden elkaar af in een flikkering van stroboscopisch licht. Ik was alleen, mijn ouders waren verdwenen en het modetijdschrift werd niet meer gedrukt. Ook zij was er niet meer maar toch bleef ze me elke dag een druppel liefde geven. Toen ik merkte dat mijn hart zo vol met liefde was gestroomd dat er niets meer bij kon, zag ik dat ik weer op de rand van de stuwdam zat. Ik keek uit over het meer met de laatste grauwwitte capsule in mijn hand. Ik dacht aan wat zij had gewenst en was blij dat ik had gewacht.

‘Ik zie je gauw. Maar neem hem pas in als je alles gedaan hebt wat je wilde,’ had ze gezegd.

-/\-

Tekst: (c) luckymanbooks 2017
Foto: France Gall (1967) op de cover van: C´est Chic! French Girl Singers of the 1960´s – ACE Records (c) 2013)
Soundtrack: Elsa Leroy: Où va le Vent  en Christie Laume: Rouge Rouge

Ik schreef ‘Les Filles Fragiles’ voor de Thewa uitdaging # 23 van EWA Nederland. De uitdaging was: ‘schrijf een erotisch verhaal, geinspireerd door een bekend pop nummer.’ In overleg met EWA heb ik het verhaal ook gelinkt voor de bijeenkomst van 20 mei 2017, die een iets ander, maar ook muzikaal thema had.

 

 

As time goes by

Voor ronde 5 van de EWA schrijfmarathon 2017 schreef ik het verhaal ‘As Time Goes By.’ De opdracht was: ‘Schrijf een erotisch verhaal van maximaal 400 woorden vanuit het perspectief van een toevallige voorbijganger en maak hierbij gebruik van de ‘Show Don’t Tell techniek.’  Met dit verhaal behaalde ik de tweede plaats in deze ronde.

 

 

As Time Goes By

De sigaret bungelt in de mondhoek van de voorbijganger. Het wit van zijn oog is geel, de pupil verwijd, het rood doorlopen. Hij wandelt over de stenen brug, wetend dat zijn leven  inwisselbaar is met dat van de voorbijgangers die hem hier voorgingen. Een koude rilling trekt over zijn rug wanneer hij de streling van hun schaduw voelt.

Een straatlantaarn brandt gele gaten in de mist en twee gestalten doemen op aan de reling van de brug. De voorbijganger vertraagt zijn tred. Vanonder zijn donkere hoed tuurt hij naar een meisje dat een infanterist pijpt. Zij is jong, een leerling-verpleegster misschien. Een enorme soldatenlul hangt uit de gulp van zijn donkerblauwe uniform, het lid richt zich onweerstaanbaar op. Het rekt zich lui uit, vult zich rustig met zijn bloed in het lome ritme van haar zuigende mond. De groene ogen van het meisje schitteren als ze de voorbijganger aankijkt: glijdend met haar mond, draaiend met haar tong, zijn ballen zachtjes wrijvend met haar hand. Haar halflange zakkrabbelende nagels betoveren de soldaat, met haar zorgzame geilheid heeft zij de reus getemd.

Voelt dit meisje het hart van de soldaat al kloppen in haar mond? Datgene wat de voorbijganger niet ziet kleurt hij later met vermoedens in: De samengetrokken ballen, de witte klodders op haar kin, het zaad dat vast bleef plakken aan haar ring. De zoete geur van regen in haar haar, de stank van sigaretten in zijn ruwe, onbeholpen vuist. Het parfum dat zij vanavond draagt en dat hij zal blijven ruiken zolang hij leeft.

 De voorbijganger passeert hen met gespeelde onverschilligheid, stamelt een verontschuldigende groet in het voorbijgaan. Dan kijkt hij nog eenmaal om naar de man en het meisje. Elke avond vereeuwigd en verstrengeld in opeenvolgende verschijningen onder lantaarns op oude bruggen. Een straatmuzikant speelt ‘As time goes by’ op een gedeukte saxofoon; met elke aarzelende noot stelt hij een vraag aan de luisterende voorbijganger. Het antwoord is allang gegeven en ligt ergens tussen de achteloos geworpen munten onderin zijn zwarte open kist.

 Wanneer de voorbijganger thuiskomt verhangt hij zich op de zolder van zijn hospita aan een balk. Zijn levenloze lid staat er ferm van overeind in de plooien van zijn broek. De voorbijganger is een metafoor, alleen staat hij nergens meer voor. Hij doet niet meer mee, blijft nergens meer staan. Zijn lot was enkel om voorbij te gaan.

-/\-

(c) luckymanbooks 2017

Soundtrack: Dexter Gordon: As Time Goes By